Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP5497

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
24-002045-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot moord op Urk. Voorwaardelijk opzet. Voldoende tijd en gelegenheid voor kalm beraad en rustig overleg. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002045-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-660074-10 en 07-690065-10

Arrest van 23 februari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 augustus 2010 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-660074-10 en 07-690065-10 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adrres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op het beslag beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft bij akte rechtsmiddel van 11 augustus 2010 het ingestelde hoger beroep beperkt tot de partiële vrijspraak van de voorbedachte rade als ten laste gelegd in feit 1 primair van de dagvaarding onder parketnummer 07/660074-10 en de strafoplegging.

Derhalve is nog slechts aan hoger beroep onderworpen het in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit en dient het hof op de voet van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een straf te bepalen voor de bewezenverklaarde feiten in zaak A onder 2 en 3 en in zaak B.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde zal kwalificeren als een poging tot moord en verdachte ter zake van dit feit zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, met oplegging van een meldingsgebod en het volgen van een agressie regulatie training.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 27 februari 2010 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) met een puntbeitel of spitsijzer, althans een hard en/of zwaar en/of puntig voorwerp, op of in het hoofd en/of op of in een schouder, althans op of in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of (in)gestoken en/of gesneden en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 februari 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) met een puntbeitel of spitsijzer, althans een hard en/of zwaar en/of puntig voorwerp, op of in het hoofd en/of op of in een schouder, althans op of in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of (in)gestoken en/of gesneden en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Overweging met betrekking tot het bewijs

Op basis van de in het dossier aanwezige stukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 februari 2010 aangever [slachtoffer] heeft opgezocht in het café [horecabedrijf] op [plaats]. Aanleiding was volgens verdachte dat tijdens zijn vakantie zijn vriendin [naam] vreemd was gegaan met [slachtoffer]. Een filmpje dat daarvan was gemaakt had [slachtoffer] aan meerdere mensen laten zien. Verdachte wilde dat [slachtoffer] daarmee zou stoppen en besloot hem op te zoeken. Onderweg naar het café bedacht verdachte zich dat [slachtoffer] een sterke vent is en de reputatie heeft dat hij helemaal kan doordraaien. Verdachte is daarom eerst naar de (vis)schuur van zijn familie gereden en heeft daar een puntige ijzeren staaf opgehaald. Vervolgens is verdachte doorgereden naar café [horecabedrijf].

Volgens verdachte heeft aangever [slachtoffer] hem het café binnen zien komen en hem direct een trap tegen de borst gegeven, waarna verdachte hem met de ijzeren staaf heeft geslagen.

Op dit punt hebben andere aanwezigen in het café echter een andersluidende verklaring afgelegd.

Aangever [slachtoffer] en meerdere getuigen die in het café aanwezig waren hebben (zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris) verklaard dat sprake is geweest van een onverhoedse aanval van de kant van verdachte die aangever [slachtoffer] niet heeft zien aankomen. Op het moment van binnenkomst van verdachte zat [slachtoffer] aan een gokkast met zijn rug naar de deur. Verdachte is rechtstreeks naar [slachtoffer] toegelopen, schreeuwde: "Ik maak je dood" en heeft [slachtoffer] direct meermalen met kracht met de ijzeren staaf op het hoofd geslagen. Ook heeft hij [slachtoffer] eenmaal op de schouder geraakt.

Nu de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] hem eerst een trap tegen de borst heeft gegeven geen enkele steun vindt in de verklaringen van de aanwezige getuigen is het hof van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden.

Opzet en voorbedachte raad

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad en dat van voorbedachte raad evenmin sprake is geweest. Volgens de raadsvrouw dient verdachte te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging tot moord dan wel poging tot doodslag.

Voor wat betreft het opzet van verdachte op het mogelijk dodelijke gevolg van zijn handelen overweegt het hof dat verdachte meermalen, met kracht, met een stalen pin op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Dergelijke gedragingen dienen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg, de dood van [slachtoffer], bewust heeft aanvaard. Contra-indicaties hiervoor heeft het hof in het dossier niet aangetroffen. Gelet op het vorenstaande acht het hof het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Voor het bewijs van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn genomen of te nemen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Op grond van hetgeen het hof met betrekking tot de feitelijke gang van zaken heeft vastgesteld, acht het hof bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven. Tussen het moment dat verdachte besluit om [slachtoffer] op te zoeken en zich eerst te bewapenen met een ijzeren staaf en het moment van de daadwerkelijke confrontatie met [slachtoffer] in het café heeft verdachte voldoende tijd en gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

feit 1:

hij op 27 februari 2010 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, die [slachtoffer] (met kracht) met een hard en zwaar en puntig voorwerp, op het hoofd en op een schouder van die [slachtoffer] heeft geslagen en gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot moord.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aangever [slachtoffer] meermalen met een stalen pin op het hoofd geslagen.

Verdachte heeft door zijn handelen pijn en letsel bij het slachtoffer [slachtoffer] veroorzaakt en een ernstige inbreuk gepleegd op diens lichamelijke integriteit. Poging tot moord is een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte voor de thans ten laste gelegde feiten niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door hem en zijn raadsvrouw ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht, en zoals die blijken uit het rapport van de Reclassering Nederland van 16 april 2010 en uit het Pro Justitiarapport door drs. Turk, GZ-psycholoog, d.d. 7 mei 2010.

Het door verdachte gepleegde feit is zodanig ernstig dat in beginsel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Het hof weegt echter zwaar mee dat verdachte inmiddels al uit voorlopige hechtenis is ontslagen en direct zijn leven weer goed opgepakt heeft. Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat de detentie een positief effect op hem heeft gehad. Na ontslag uit detentie is verdachte direct weer aan het werk gegaan, tot volle tevredenheid van zijn werkgever, zoals blijkt uit de door verdachte ter terechtzitting overgelegde brief van de werkgever. Ook heeft verdachte het contact met aangever [slachtoffer] en met zijn ex-vriendin [naam] hersteld. Daarnaast weegt het hof mee de jonge leeftijd van verdachte en de positieve indruk die verdachte ter terechtzitting van het hof heeft gemaakt. Het hof acht tevens van belang dat het hoger beroep door het openbaar ministerie is ingesteld, maar dat ook de advocaat-generaal te kennen heeft gegeven dat verdachte niet opnieuw gedetineerd zou moeten worden.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden acht het hof in de onderhavige zaak een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Het hof ziet in bovengenoemde rapportages voorts aanleiding aan het voorwaardelijk op te leggen gedeelte van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden van reclasseringstoezicht, mede omvattend het volgen van een agressie regulatie training, zoals ook de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht werd aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd ter zake van de in zaak A onder 1 primair, 2 en 3 en zaak B bewezen verklaarde feiten, terwijl het hoger beroep thans is beperkt tot het in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit. Met betrekking tot de overige door de rechtbank bewezen verklaarde feiten zal het hof, op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de straf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

Verbeurdverklaring

Het door het hof verbeurd te verklaren goed (te weten: een stalen pin met geel touw er om heen) is daarvoor vatbaar, nu het hiervoor bewezen verklaarde feit met behulp van dit goed is begaan en niet is komen vast te staan aan wie het goed toebehoort.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

bepaalt de straf, verdachte bij vonnis van de rechtbank opgelegd ter zake van de in zaak A onder 2 en 3 en in zaak B bewezenverklaarde feiten, op:

gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien dit deelname aan een agressie regulatie training inhoudt;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van achttien maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien dit deelname aan een agressie regulatie training inhoudt;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

stalen pin met geel touw er om heen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.