Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP5732

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
1000116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges.

Legesverordening 2007 gemeente Dalfsen is niet gepubliceerd en derhalve niet in werking getreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/434
V-N 2011/23.24.9
FutD 2011-0502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00116

uitspraakdatum: 8 februari 2011

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 januari 2010, nummer Awb 08/1215, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dalfsen (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Van belanghebbende is met dagtekening 6 augustus 2007 een bedrag van € 5.556,62 aan leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de legesnota verminderd tot € 4.832,62.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank te Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 januari 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2010 te Arnhem. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. De Ambtenaar is wel verschenen.

1.7 De Ambtenaar heeft bij deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof. Deze pleitnota wordt door het Hof tot de stukken van geding gerekend. Een kopie van de pleitnota is aan het proces-verbaal van de zitting gehecht.

1.8 Na de mondelinge behandeling heeft het Hof de zaak aangehouden en de Ambtenaar verzocht om nadere inlichtingen te verstrekken. Na ontvangst van de betreffende informatie heeft de griffier de stukken doorgestuurd naar belanghebbende teneinde hem in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Belanghebbende heeft schriftelijk laten weten geen behoefte te hebben aan een reactie.

1.9 Partijen hebben het Hof toestemming gegeven om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

1.10 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft in 1997 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een varkensstal op het perceel a-straat 1 te Q.

2.2 Deze aanvraag heeft in 1997 geleid tot de afgifte van een bouwgunning en tot de heffing van een bedrag van € 762,80 en een bedrag van € 2.268,90 aan leges. De leges zijn door belanghebbende ook betaald.

2.3 Op 8 februari 1999 heeft belanghebbende – in reactie op de invoering van het Varkensbesluit 1998 – opnieuw een “aanvraagformulier bouwvergunning” ingediend. Deze aanvraag is in behandeling genomen en terzake is een bedrag aan leges geheven van € 5.710,05. Ook deze leges heeft belanghebbende betaald.

2.4 In de daaropvolgende jaren hebben de bouwplannen van belanghebbende een wijziging ondergaan. Sinds 2005 heeft hij het voornemen om het bouwwerk als paardenstal te gaan gebruiken. Als gevolg van deze wijziging in gebruik zijn de bouwplannen ten opzichte van het eerdere plan voor een varkensstal als volgt aangepast:

Varkensstal Paardenstal

oppervlakte 1.564 m2 1.488 m2

inhoud 7.500 m3 9.962 m3

nokhoogte 7,36 meter 8,62 meter

goothoogte 3,00 meter 4,25 meter

lengte 64,20 meter 64,20 meter

breedte 24,00 meter 23,40 meter

kelder ja nee

toegangsdeuren hout aluminium

2.5 A BV heeft op 30 maart 2007 een offerte uitgebracht voor de bouw van de paardenstal. Het project is omschreven als ‘loods 24 x 60 m; zijwandhoogte 4,25 m; dakhelling 20° te Q. De offerte is, voor zover hier van belang, als volgt gespecificeerd:

A Staalconstuctie

B Gordingen (hout)

C Dakbeplating

D Wandregels (hout)

E Wandbeplating (damwandplaten)

F Deuren

G Goot; HWA afvoer

Prijs (A t/m G) excl. BTW: € 120.500,=

2.6 Op 29 mei 2007 is door of namens belanghebbende een ‘Aanvraag bouwvergunning’ ingediend tezamen met een gewijzigde bouwtekening. In de aanvraag is – voor zover van belang – ingevuld dat voor deze bouwwerkzaamheden al eerder een bouwvergunning is aangevraagd en dat de kosten € 120.000 bedragen. Bij vraag 7 ‘materiaal en kleurgebruik’ is het volgende ingevuld:

Onderdeel Materiaal Kleur

Gevels baksteen rood/bruin

* Plint gebouw

* Gevelbekleding damwand topgevel d. groen

* Borstweringen

Voegwerk

Kozijnen en ramen overhead deur aluminium crème

* Deuren

* Luiken

Balkonhekken

Dakgoten en boeidelen aluminium goot/damwandzetwerk naturel/creme

Dakbedekking vezelcement golfplaten antraciet

Deze informatie correspondeert met de gegevens die op de bouwtekening zijn vermeld.

2.7 De Verordening op de heffing en de invordering van leges 2006 (hierna: Legesverordening 2006) en de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2007 (hierna: Legesverordening 2007) van de gemeente Dalfsen bepalen voor zover van belang:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

Artikel 5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van de in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 6 Wijze van heffing

De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur.

Artikel 11 Inwerkingtreding, overgangsbepalingen en citeertitel

1. De “Legesverordening 2005 (respectievelijk 2006)” (…) wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing(…).

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag, na die van bekendmaking.

3. In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover ter zake daarvan heffing van de leges in die periode plaatsvindt.

4. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2006 (respectievelijk 1 januari 2007).

5. Deze verordening wordt aangehaald als “Legesverordening 2006” (respectievelijk “Legesverordening 2007”).

2.8 De bij de Legesverordeningen behorende Tarieventabellen bepalen voor zover van belang:

Bouwkosten 2006 2007

5.1 Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk of, voor zover deze ontbreekt, een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Wijzigingen op dit normblad kunnen door het college van Burgemeester en wethouders van toepassing worden verklaard voor deze verordening.

Bouwvergunningen

5.2 Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van:

5.2.2 een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet

van de bouwkosten met een minimum van

1,6%

€ 74,75

1,63%

€ 75,90

5.2.6 Indien een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning betrekking heeft op het bouwen in afwijking van een eerder ingediend bouwplan, waarvoor reeds een vergunning is verleend, maar waarvan nog geen gebruik is gemaakt, worden de voor de oorspronkelijke vergunning geheven leges verrekend met het bedrag dat verschuldigd is door toepassing van het tarief als vermeld in (…) 5.2.2. (…) met dien verstande dat zij niet minder dan € 50 zullen bedragen.

Het vorenstaande vindt geen toepassing indien de afwijking zodanig is dat naar de omstandigheden beoordeeld van een nieuw bouwplan sprake is.

5.3 Indien van een verleende vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 6 maanden na verlening van de vergunning en deze vergunning wordt ingetrokken, wordt op aanvraag teruggaaf van 50% van de geheven leges verleend. Teruggaaf wordt alleen verleend indien de verleende vergunning binnen 6 maanden na de verlening schriftelijk wordt ingetrokken.

2.9 De Ambtenaar heeft de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 5.2.2. van de Tarieventabel.

2.10 In afwijking van het in de offerte van A BV genoemde bedrag van € 120.000, heeft de Ambtenaar de bouwkosten geraamd op:

Het oprichten van een paardenstal met 6.548 m3 (metselwerk) x € 35,-- = € 229.180

Het oprichten van een paardenstal met 3.365 m3 (damwandprofiel) x € 20,-- = € 67.300

Totaal = € 296.480

2.11 Het bedrag aan leges is vervolgens berekend op € 4.832,62 [1,63% maal € 296.480] vermeerderd met de kosten van de welstandstoetsing van € 724, ofwel op € 5.556,62. De leges zijn geheven door middel van een op 6 augustus 2007 gedagtekende nota.

2.12 In de bezwaarfase heeft de Ambtenaar de legesnota verminderd met de kosten van de welstandstoetsing.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of van belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag leges zijn geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de legesnota dient te worden vernietigd omdat i) sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, ii) voor het betreffende bouwwerk reeds eerder leges zijn geheven dan wel iii) het vertrouwensbeginsel is geschonden. Overigens stelt belanghebbende (iv) zich op het standpunt dat bij de berekening van de leges is uitgegaan van een te hoog bedrag aan bouwkosten en dat de legesnota om die reden dient te worden verminderd.

3.3 De Ambtenaar verdedigt in hoger beroep het standpunt dat i) geen grond bestaat voor het onverbindend verklaren van de Tarieventabel, ii) sprake is van een nieuw bouwplan, iii) het vertrouwensbeginsel niet is geschonden en dat iv) het bedrag van de leges juist is berekend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Ambtenaar ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de legesnota.

3.6 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

verordening

4.1 Alvorens de grieven van belanghebbende te behandelen, stelt het Hof op basis van de stukken van het geding het volgende ambtshalve vast. Een verordening treedt eerst in werking nadat zij op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Bekendmaking geschiedt in een situatie als de onderhavige door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze. De Ambtenaar heeft desgevraagd erkend dat hij niet aannemelijk kan maken dat de Legesverordening 2007 is gepubliceerd. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil gaat het Hof er daarom vanuit dat de Legesverordening 2007 (en de daarbij behorende Tarieventabel 2007) niet in werking is getreden. Dit betekent dat moet worden getoetst aan de Legesverordening 2006 (en de daarbij behorende Tarieventabel 2006), vastgesteld bij raadsbesluit van 14 november 2005 en gepubliceerd in De Marskramer van 17 februari 2006.

Onredelijke en willekeurige belastingheffing

4.2 Belanghebbende betoogt dat sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing, omdat er een aanzienlijk verschil in ‘kostendekkendheid’ bestaat tussen de verschillende groepen van diensten welke de gemeente jegens haar inwoners verleend.

4.3 Gemeenten kunnen op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in die wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.

4.4 De Rechtbank heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2009, nr. 43 120, LJN: BI1943, BNB 2009/276 geoordeeld dat er geen grond is om de tarieventabel onverbindend te verklaren. Het Hof sluit zich bij dit oordeel en de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden aan en maakt die tot de zijne.

Reeds eerder een bouwvergunning afgegeven

4.5 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de legesnota dient te worden vernietigd, omdat er voor het onderhavige bouwwerk reeds eerder een bouwvergunning is afgegeven en reeds eerder leges zijn geheven, welke door hem zijn betaald.

4.6 Ingevolge artikel 2 van de Legesverordening 2006 juncto artikel 5.2 van de Tarieventabel 2006 worden ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning leges geheven. Tussen partijen is niet in geschil dat door of namens belanghebbende op 29 mei 2007 een “Aanvraag bouwvergunning” is ingediend. Het Hof verstaat belanghebbendes standpunt daarom aldus dat nu sprake is van een aanvraag die betrekking heeft op een bouwplan waarvoor reeds eerder een vergunning is verleend zijns inziens ten onrechte artikel 5.2.6 van de Tarieventabel 2006 – waarin is bepaald dat onder die omstandigheden verrekening kan plaatsvinden van de voor de eerdere vergunning geheven leges – buiten toepassing is gelaten. Gelet op de hoogte van het bedrag aan leges dat eerder is geheven, zou dit betekenen dat de legesnota dient te worden verminderd tot op € 50.

4.7 De Ambtenaar betoogt dat nu belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlening van een reguliere bouwvergunning, dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Indien de Ambtenaar hiermee heeft bedoeld te stellen dat de vraag of belanghebbende voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2.6 van de Tarieventabel in deze procedure niet meer aan de orde kan komen, is dit standpunt onjuist. Hoewel de bouwvergunning onherroepelijk vaststaat, vergt – naar het oordeel van het Hof – een beslissing omtrent de juistheid van de hoogte van de aan belanghebbende in rekening gebrachte leges tevens een oordeel omtrent de door belanghebbende opgeworpen vraag of voornoemd artikel 5.2.6 in de onderhavige situatie van toepassing is.

4.8 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning welke betrekking heeft op het bouwen in afwijking van een eerder ingediend bouwplan, waarvoor reeds een vergunning is verleend, maar waarvan nog geen gebruik is gemaakt. Naar het oordeel van het Hof ligt het – nu belanghebbende zulks bestrijdt – op de weg van de Ambtenaar om aannemelijk te maken dat naar de omstandigheden beoordeeld desondanks sprake is van een nieuw bouwplan als bedoeld in artikel 5.2.6. van de Verordening. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de Ambtenaar, met hetgeen hij in de stukken heeft aangevoerd en daaraan ter zitting bij de Rechtbank en het Hof heeft toegevoegd, hierin is geslaagd. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het huidige bouwplan voorziet in i) een grotere inhoud, ii) een 40 percent hogere goothoogte, iii) een gewijzigde dakhelling waarbij iv) het pand, in tegenstelling tot hetgeen waarvan in het eerdere bouwplan werd uitgegaan, niet wordt onderkelderd.

4.9 Gelet op het hiervoor overwogene heeft de Ambtenaar voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van de bouwvergunning voor dit nieuwe bouwplan terecht leges geheven op grond van artikel 5.2.2 van de Tarieventabel 2006 en de in artikel 5.2.6 van de Tarieventabel 2006 genoemde verrekening buiten toepassing gelaten.

hoogte legesnota

4.10 Belanghebbende is de mening toegedaan dat de Ambtenaar bij de berekening van de hoogte van de verschuldigde leges had moeten uitgaan van de aanneemsom zoals die is vermeld in de bij de aanvraag gevoegde offerte van A BV.

4.11 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een aanvraag heeft ingediend voor het verkrijgen van een bouwvergunning ter zake van de bouw van een paardenstal met een gevel van baksteen en een topgevel van damwandprofiel. Ter zake van het in behandeling nemen van deze aanvraag zijn de leges verschuldigd. Nu in de door belanghebbende ingebrachte offerte slechts de kosten worden vermeld van een staalconstructie met damwandprofielen, is de Ambtenaar er bij de berekening van de hoogte van de leges terecht vanuit gegaan dat deze offerte niet de gehele aanneemsom vertegenwoordigde. Op grond van artikel 5.1 van de Tarieventabel 2006 is de Ambtenaar in een dergelijke situatie gerechtigd over te gaan tot een raming van de bouwkosten. Niet is gebleken dat de bouwkosten – gelet op het bepaalde in het normblad NEN 2631 – op een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

vertrouwensbeginsel

4.12 Belanghebbende stelt zich eerst in hoger beroep op het standpunt dat de aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning is ingevuld ten kantore van de gemeente Dalfsen in het bijzijn van een medewerker van de gemeente. Deze medewerker heeft - aldus belanghebbende - aangegeven dat hij ter zake van de aanvraag geen leges verschuldigd zou zijn en dat hij waarschijnlijk een gedeelte van de eerder betaalde leges terug zou krijgen, omdat de grondslag van de nieuwe aanvraag lager was dan die van de oude aanvraag.

4.13 Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Ambtenaar, is hetgeen belanghebbende heeft gesteld onvoldoende om daaraan de conclusie te kunnen verbinden dat door een daartoe bevoegde ambtenaar na kennisneming van alle relevante feiten en omstandigheden jegens belanghebbende uitlatingen zijn gedaan van dien aard dat belanghebbende daaraan het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat geen leges zouden worden geheven.

4.14 Op grond van hetgeen in overweging 4.1 is overwogen is het hoger beroep gegrond en dient de legesnota te worden verminderd tot 1.6 percent * € 296.480, ofwel € 4.743,68.

5. Kosten

Belanghebbende betoogt dat de kosten van de (hoger)beroepsprocedures integraal moeten worden vergoed. In het arrest van 13 april 2007, nr. 41.235, LJN: BA2802, BNB 2007/260, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) grond is indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Naar het oordeel van het Hof is van dit laatste geen sprake en zijn ook geen andere bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding zijn af te wijken van de forfaitaire bedragen. De proceskosten van belanghebbende zijn daarom in overeenstemming met artikel 2, eerste lid van het Besluit te berekenen.

Het Hof stelt derhalve de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit vast op € 483 [1,5 proceshandeling x 1 x € 322] voor de kosten in eerste aanleg en € 437 [1 proceshandeling x 1 x € 437] voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 920.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Ambtenaar ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar,

- vermindert de legesnota tot € 4.743,68,

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 920,

- gelast dat de gemeente Dalfsen aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 39 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 110 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 8 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 februari 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.