Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP4030

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
10-00231
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges.

Indiening nieuw bouwplan voor bedrijfsruimte. Tweede legesheffing is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/287
V-N 2011/23.24.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00231

uitspraakdatum: 1 februari 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2010, nummer AWB 09/1305, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Kampen (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is, met dagtekening 9 oktober 2008, een aanslag leges wegens het in behandeling nemen van een aanvraag tot verkrijging van een bouwvergunning opgelegd van € 3.895,42. De aanslag heeft betrekking op de aanvraag van een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een kantoor gelegen aan de a-straat 1 te Q.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 april 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, A en B, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede C, namens de Ambtenaar.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft op 22 april 2005 bij de gemeente Kampen een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een vergunning voor de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte bestaande uit een bedrijfshal en kantoorpand aan de a-straat 1 te Q. In deze aanvraag was sprake van een bedrijfshal alsmede een kantoorpand met twee bouwlagen. De bouwsom van de nieuwe bedrijfsruimte bedroeg € 247.000 exclusief BTW. Op 26 juli 2005 heeft de gemeente Kampen aan belanghebbende een bouwvergunning verleend. Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van de voor de bouw verleende vergunning is aan belanghebbende een bedrag van € 5.721,83 aan leges in rekening gebracht en door haar betaald. Alleen de bedrijfshal werd overeenkomstig de verleende bouwvergunning gebouwd.

2.2 Ter zake van het kantoorpand heeft belanghebbende met dagtekening 18 juni 2008 een aanvraagformulier voor het verkrijgen van een bouwvergunning met een gewijzigde bouwtekening ingediend bij de gemeente Kampen. De aanvraag betreft een kantoorpand met drie bouwlagen.

2.3 Op het aanvraagformulier met nummer VROM 01, bij de gemeente Kampen ingekomen op 25 juni 2008, is namens belanghebbende, voor zover hier van belang, onder vraag 2a aangekruist het keuzeantwoord dat het een reguliere bouwvergunning betreft en onder vraag 2b het keuzeantwoord dat voor de bouwwerkzaamheden al eerder een bouwvergunning is aangevraagd en verleend in juli 2005. Onder vraag 4a is het keuzeantwoord aangekruist dat het gaat om het geheel oprichten van een kantoor. Onder vraag 6 is onder de afmetingen van het bouwwerk vermeld, dat het bebouwde oppervlakte met 153 m², de bruto vloeroppervlakte met 456 m² en de bruto inhoud met 1.480 m³ wordt uitgebreid. De bouwsom van de derde verdieping bedroeg volgens opgaaf van belanghebbende € 38.500 exclusief BTW.

2.4 Op verzoek van de gemeente Kampen is het aanvraagformulier namens belanghebbende opnieuw ingediend. Het aanvraagformulier met nummer VROM 02 is ingekomen op 18 juli 2008 en vermeldt voorzover hier van belang hetgeen onder 2.3 is weergegeven, zij het dat de bouwkosten voor het oprichten van het gehele kantoorpand door belanghebbende (met de toevoeging: onder protest) is geschat op € 159.600 exclusief BTW.

2.5 Op 12 september 2008 is aan belanghebbende een tweede bouwvergunning verleend voor de bouw van het kantoorpand. Met dagtekening 9 oktober 2008 ontving belanghebbende de in geschil zijnde aanslag leges tot een bedrag van € 3.895,42, zijnde € 3.040 leges bouwvergunning en € 855,42 leges welstand.

2.6 In de Tarieventabel behorende bij de voor het onderhavige jaar toepasselijke Verordening op de heffing en invordering van leges 2008 (hierna: de Verordening) is onder meer bepaald:

“(…)

5.2 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van:

(…)

5.2.2.1. Een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet, indien het bouwplan wel uit het oogpunt van welstand is beoordeeld; 19 0/00 van de naar boven in 500-tallen van euro’s [afgeronde,] begrootte kosten van de uitvoering van het bouwplan, met een minimum van

€ 57,60 [verhoogd met de kosten van het welstandsadvies, zijnde:]

1. Indien de bouwkosten minder dan € 500,00 bedragen, per ontwerp € 48,35

2. Indien de bouwkosten meer dan € 500,00 bedragen, per ontwerp € 48,35, vermeerderd met 5,06 0/00 van het deel van de bouwkosten dat ligt tussen € 500,00 en € 250.000,00, (…)

(…)

5.3.1 Indien de aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning betrekking heeft op het bouwen in afwijking van een eerder ingediend bouwplan, waarvoor reeds vergunning is verleend, maar waarvan nog geen gebruik is gemaakt, worden de voor de oorspronkelijke vergunning geheven leges verrekend met het bedrag dat verschuldigd is door toepassing van het tarief als vermeld in 5.2.1.1 of 5.2.1.2, met dien verstande dat zij niet minder zullen bedragen dan € 27,15. Het vorenstaande vindt geen toepassing [indien] de afwijking zodanig is dat naar de omstandigheden beoordeeld van een nieuw bouwplan sprake is.

(…)”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of het bepaalde in de eerste volzin van onderdeel 5.3.1 van de Tarieventabel van toepassing is. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is aan de orde of de heffing van leges te dezen strijdig is met de redelijkheid en billijkheid.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend.

3.3 De Ambtenaar beantwoordt deze vragen ontkennend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Ambtenaar en – naar het Hof begrijpt – tot vermindering van de aanslag leges tot een bedrag van € 1.090,10.

3.6 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag voor het verkrijgen van de tweede bouwvergunning door de gemeente Kampen in behandeling is genomen, dat daarmee is voldaan aan het belastbare feit voor het heffen van bouwleges als bedoeld in de Verordening en dat de gemeente in zoverre bevoegd is bouwleges te heffen.

4.2 Voor de beantwoording van de vraag of de Ambtenaar terecht verrekening als bedoeld in onderdeel 5.3.1, eerste volzin, van de Tarieventabel behorende bij de Verordening achterwege heeft gelaten, moet worden beoordeeld of het bouwplan dat is gedagtekend 18 juni 2008 zodanig afwijkt van het bouwplan met dagtekening 22 april 2005, dat naar de omstandigheden beoordeeld sprake is van een nieuw bouwplan.

4.3 Naar het oordeel van het Hof moet het op 18 juni 2008 gedagtekende bouwplan als een nieuw bouwplan worden aangemerkt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het kantoorpand als gevolg van de extra verdieping wat betreft inhoud, vloeroppervlakte, indeling, functie en gevelaanzicht op zodanige wijze is veranderd, dat niet kan worden geoordeeld dat slechts sprake is van een geringe wijziging of aanpassing van het eerste bouwplan. Het Hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat, zoals door belanghebbende ter zitting van het Hof desgevraagd is bevestigd, de eerste bouwaanvraag naar aanleiding waarvan in juli 2005 een bouwvergunning is verleend, betrekking had op een bouwplan terzake van de bouw van een bedrijfshal en kantoorpand met twee bouwlagen en de tweede aanvraag in juni 2008 uitsluitend zag op een bouwplan ter zake van het oprichten van een kantoorpand met drie bouwlagen. Tussen de aard en de omvang van de werkzaamheden die door de gemeente moeten worden verricht voor het afgeven van de vergunning en de hoogte van de verschuldigde bouwleges behoeft geen verband te bestaan. Niettemin merkt het Hof, in reactie op een stelling van belanghebbende dienaangaande, op dat de hiervoor genoemde wijzigingen ertoe hebben geleid dat het tweede bouwplan zozeer afwijkt van het eerste bouwplan dat het Hof het aannemelijk acht dat een hernieuwde toetsing van het bouwplan aan de Woningwet en het Bouwbesluit noodzakelijk was. Dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, bij het tweede bouwplan de bouwconstructie niet is gewijzigd en geen nieuwe berekeningen hoefden te worden gemaakt, kon eerst na volledige toetsing van het tweede bouwplan met zekerheid worden vastgesteld. Het hiervoor overwogene brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de tweede bouwaanvraag een aanvraag voor het verkrijgen van een bouwvergunning voor een nieuw bouwplan betrof en er te dezen geen sprake is van een geringe wijziging of aanpassing van de eerste bouwaanvraag. De Ambtenaar heeft terecht verrekening als bedoeld in onderdeel 5.3.1 eerste volzin van de Tarieventabel behorende bij de Verordening achterwege gelaten.

4.4 Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de gemeente in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door de bouwsom van het kantoorpand tweemaal in de legesheffing te betrekken. Het Hof is van oordeel dat het hoger beroep van belanghebbende ook in zoverre niet kan slagen. Het staat de gemeente vrij, ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning leges te heffen naar de hoogte van de bouwkosten. De omstandigheid dat de onderhavige legesheffing heeft plaatsgevonden ter zake van een eerder in behandeling genomen aanvraag van een bouwvergunning welke bouwvergunning betrekking had op – zoals reeds hiervoor is geoordeeld – een ander bouwplan, doet hier niet aan af. Immers kan en mag de gemeente per verleende dienst leges heffen. Nu het belastbare feit van het in behandeling nemen van de aanvraag zich ook voor wat betreft het nieuwe bouwplan heeft voorgedaan, kan van de daaruit voortvloeiende heffing van leges niet worden gezegd dat dit strijdig is met de wet, de Verordening of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Evenmin is in zoverre sprake van een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever niet kan hebben beoogd.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. A.A. Fase, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 1 februari 2011 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 februari 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.