Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP4019

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
10/00075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Te late indiening bezwaar is verschoonbaar. Primitieve aanslag is niet in strijd met het vertrouwensbeginsel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011/856 met annotatie van Snitker
FutD 2011-0420
V-N 2011/23.24.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00075

uitspraakdatum: 1 februari 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2010, nummer AWB 09/854,

in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, met dagtekening 12 september 2007, opgelegd van € 10.017. Tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 22. Aan heffingsrente is een bedrag berekend van € 736.

1.2. Vervolgens is aan belanghebbende over het jaar 2005 een navorderingaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, met dagtekening 12 juni 2008, opgelegd van € 2.030.

1.3. Belanghebbende heeft beroep bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 19 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft bij brief van 23 februari 2010, ingekomen bij het Hof op

24 februari 2010, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2010 te Arnhem. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door A, belastingadviseur te Q. Namens de Inspecteur is verschenen B.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst om beide partijen de gelegenheid te geven een nadere motivering in te dienen. Deze is van belanghebbende ter griffie ontvangen op 29 oktober 2010 en doorgezonden aan de Inspecteur, die zich daarover bij brief van

30 november 2010 heeft uitgelaten. De schriftelijke uitlating van de Inspecteur is op

2 december 2010 doorgezonden aan de belanghebbende. Beide partijen hebben desgevraagd erin toegestemd dat een nadere zitting achterwege kan blijven.

1.9. Het Hof heeft daarop op de voet van artikel 8:64, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, met dagtekening 12 september 2007, opgelegd van € 10.017.

2.2. Bij brief van 3 september 2007 heeft de Inspecteur aan belanghebbende het volgende meegedeeld:

“Op vrijdag 31 augustus 2007 heb ik telefonisch contact met u gezocht inzake de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005, dagtekening

12 september 2007. (…)

Ik heb kort na de primaire verwerking van de onderhavige aanslag aanleiding gevonden om nadere vragen te stellen inzake uw aangifte IB/PVV 2005. Dit vormt de reden waarom ik op

31 augustus 2007 contact met u heb gezocht.

Ik heb de vraag gesteld of u reeds kennis hebt kunnen nemen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 met dagtekening 12 september 2007. U heeft mij meegedeeld dat u met zekerheid kon zeggen dat u op de dag zelf of op de dagen voorafgaand aan 31 augustus 2007 nog geen kennis heeft kunnen nemen van de onderhavige aanslag.

Mede gezien de dagtekening van 12 september 2007 is het onwaarschijnlijk dat het feitelijke aanslagbiljet op 31 augustus 2007 is verzonden of ontvangen. Door de automatisering komt de aanslag er weliswaar aan, maar in ons telefoongesprek heb ik u verwittigd dat u deze aanslag als niet-verstuurd dient te beschouwen.

U zult binnenkort een brief ontvangen waarin ik u mijn vragen over het jaar 2005 zal toesturen.”

2.3. Bij brief van 10 september 2007 heeft de Inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, C, onder meer het volgende meegedeeld:

“U heeft aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 voor X (…) gedaan. Om de aangifte van uw cliënt te kunnen beoordelen, vraag ik u in deze brief aanvullende informatie te verstrekken met betrekking tot de vennootschap onder firma en de gedeeltelijke staking van de onderneming.

Telefoongesprek 31 augustus 2007

Op vrijdag 31 augustus 2007 heb ik telefonisch contact met uw cliënt gezocht inzake de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005, dagtekening

12 september 2007. Ik heb kort na de primaire verwerking van de onderhavige aanslag aanleiding gevonden om nadere vragen te stellen inzake uw aangifte IB/PVV 2005.

Ik heb uw cliënt de vraag gesteld of hij kennis heeft kunnen nemen van de definitieve aanslag. Uw cliënt heeft mij meegedeeld dat hij nog geen kennis had kunnen nemen van de onderhavige aanslag.

Door de automatisering is waarschijnlijk de aanslag inmiddels verstuurd, maar in ons telefoongesprek heb ik uw cliënt verwittigd dat hij deze aanslag als niet-verstuurd dient te beschouwen. Het bovenstaande heb ik schriftelijk vastgelegd in mijn brief van

3 september 2007 (…).

(…)”

2.4. Bij brief van 28 mei 2008 heeft de Inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, C, onder meer het volgende meegedeeld:

“Ik heb de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 van X (…) beoordeeld. In ons telefoongesprek van 28 mei 2008 heb ik aangegeven dat ik van deze aangifte zal afwijken. U bent met de onderstaande afwijking hedenochtend telefonisch akkoord gegaan. (…)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte € - 10.139

Totaalbedrag van de afwijking(en) € 22.942

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 12.803

Omdat de Belastingdienst onterecht de verwerking van de definitieve aanslag (…)H.56 IB/PVV had gestart en aangemaakt, ontvangt u nu een navorderingsaanslag. De reden hiervan heb ik in mijn schrijven van 3 september 2007 (…) aan uw cliënt bekend gemaakt. Wegens technische redenen is het nu niet meer mogelijk om een nieuwe definitieve aanslag H56 te maken. U dient dan ook de aanslag, naar aanleiding van deze brief, met een vastgestelde belastbaar inkomen Box 1 van € 12.803, niet aan te merken als een navorderingsaanslag. De navorderingsaanslag vervangt de definitieve aanslag (…)H.56 IB/PVV met dagtekening

12 september 2007.”

2.5. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2005 een navorderingaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, met dagtekening 12 juni 2008, opgelegd van € 2.030.

2.6. Bij brief van 15 december 2008 heeft de Inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, C, onder meer het volgende meegedeeld:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van 10 december 2008 bericht ik u het volgende. (…) Namens uw cliënt X (…) heeft u mij meegedeeld dat er bij uw cliënt onduidelijkheid is ontstaan inzake de betaling van de verschuldigde inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2005. Ten behoeve van de duidelijkheid heeft u mij verzocht om het verloop van de verschuldigde inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2005 (hierna IB/PVV) schriftelijk uit te leggen. (…) De opbouw van de verschuldigde IB/PVV is als volgt:

1. (…)

2. (…)

3. Volgens de (abusievelijk) opgelegde aanslag, aanslagnummer (…)H.56 met dagtekening 12 september 2007, is de verschuldigde IB/PVV vastgesteld op € 10.017. Het verzamelinkomen is hierbij vastgesteld op € 7.978;

4. De aanslag onder punt 3 is abusievelijk vastgesteld. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brieven van 3 september 2008 (…) en 28 mei 2008 (…);

5. Middels een (navorderings)aanslag, aanslagnummer (…)H57, met dagtekening

12 juni 2008, is de verschuldigde IB/PVV vastgesteld op € 2.030. Het verzamelinkomen is hierbij vastgesteld op € 13.881;

6. Bij de vaststelling van de verschuldigde IB/PVV onder punt 5 is rekening gehouden met (…) het verschuldigde IB/PVV onder punt 3;

7. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 13.881. Om tot de totaal verschuldigde

IB/PVV 2005 te komen, dient uw cliënt nog de verschuldigde IB/PVV van de aanslag onder punt 3 te voldoen omdat dit onderdeel uitmaakt van de totaal verschuldigde IB/PVV op basis van het verzamelinkomen van € 13.881.

Nog te betalen verschuldigde belasting

Gezien het bovenstaande verzoek ik u over te gaan tot het voldoen van de resterende verschuldigde inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2005 vóór 31 december 2008.”

2.7. Bij brief van 2 januari 2009 heeft belanghebbendes gemachtigde, A, aan de ontvanger het volgende meegedeeld:

“In de brief van 3 september 2007, respectievelijk 10 september 2007 deelt de inspecteur belanghebbende mee dat bovengenoemde aanslag [inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005] als niet verzonden beschouwd dient te worden. Belanghebbende leest hieruit dat desbetreffende aanslag niet voldaan hoefde te worden.

In de brief van 15 december 2008 stelt de inspecteur dat bovengenoemde aanslag voldaan dient te worden voor 31 december 2008. Dit is niet te rijmen met genoemde schrijvens. Belanghebbende zal die aanslag derhalve niet voldoen.”

2.8. Bij brief van 28 januari 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbendes gemachtigde, A, onder meer het volgende meegedeeld:

“U heeft namens X (…) de ontvanger schriftelijk meegedeeld dat uw cliënt de verschuldigde belasting van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005, aanslagnummer (…)H.56 niet zal voldoen. In deze brief leest u mijn reactie op uw schrijven.

Uw brief van 2 januari 2009

In uw brief reageert u op mijn schrijven van 15 december 2008 (…). Deze brief is gericht aan C, de vertegenwoordiger van X. Zowel op 14 oktober 2008 als op 10 december 2008 heb ik C telefonisch meegedeeld dat zijn cliënt de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) van de desbetreffende aanslag moet voldoen. Op verzoek van C heb ik – ten behoeve van de duidelijkheid richting zijn cliënt – nog het verloop van de verschuldigde IB/PVV 2005 schriftelijk uitgelegd. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 15 december 2008. Verder is op zijn verzoek uitstel van betaling verleend tot en met 31 december 2008.

Ik heb in de telefonische gesprekken met C duidelijk uitgelegd dat de resterende verschuldigde belasting voldaan moest worden. C heeft in deze gesprekken verklaard dat dit hem ook duidelijk was.

(…)

Zoals al reeds door de ontvanger schriftelijk meegedeeld, dient uw cliënt het verschuldigde bedrag alsnog te voldoen.”

2.9. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de brief van 28 januari 2009 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 28 januari 2009 niet als uitspraak op bezwaar kan worden aangemerkt.

3. Geschil

3.1. In geschil is of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Indien het beroep ontvankelijk is, is vervolgens de vraag aan de orde of de aan belanghebbende met dagtekening 12 september 2007 opgelegde primitieve aanslag door de uitlatingen van de Inspecteur is komen te vervallen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4. Overwegingen

Ontvankelijkheid

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de primitieve aanslag van 12 september 2007 op juiste wijze is bekendgemaakt en dat de bezwaartermijn derhalve op 24 oktober 2007 is geëindigd.

4.2. Met de brief van 2 januari 2009 heeft belanghebbende te kennen gegeven dat hij bezwaar ertegen heeft dat de primitieve aanslag van 12 september 2007, na de eerdere mededelingen van de Inspecteur dat die aanslag als niet verzonden moet worden beschouwd, als het ware herleeft door de brief van de Inspecteur van 15 december 2008. Naar het oordeel van het Hof dient de brief van 2 januari 2009 dan ook te worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de primitieve aanslag van 12 september 2007. Dit bezwaarschrift is niet voor het einde van de bezwaartermijn ingediend.

4.3. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is (onder meer) sprake indien:

(i) de belanghebbende als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid met vertraging kennis heeft genomen van de belastingaanslag, en daardoor pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend, en tevens

(ii) de belanghebbende na kennis te hebben genomen van de belastingaanslag het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.

Wat bij overschrijding kan gelden als alsnog zo spoedig mogelijk indienen van het desbetreffende geschrift, hangt af van de omstandigheden van het geval, maar aan de betrokken belastingplichtige dient in ieder geval een termijn van ten minste veertien dagen te worden gegund (vgl. HR 22 januari 2010, nr. 09/00526, LJN BL0078, BNB 2010/88).

4.4. De Inspecteur heeft binnen de bezwaartermijn en nadien mededelingen gedaan die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de opgelegde primitieve aanslag was komen te vervallen. Eerst bij brief van 15 december 2008 is aan belanghebbende duidelijk geworden dat daarvan volgens de Inspecteur geen sprake is geweest. Na hiervan kennis te hebben genomen, heeft belanghebbende bij brief van 2 januari 2009, ingekomen bij de Belastingdienst op 5 januari 2009, zijn bezwaar geuit. Het bezwaar is derhalve binnen een termijn van drie weken na kennisneming ingediend. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dit bezwaar, mede gelet op de in deze periode gelegen feestdagen, ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Gelet daarop dient het bezwaar ontvankelijk te worden verklaard op de in artikel 6:11 van de Awb omschreven grond.

4.5. Dat belanghebbendes brief van 2 januari 2009 is gericht aan de ontvanger, doet aan het vorenstaande niet af. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:15, lid 1, van de Awb had de ontvanger deze brief immers zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan de Inspecteur. Het tijdstip van indiening bij de ontvanger is dan bepalend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

4.6. Beide partijen hebben ter zitting verklaard dat als het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk wordt verklaard, de brief van de Inspecteur van 28 januari 2009 als uitspraak op dat bezwaar kan worden aangemerkt. Het Hof sluit zich bij dit eensluidende standpunt aan. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.7. Beide partijen hebben ter zitting aangedrongen op een inhoudelijke behandeling van het geschil door het Hof.

Inhoudelijk

4.8. Het Hof stelt vast dat de primitieve aanslag met dagtekening 12 september 2007 is opgelegd met inachtneming van alle wettelijke voorschriften en derhalve rechtsgeldig is.

4.9. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met de uitlatingen in het telefoongesprek van 31 augustus 2007 en in de brieven van 3 september 2007,

10 september 2007 en 28 mei 2008, slechts willen voorkomen dat te weinig belasting zou worden geheven nu de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld, en navordering waarschijnlijk niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Door aldus te handelen heeft de Inspecteur de aanslag zelf niet doen vervallen (vgl. HR 29 juni 2007, nr. 43.590,

LJN BA8064, BNB 2007/269).

4.10. Belanghebbende heeft betoogd dat aan de uitlatingen van de Inspecteur het vertrouwen kan worden ontleend dat de primitieve aanslag met dagtekening 12 september 2007 niet hoeft te worden betaald. Dit betoog ziet echter niet op de rechtmatigheid van de aanslag, maar op de invordering daarvan, die als zodanig niet ter beoordeling staat van de belastingrechter. Dit brengt mee dat dit betoog niet door het Hof kan worden beoordeeld.

4.11. Verder begrijpt het Hof belanghebbendes betoog aldus dat door de uitlatingen van de Inspecteur bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de primitieve aanslag met dagtekening 12 september 2007 is komen te vervallen. Het Hof kan dit betoog niet onderschrijven. Gelet op de uitlatingen van de Inspecteur had belanghebbende, dan wel zijn gemachtigde, kunnen en moeten beseffen dat de uitlatingen zijn gedaan met het oog op het nadere onderzoek dat de Inspecteur wilde verrichten en dat hij daarmee wilde voorkomen dat over het jaar 2005 te weinig belasting zou worden geheven. Belanghebbende mocht uit vorenbedoelde uitlatingen niet afleiden dat de primitieve aanslag zou komen te vervallen. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.

4.12. Het Hof overweegt ten overvloede dat hiermee geen oordeel is gegeven omtrent de (toelaatbaarheid van de) navorderingsaanslag. Die belastingaanslag staat in de onderhavige procedure niet ter discussie.

Boete

4.13. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de verzuimboete

(artikel 27h, lid 4, AWR jo artikel 24a, lid 2, AWR). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de boete aangevoerd. De gronden die zijn gericht tegen de primitieve aanslag werken niet door naar de verzuimboete. Anders dan bij vergrijpboete wordt een verzuimboete op een vast bedrag vastgesteld en wordt de boetegrondslag niet gevormd door het bedrag van de belastingaanslag. Het Hof acht in dezen een verzuimboete van € 22 passend en geboden.

Heffingsrente

4.14. Het hoger beroep wordt tevens geacht betrekking te hebben op de heffingsrente

(vgl. HR 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de primitieve aanslag in stand blijft, is voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente geen plaats.

Slotsom

4.15. Gelet op het vorenoverwogene moet het hoger beroep van belanghebbende gegrond worden verklaard. Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Hof op dat de uitspraak van de Rechtbank om procedurele redenen wordt vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel moet de Inspecteur zijn proceskosten en de griffierechten die door belanghebbende in beroep en hoger beroep zijn betaald, vergoeden.

5. Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 voor de beroepsfase

(1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 322), en op € 1.092,50 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen, waarde per punt € 437). Een bovenforfaitaire vergoeding acht het Hof niet gerechtvaardigd, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden.

6. Beslissing

Het Hof:

– verklaart het hoger beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1.736,50;

– gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) de door belanghebbende betaalde griffierechten van in totaal € 149 (€ 39 in verband met het beroep en € 110 in verband met het hoger beroep) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter,

mr. J.P.M. Kooijmans en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2011.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 3 februari 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.