Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP4642

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
24-002858-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens 1) verduistering en 2) mishandeling.

In eerste aanleg vrijspraak van de verduistering, dus in zoverre niet-ontvankelijk in hoger beroep.

Het hof acht 'voorwaardelijk opzet' bewezen en veroordeelt verdachte wegens mishandeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek (gelijk aan voorarrest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002858-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-400128-09

Arrest van 15 februari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, met vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen, waarvan vier dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1:

hij op of omstreeks 24 april 2009 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blikje bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2:

hij op of omstreeks 24 april 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), een blikje, althans een voorwerp tegen diens (onder)arm heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Verwerping van gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad om de cassière, [slachtoffer], te mishandelen. Hij heeft in een vlaag van woede wel het blik bier dat hij in zijn hand had op de lopende band gegooid, maar hij heeft niet de bedoeling gehad de cassière met dat blik te raken. Omdat het schort aan de overtuiging van opzet moet, volgens de raadsman, verdachte worden vrijgesproken van de onder 2 aan hem ten laste gelegde mishandeling.

Het slachtoffer, de cassière [slachtoffer], heeft verklaard1 dat zij zag dat verdachte het halve-liter-blik bier - dat hij kort daarvoor uit de winkel had meegenomen - naar haar gooide. Het blik kwam bij haar werkplek op de lopende band terecht, waarna zij het tegen haar onderarm kreeg.

Het hof overweegt dat een persoon die een vol halve-liter-blik in de richting van een ander gooit, daarmee minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dit blik die ander treft. De kans dat die ander daardoor pijn zal ondervinden en mogelijk letsel zal oplopen kan ook allerminst worden uitgesloten. Het hof acht derhalve voorwaardelijk opzet bewezen, zodat het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

2:

hij op 24 april 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), een blikje tegen diens onderarm heeft gegooid, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

2: mishandeling.

Strafbaarheid

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de stukken duidelijk blijkt dat verdachte bij alle betrokkenen een ernstig verwarde indruk maakte. Hij sloeg wartaal uit en sprak onsamenhangend. Ook tegenover de hulpofficier van justitie was de verdachte ernstig in de war en was hij niet in staat om een zinnige verklaring af te leggen. Uit al deze omstandigheden vloeit voort dat vastgesteld kan worden dat bij de verdachte sprake was van een ernstig gebrek aan zijn toerekeningsvatbaarheid. Dit moet er volgens de raadsman toe leiden dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat verdachte ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde feit een verwarde indruk maakte. Het hof stelt echter ook vast dat verdachte kort voor dit feit een blik bier uit de winkel heeft gehaald, dat hij vervolgens aan de cassière heeft gevraagd wat dit blik bier kostte, en dat hij kwaad werd nadat de cassière hem vertelde dat hij op zijn beurt moest wachten. Ook staat vast dat verdachte na zijn woede-uitbarsting het blik bier heeft betaald en dat hij vervolgens de winkel heeft verlaten. Nu op grond van deze vaststaande feiten blijkt dat verdachte, los van zijn woede, in staat was om op (enigszins) adequate wijze te functioneren, verwerpt het hof het beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 24 april 2009 schuldig gemaakt aan de mishandeling van

[slachtoffer]. Aanleiding hiervoor was dat [slachtoffer], die toen als cassière werkzaam was, verdachte erop wees dat hij op zijn beurt moest wachten. Verdachte ontstak na deze mededeling in woede en gooide een vol blik bier naar [slachtoffer].

Daargelaten het feit dat een zodanige handeling bepaald niet zonder risico is, heeft verdachte daarmee de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Voorts is dergelijk agressief gedrag uitermate ongewenst.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 november 2010, waaruit ten nadele van verdachte blijkt dat hij eerder wegens - onder meer - geweldsdelicten is veroordeeld.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf, die ook door de politierechter is opgelegd, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van onder 1 tenlastegelegde;

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeldonder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vier dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. M.E.L. Fikkers, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier.