Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP4890

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.065.263-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moet een brief aan de kantonrechter als een verzoekschrift worden aangemerkt en zo ja, is het verzoek tijdig ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 februari 2011

Zaaknummer 200.065.263/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. J.H.N. Peters, kantoorhoudende te Almere,

tegen

de stichting Woonstichting Centrada,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Centrada,

advocaat: mr. A. Huizenga-Kramer, kantoorhoudende te Almere.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 27 januari 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, verder de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 27 april 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Centrada tegen de zitting van 18 mei 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het uw Hof behage bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector Kanton, locatie Lelystad tussen partijen op 27 januari 2010 onder zaak-/rolnummer 459009 CV EXPL 09-9542 gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat geïntimeerde de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] met appellante dient voort te zetten onder de voorwaarden zoals deze hebben gegolden tussen geïntimeerde en wijlen de heer [vader van appellante], alsmede geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Centrada verweer gevoerd met als conclusie:

"Het Uw Hof behage bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te bekrachtigen het eindvonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector Kanton, locatie Lelystad, d.d. 27 januari 2010 onder zaaknummer 459009 CV EXPL 09-9542 tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van de gronden;

2. [appellante] in haar vorderingen, zoals geformuleerd in de memorie van grieven, niet-ontvankelijk te verklaren, althans [appellante] haar vorderingen te ontzeggen;

3. [appellante] tevens te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, met bepaling dat zij de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 8 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest, tot aan de dag der algehele voldoening."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Nu de kantonrechter in genoemd vonnis van 27 januari 2010 de van belang zijnde

feiten niet heeft vastgesteld, zal het hof dit alsnog doen.

1.1 De rechtsvoorgangster van Centrada, de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, heeft op grond van een op 26 oktober 1973 gesloten overeenkomst de woning aan het [adres] aan de vader van [appellante], de heer [vader van appellante], verhuurd. Deze huurovereenkomst is door Centrada voortgezet.

1.2 [appellante] heeft vanaf 2006 haar zieke, hulpbehoevende vader in diens woning verzorgd. Zij verbleef er ook ´s nachts. Zij stond evenwel in de gemeentelijke basisadministratie van Weesp ingeschreven.

1.3 [vader] is op 22 november 2008 overleden.

1.4 Centrada heeft [appellante] bij brief van 17 april 2009 meegedeeld dat zij niet op het adres [adres] in de basisadministratie van de gemeente Lelystad stond ingeschreven, dat zij geen medehuurder was en dat zij de woning binnen 7 werkdagen na dagtekening van de brief diende te ontruimen.

1.5 [appellante] heeft op 20 mei 2009 een brief aan de kantonrechter ingediend bij de centrale balie van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, met de volgende inhoud:

´Ik wend mij tot u met het verzoek om het opstellen van een nieuw huurcontract op mijn naam, voor de woning [adres], na het overlijden van mijn vader, met wie ik de woning deelde teneinde hem te kunnen verzorgen. Graag verneem ik van u welke bescheiden er nodig zijn voor uw oordeel hierover.

Verder deel ik u mede, dat ik op maandag 25 mei nog een gesprek heb met een vertegenwoordigster van Centrada, waarvan ik hoop, dat het ons nader tot elkaar zal brengen.´

In de overgelegde kopie van deze brief is met pen na het woord “nieuw” bijgeschreven: “c.q. voortzetting van het bestaande,”. Het is niet duidelijk of deze woorden ook in de originele brief vermeld staan of dat deze woorden naderhand zijn bijgeschreven.

1.6 De griffier heeft in zijn brief van 5 juni 2009 [appellante] onder meer geschreven:

´Uit uw brief begrijp ik dat u informatie wilt over het voortzetten van een huurovereenkomst. Indien u een huurovereenkomst wilt voortzetten kunt u een vordering in stellen tegen Centrada. Een vordering moet worden ingesteld middels een dagvaarding welke door een deurwaarder moet worden uitgebracht.´

Er werd [appellante] geadviseerd om met het Juridisch Loket, een advocaat of een deurwaarder contact op te nemen.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellante] heeft bij exploot van 3 juli 2009 gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat Centrada de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het [adres] (hierna: de woning) met [appellante] dient voort te zetten onder de voorwaarden zoals deze hebben gegolden tussen Centrada en wijlen de heer [vader van appellante], alsmede Centrada te veroordelen in de kosten van het geding.

[appellante] heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat zij haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft en ten minste twee jaar met haar vader een duurzame gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

2.1. Centrada heeft in conventie de vordering betwist en in reconventie gevorderd [appellante] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de woning met al degenen die zich daarin bevinden en al datgene dat zich daarin bevindt, te verlaten, te ontruimen en in oorspronkelijke en onbeschadigde staat op te leveren, onder afgifte van de sleutels ten kantore van Centrada, met verbod de woning na de ontruiming te betrekken c.q. te gebruiken en met machtiging van Centrada de ontruiming zo nodig zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in conventie en reconventie.

2.2. [appellante] heeft de vordering in reconventie betwist.

2.3. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 27 januari 2010 de vordering van [appellante] in conventie afgewezen en die van Centrada in reconventie toegewezen met dien verstande dat de ontruimingstermijn op zes weken is gesteld. [appellante] is in de proceskosten veroordeeld van de procedure in conventie en in reconventie.

Met betrekking tot de grieven

3. Het hof overweegt volledigheidshalve dat uit de grieven blijkt dat [appellante] zowel van het in conventie als in reconventie gewezen vonnis in hoger beroep is gekomen.

4. [appellante] heeft haar vordering gegrond op artikel 7: 268 BW tweede lid dat bepaalt dat degene die geen medehuurder is maar wel in de woning zijn hoofdverblijf heeft gehad en met de overleden huurder een duurzame en gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur kan voortzetten indien de rechter dit heeft bepaald op een uiterlijk binnen zes maanden na het overlijden van de huurder ingestelde vordering.

5. [appellante] heeft met de grieven I, II en III betoogd dat haar aan de kantonrechter gerichte brief van 20 mei 2009 als een verzoekschrift moet worden aangemerkt en dat de kantonrechter de wisselbepaling van art. 69 Rv had moeten toepassen. Subsidiair heeft [appellante] zich op een verschoonbare termijnoverschrijding beroepen.

6. Het hof stelt vast dat de inleidende dagvaarding eerst op 3 juli 2009 is uitgebracht. Vast staat dat zulks niet binnen zes maanden na het overlijden van de heer [vader van appellante] is geschied, nu die termijn eindigde op 22 mei 2009.

Ook indien al van de juistheid van de stelling van [appellante] zou moeten worden uitgegaan dat haar brief aan de kantonrechter ten onrechte niet als verzoekschrift is aangemerkt, neemt zulks niet weg dat geen toepassing is gegeven aan artikel 69 Rv. Tegen het al dan niet toepassen van die wisselbepaling staat op grond van het vijfde lid van dat artikel geen hoger beroep open. Voor zover zulks al reden zou zijn voor een verschoonbare termijnoverschrijding, geldt dat [appellante] geen verklaring heeft gegeven voor het tijdsverloop tussen 5 juni 2009 - de dagtekening van de hiervoor onder 1.6 vermelde brief - en 3 juli 2009, de datum waarop de dagvaarding uiteindelijk is uitgebracht. Die periode is beduidend langer dan de termijn van veertien dagen die de Hoge Raad als uitgangspunt hanteert (HR 28 november 2003, NJ 2005, 465).

Mitsdien komt ook het hof tot de conclusie dat de dagvaarding hoe dan ook te laat is ingesteld. De grieven I tot en met III treffen dan ook geen doel.

7. Nu deze grieven falen, heeft [appellante] geen belang bij een behandeling van de overige grieven.

8. Het hof overweegt ambtshalve dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat [appellante] in haar vordering in conventie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Desondanks is de vordering afgewezen. Het hof zal het in conventie gewezen vonnis dan ook vernietigen voor zover de vordering van [appellante] is afgewezen en [appellante] alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. Het vonnis dient voor het overige te worden bekrachtigd.

9. [appellante] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het proces in hoger beroep te worden veroordeeld. Het geliquideerd salaris van de advocaat van Centrada zal worden vastgesteld op 1 punt tariefgroep II. De door Centrada gevorderde rente over de proceskosten kan alleen over de proceskosten in hoger beroep worden toegewezen nu het vonnis in eerste aanleg ten aanzien van de proceskosten zowel in conventie als in reconventie wordt bekrachtigd. De gevorderde rente zal worden toegewezen met ingang van veertien dagen na betekening van het arrest.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in dit vonnis de vordering van [appellante] is afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart [appellante] in haar vordering niet-ontvankelijk;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Centrada op € 263,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening van dit arrest worden voldaan, en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, M.E.L. Fikkers en

M.C.D. Boon-Niks en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 januari 2011 in bijzijn van de griffier.