Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP3294

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
10/00212
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ.

8,5 maanden voor peildatum betaalde koopprijs vormt de WOZ-waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/421
V-N 2011/21.22.16
FutD 2011-0314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00212

uitspraakdatum: 25 januari 2011

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 april 2010, nummer AWB 09/2868, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar),

betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Ambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q, voor het kalenderjaar 2008 - naar de waardepeildatum 1 januari 2007 - vastgesteld op € 199.000.

1.2. De Ambtenaar heeft bij de uitspraak op bezwaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 april 2010 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 15 mei 2010 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011 te Arnhem. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door A, de vader van zijn partner. De Ambtenaar is verschenen bijgestaan door B (taxateur).

1.6. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak aan de

a-straat 1, te Q (hierna: de onroerende zaak). Het betreft een zogenaamde kwadrantwoning uit 2000. De inhoud van de woning is 325 m³. De oppervlakte van het perceel is 132 m². De waarde van de onroerende zaak, naar de waardepeildatum 1 januari 2007, is vastgesteld op € 199.000.

2.2. Belanghebbende heeft op 15 april 2006 de onroerende zaak gekocht voor € 190.750. De onroerende zaak is op 16 juni 2006 bij notariële akte - opgesteld door C, notaris te R - aan belanghebbende geleverd.

3. Geschil

3.1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2007.

3.2. Belanghebbende betoogt dat bij de waardevaststelling geen rekening ermee is gehouden dat de koopsom van € 190.750 voor ten minste € 10.000 betrekking heeft op overgedragen roerende zaken. Belanghebbende staat een waarde voor van € 180.750.

3.3. De Ambtenaar verdedigt - onder verwijzing naar de door belanghebbende betaalde koopsom - een waarde van € 192.000. Ter verdere onderbouwing van deze waarde verwijst de Ambtenaar naar het taxatierapport van D, van 18 november 2009. Ook volgens de Ambtenaar is de waarde van de onroerende zaak derhalve te hoog vastgesteld.

3.4. Belanghebbende heeft ter zitting zijn in het hogerberoepschrift geponeerde stellingen omtrent het onvolledige proces-verbaal van de Rechtbank en de gang van zaken bij de hoorzitting in de bezwaarfase, ingetrokken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 17 van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.2. Indien een belastingplichtige een woning kort voor of na de peildatum heeft gekocht, moet in de regel ervan worden uitgegaan dat de waarde op de peildatum overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs. Dit is slechts anders indien de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft (vgl. HR 29 november 2000, nr. 35.797, LJN AA8610, BNB 2001/52).

4.3. Belanghebbende heeft de onroerende zaak op 15 april 2006 – dat wil zeggen achtenhalve maand vóór de waardepeildatum – gekocht voor € 190.750. Gelet op de hiervoor geformuleerde regel dient dan ervan te worden uitgegaan dat de waarde op de waardepeildatum overeenkomt met de door belanghebbende betaalde prijs. Voor een herrekening van die koopsom naar de waardepeildatum – gelijk de Ambtenaar ter zitting heeft betoogd – bestaat naar het oordeel van het Hof geen aanleiding. Indien belanghebbende betoogt dat deze koopsom niet de waarde weergeeft, rust op hem de last dat aannemelijk te maken. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.

4.4. Belanghebbende heeft gesteld dat de koopsom voor een bedrag van ten minste € 10.000 betrekking heeft op enige roerende zaken die van de verkopende partij zijn overgenomen. De Ambtenaar heeft betwist dat door partijen aan de overgenomen roerende zaken een waarde is toegekend. Gelet op de betwisting door de Ambtenaar is het aan belanghebbende om zijn stelling aannemelijk te maken. Belanghebbende wijst daartoe op een door hem en de verkopende partij opgestelde “lijst van zaken behorende bij de koopakte” van 13 april 2006, welke lijst is ondertekend op 15 april 2006. Van deze lijst kunnen volgens belanghebbende de volgende overgenomen zaken als roerend worden aangemerkt: buitenverlichting; zonwering binnen; gordijnrails; gordijnen; vitrage; vloerbedekking/linoleum berging; parketvloer/laminaat/ vloermatten; kapstok hal; combimagnetron, verlichting aan plafond hangend; kasten/ spiegelwanden; boeken/legplanken.

4.5. Verder heeft belanghebbende gewezen op een brief van E, notaris te R, van 8 februari 2010, waarin onder meer het volgende is opgemerkt:

“In een leveringakte wordt nog wel eens opgenomen dat er wordt geleverd ‘ontruimd, met uitzondering van de meeverkochte roerende zaken’. Blijkbaar is dat hier niet opgenomen. Er zijn echter wel roerende zaken verkocht, namelijk zoals opgenomen op de lijst behorende bij de koopovereenkomst. In de levering is wel opgenomen dat de koopovereenkomst blijft gelden voor zover daar in de akte niet van wordt afgeweken. Op de lijst staat ook uitdrukkelijk vermeld ‘lijst van zaken behorende bij de koopakte’.”

4.6. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met voornoemde verwijzingen niet aannemelijk gemaakt dat hij en de verkopende partij aan de overgenomen roerende zaken, zoals vermeld onder 4.4, een waarde hebben toegekend. Hierbij neemt het Hof in ogenschouw dat noch uit voornoemde lijst van zaken van 13 april 2006, noch uit de notariële akte van levering van 16 juni 2006 of anderszins is gebleken van een dergelijke bedoeling van partijen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de koopsom van € 190.750 volledig betrekking heeft op de onroerende zaak en dat deze koopsom de waarde van de onroerende zaak weergeeft op de waardepeildatum. Belanghebbendes betoog faalt derhalve.

4.7. Voornoemd oordeel vindt zijn bevestiging in het onder 3.3 genoemde taxatierapport. Van de in dit rapport genoemde vergelijkingsobjecten is met name het object b-straat 1 wat betreft type woning (kwadrantwoning), bouwjaar (2000), inhoud (325 m³), oppervlakte perceel (124 m²) en ligging (dezelfde buurt, aan hetzelfde fiets-/wandelpad, niet gelegen aan gazon/wadi) zeer goed vergelijkbaar met de onroerende zaak. Dit in de onmiddellijke nabijheid gelegen object, met 8 m² minder grond dan de onroerende zaak, is tweeënhalve maand na de waardepeildatum verkocht voor € 189.500.

4.8. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Kosten

5.1. Het Hof vindt aanleiding de Ambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsfase vastgesteld op € 6,08 (reiskosten) en € 2,95 (kosten kadaster), en voor de hogerberoepsfase op

€ 6,08 (reiskosten). Van de door belanghebbende gestelde verletkosten voor zijn gemachtigde, is niet gebleken.

5.2. Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 1, aanhef, en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Ambtenaar, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde niet juridisch is geschoold, dat hij niet is opgeleid tot taxateur, dat hij reeds enige jaren met (pre)pensioen is en dat het optreden van de gemachtigde - die de vader van belanghebbendes partner is - bepaald is door de familierelatie.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 190.750;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 15,11;

- gelast dat de gemeente Nijmegen de door belanghebbende betaalde griffierechten van

€ 152 (€ 41 in beroep en € 111 in hoger beroep) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2011.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 januari 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.