Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP4398

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
24-000896-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het weigeren van de ademanalyse en het verlaten van de plaats van een ongeval veroordeeld tot een werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het beroep op toepassing van artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000896-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-490003-09

Arrest van 10 februari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 maart 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1955] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. E. Schriemer,

advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden, met aftrek.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2009 in de gemeente [gemeente] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2008 te gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten de gemeente [gemeente]) schade was toegebracht;

Bespreking gevoerd verweer

Door en namens de verdachte is ter zitting van het hof een beroep gedaan op de uitzonderingsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daartoe zijn de volgende omstandigheden aangevoerd. Verdachte heeft op de plaats van het ongeval aan getuigen zijn adres doorgegeven en tegen hen gezegd dat hij zijn vrouw en kinderen eerst wilde inlichten en dan weer terug zou komen. Verdachte heeft de getuigen verzocht om de politie te bellen, omdat hij geen telefoon bij zich had. Verdachte heeft zijn auto, voorzien van kentekenplaten, op de plaats van het ongeval achtergelaten. Volgens de verdediging heeft verdachte op grond van deze omstandigheden op de plaats van het ongeval de gelegenheid geboden tot vaststelling van zijn identiteit en die van de door hem bestuurde auto.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het tweede lid van dat artikel strekt ertoe zoveel mogelijk te bevorderen dat degene aan wie schade is toegebracht over de gegevens kan beschikken die hij nodig heeft om de veroorzaker van die schade aan te spreken. Met het oog daarop kan alleen worden aangenomen dat de bij een verkeersongeval betrokken persoon op behoorlijke wijze de gelegenheid heeft geboden zijn identiteit en, indien het om de bestuurder van een motorrijtuig gaat, de identiteit van dat voertuig vast te stellen, indien hij hetzij degene aan wie de schade is toegebracht, hetzij degene die geacht kan worden de belangen van de gelaedeerde waar te nemen, ondubbelzinnig in staat heeft gesteld over die identiteitsgegevens te beschikken.

Het hof leidt uit het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nr. [nummer], d.d. 1 januari 2009 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de volgende gang van zaken af.

Ter plaatse van het ongeval hebben verbalisanten gesproken met twee getuigen, [getuige 1] en [getuige 2], die verklaarden te hebben gezien dat een man als bestuurder van een personenauto met kenteken [kenteken] zou zijn weggelopen van de plaats van het ongeval en de woning aan de [adres] zou zijn binnen gegaan.

Uit het proces-verbaal blijkt niet van andere getuigen dan de hiervoor genoemden die ter plaatse van het ongeval aanwezig zouden zijn geweest.

Ook blijkt daaruit niet dat genoemde getuigen beschikten over verdachtes naam en adres, immers de verbalisanten hebben eerst bij gelegenheid van de controle van het kenteken van het bij het ongeval betrokken motorrijtuig de naam en het adres van verdachte kunnen achterhalen.

Ook uit andere processtukken is niet gebleken dat verdachte zijn naam en adres aan een of meer personen heeft opgegeven.

Uit het ambtsedig proces-verbaal, nr. [nummer], van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 7 januari 2009 blijkt verder, dat zij op 31 december 2008 om 23.38 uur kennis heeft gekregen van het verkeersongeval en op 1 januari 2009 om 00.00 uur in de woning van verdachte het eerste directe contact met hem heeft gehad.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat de tijd die nodig is om te voet de afstand tussen de plaats van het ongeval en zijn woning af te leggen, ongeveer twee minuten bedraagt.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, overweegt het hof als volgt. Er zijn minimaal 22 minuten verstreken tussen het moment waarop het ongeval heeft plaatsgevonden en het moment waarop verbalisant [verbalisant 2] het eerste directe contact met de verdachte had. Uitgaande van verdachtes verklaring dat hij naar zijn huis is gelopen, omdat hij zijn gezinsleden op de hoogte wilde stellen van het ongeval en dat hij van plan was daarna de politie in te lichten, heeft hij daarvoor derhalve ruimschoots de tijd gehad.

Dat geldt evenzeer, indien hij ervoor zou hebben gekozen om na thuiskomst zijn gsm te pakken, terug te lopen naar de plaats van het ongeval en vervolgens ter plaatse de politie te bellen. Deze laatste situatie heeft zich echter niet voorgedaan, want verdachte is door de politie thuis aangetroffen.

Uit genoemd ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] blijkt immers dat de verbalisanten naar het adres van verdachte zijn gegaan, nádat zijn adres bij hen bekend was geworden door middel van controle van het bij het ongeval betrokken voertuig.

Na aanbellen bij de woning van verdachte werd opengedaan door de zoon van verdachte. Die zoon heeft vervolgens tegenover de verbalisanten aangegeven dat hij wist dat zijn vader een aanrijding had veroorzaakt en dat deze in de woonkamer zat. Nadat verbalisanten de woning van verdachte waren binnengelaten, hebben de verbalisanten de verdachte in die woning aangetroffen en hebben zij hem aangehouden ter zake van, onder meer, het verlaten van de plaats van een ongeval.

Nog daargelaten dat de omstandigheid dat verdachte in de woonkamer bleef zitten op het moment dat de politie aan de deur kwam niet bepaald de indruk wekt dat hij serieus van plan was de politie op de hoogte te brengen van het ongeval - zoals hij ter terechtzitting heeft volgehouden - geven ook de overige, op grond van het onderzoek gebleken, feiten en omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte van plan was zich als veroorzaker van het ongeval te melden.

Op grond van al het vorenstaande is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op de plaats van het ongeval aan de gelaedeerde of aan iemand die geacht kan worden de belangen van de gelaedeerde waar te nemen behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en die van zijn motorrijtuig. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verdachte binnen 12 uren na het verkeersongeval en voordat hij als verdachte was aangehouden, vrijwillig van het ongeval kennis heeft gegeven aan een van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en daarbij zijn identiteit en die van de door hem bestuurde auto bekend heeft gemaakt. Derhalve is artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, noch artikel 184 van die wet van toepassing. Het hof verwerpt het verweer.

Schade als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994

Door en namens verdachte is voorts nog aangevoerd dat verdachte weliswaar zelf heeft geconstateerd dat er schade was aan de boom waar hij tegenaan was gereden, maar dat schade aan de boomschors toch moeilijk als schade is te beschouwen. Schade moet op geld waardeerbaar zijn en beschadigde boomschors is dat niet, omdat die weer aangroeit en geen herstel of nieuwe aanplant nodig is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

De ratio van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 is dat moet worden voorkomen dat personen of instellingen die schade lijden als gevolg van een botsing of aanrijding met een (motor)voertuig, niet in staat zijn die schade te verhalen op de veroorzaker ervan. Daarbij past de wettelijke verplichting voor de veroorzaker van die schade om zijn identiteitsgegevens -en in het geval van een motorrijtuig tevens de gegevens van dat motorrijtuig- aan de gelaedeerde bekend te maken.

Verdachte heeft erkend dat hij met zijn personenauto schade heeft berokkend aan de boom en hij heeft die schade - aan de boomschors - ook geconstateerd. De enkele omstandigheid dat op basis van de gegevens in het dossier niet duidelijk is geworden of deze beschadiging van de boom (gelet op de aard ervan) heeft moeten leiden tot noodzakelijke herstel(be)handelingen of - op termijn - mogelijk het (gedeeltelijk) afsterven van de boom tot gevolg kan hebben, staat niet in de weg aan een bewezenverklaring van het delictsbestanddeel "schade".

Deze uitleg van het bestanddeel "schade" is in overeenstemming met de hierboven weergegeven bedoeling van de wetgever.

Het hof merkt in dit verband ten overvloede nog op dat ook een eventuele nadere inspectie van de boom, teneinde de exacte schade vast te kunnen stellen al kosten mee zal brengen. En ook die kosten zijn aan te merken als schade als bedoeld in artikel 7 Wegenverkeerswet 1994.

De stelling van de raadsman voor zover inhoudende, dat boomschors weer aangroeit en geen herstel of nieuwe aanplant nodig is, mist feitelijke grondslag en wordt om die reden gepasseerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 01 januari 2009 in de gemeente [gemeente] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2.

hij op 31 december 2008 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [straat] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten de gemeente [gemeente]) schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

onder 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 31 december 2008, kort voor de jaarwisseling, zijn personenauto bestuurd, na het gebruik van alcoholhoudende drank. Hij heeft toen vlakbij zijn huis een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft in een bocht de controle over zijn voertuig verloren en is rechtdoor tegen een boom aangereden. Verdachte heeft daarop de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken, terwijl hij wist dat bij dat ongeval schade aan die boom was toegebracht. Verdachte is op 1 januari 2009 in de vroege ochtenduren thuis door de politie aangehouden op verdenking van onder meer rijden onder invloed. Verdachte is overgebracht naar het politiebureau te Zwolle. Aldaar heeft hij de ademanalyse geweigerd.

Door het plegen van deze feiten heeft verdachte niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, maar heeft hij ook de handhaving van de verkeerswetgeving belemmerd en schade aan de gemeente [gemeente] veroorzaakt .

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 december 2010 blijkt, dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof de oplegging van een werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van een hierna te noemen omvang passend en geboden. Er is sprake van een weigering van de ademanalyse, verkeersgevaarlijk rijgedrag en het verlaten van de plaats van het ongeval. Een en ander is in overeenstemming met de uitgangspunten die het hof hanteert in dit soort zaken. Het hof volgt dan ook de beslissing van de politierechter en de vordering van de advocaat-generaal op dit punt.

Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard, dat hij een zwakke, kwetsbare gezondheid heeft en in verband daarmee niet kan werken.

De verdediging heeft geen medische stukken omtrent de gezondheidstoestand van verdachte overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat verdachte medisch gezien geen werkstraf kan verrichten.

Het hof wil wel aannemen dat verdachtes gezondheidstoestand niet optimaal is, maar niet dat hij in het kader van een op te leggen werkstraf geen lichte (aangepaste) werkzaamheden zou kunnen verrichten.

Gelet op de gezondheidstoestand van verdachte zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, die eveneens door de politierechter was opgelegd, enigszins matigen en aan verdachte een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijftig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen zal worden toegepast;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Koolschijn, voorzitter, mr. Heins en mr. Toeter, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Toeter buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.