Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP4409

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
24-002518-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Terugwijzing Hoge Raad. Bekennende verklaring minderjarige verdachte door Hoge Raad aangemerkt als onbruikbaar voor het bewijs omdat hij voorafgaande het verhoor niet is gewezen op zijn recht op consultatie.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde verduistering uit dienstbetrekking en heeft bovendien niet de overtuiging bekomen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002518-10

Parketnummer eerste aanleg en eerder in hoger beroep: 07-450081-07 en 24-000385-08

Arrest van 11 februari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J.H. Mühlstaff, advocaat te Deventer.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 5 oktober 2010 het arrest van dit gerechtshof van 8 september 2008 vernietigd en de zaak naar dit hof teruggewezen, met inachtneming van zijn arrest, op het bestaande hoger beroep tegen het vonnis d.d.

11 februari 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft beslist op een vordering van de benadeelde partij en heeft daarbij een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis is omschreven.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het hem ten laste gelegde zal vrijspreken en de vordering van de benadeelde partij zal afwijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 februari 2007 tot en met 10 februari 2007 te [plaats] in de gemeente [gemeente], opzettelijk een geldbedrag (ongeveer 100,= Euro), in elk geval enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker en/of stagiaire, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Vrijspraak

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van een geldbedrag van € 100,-.

Verdachte en zijn raadsman hebben betoogd dat verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachtes bekennende verklaring bij de politie d.d. 1 maart 2007 uitgesloten moet worden van het bewijs. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [medewerker 2] d.d. 27 februari 2007 voor onbetrouwbaar moet worden gehouden.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

In de periode van 9 februari 2007 tot en met 10 februari 2007 wordt bij de [bedrijf] een bedrag van € 100,- vermist.

Op vrijdagavond 9 februari 2007 zijn [medewerker 1], [medewerker 2] en verdachte als medewerkers in de [bedrijf] aanwezig. Nadat [medewerker 2] de kas heeft geteld, legt hij het geld met een telstaat in de kluis en vertrekt. Op de telstaat staat vermeld dat er - onder andere - 56 bankbiljetten van € 50,- aanwezig zijn. De kluissleutel geeft hij aan verdachte omdat verdachte de volgende dag eerder begint met werken dan [medewerker 1]. Rond sluitingstijd haalt [medewerker 1] de kassalade uit de kassa en maakt de kas op. Vervolgens vraagt hij aan verdachte de kluissleutel en zet de kassalade in de kluis. De sleutel van de kluis geeft hij daarna terug aan verdachte. De volgende ochtend, zaterdag 10 februari 2007, wordt geconstateerd dat zich in de kas 54 bankbiljetten van € 50,- bevinden in plaats van de op de telstaat vermelde 56 bankbiljetten.

Het hof stelt vast dat verdachte ontkent hetgeen hem verweten wordt en dat [medewerker 2] noch [medewerker 1] verklaren te hebben gezien dat verdachte het geld heeft weggenomen. Ook ander bewijs ontbreekt daarvoor.

In zijn arrest heeft de Hoge Raad de bekennende verklaring van verdachte van 1 maart 2007, welke verklaring het hof in zijn arrest van 8 september 2008 voor het bewijs heeft gebruikt, aangemerkt als onbruikbaar voor het bewijs omdat verdachte voorafgaande aan dit verhoor niet is gewezen op zijn recht op consultatie- en verhoorbijstand.

De raadsman heeft ter zitting verklaard dat [medewerker 2] recentelijk is gedagvaard voor verduistering in dienstbetrekking. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van [medewerker 2] d.d. 28 januari 2011 blijkt dat hij op 16 september 2010 is gedagvaard voor verduistering in dienstbetrekking in de periode 1 januari 2008 tot en met 8 mei 2010. In dit licht bezien acht het hof de belastende verklaring van [medewerker 2] ten aanzien van verdachte niet (meer) betrouwbaar. Resteert alleen nog de aangifte van [benadeelde].

Vorenstaande leidt tot de slotsom dat er onvoldoende wettig bewijs is voor het ten laste gelegde en bovendien de overtuiging ontbreekt dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Het hof zal verdachte derhalve daarvan vrijspreken.

Benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde, dient de benadeelde partij gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. F.R. Vermeer, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.

Mr. Vermeer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.