Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP3024

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
24-001708-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van 3 gekwalificeerde diefstallen en één poging daartoe, openlijke geweldpleging tegen personen en opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 107 dagen - het restant na aftrek van voorarrest - voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat de bewezen verklaarde feiten dateren van enkele jaren geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001708-07

Parketnummers eerste aanleg: 07-607405-05, 07-607188-06 en 07-607525-06

Arrest van 3 februari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 juni 2007 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-607405-05, 07-607188-06 en 07-607525-06 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. K. Karakaya, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist en het geschorste bevel voorlopige hechtenis opgeheven, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het in zaak A, zaak B subsidiair en zaak C subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 1.285,-, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren, en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

Zaak A

1.

hij op of omstreeks 26 augustus 2005 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen geld en/of goederen, in elk geval datgene wat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, de (voordeur) van die woning heeft/hebben ingetrapt/opengetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan het [adres]) heeft weggenomen een televisie (flatscreen), en elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2005 tot en met 27 juni 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een computer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2005 tot en met 10 mei 2005 te [plaats], gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een horecabedrijf ([bedrijf]) heeft weggenomen twee, in elk geval een geldkistje(s) en/of een kluis, inhoudende een geldbedrag van ongeveer 3000 euro, in elk geval enig geldbedrag en/of twee portemonnees, inhoudende een geldbedrag van ongeveer 150 euro, in elk geval enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Zaak B

hij op of omstreeks 29 april 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [benadeelde 1] met (grote) kracht een of meermalen in de nek en/of tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor die [benadeelde 1] ten val kwam en/of

- die [benadeelde 1] (terwijl hij op de grond lag) met (grote) kracht met geschoeide voet, tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 april 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [benadeelde 1] met (grote) kracht een of meermalen in de nek en/of tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor die [benadeelde 1] ten val kwam en/of

- die [benadeelde 1] een of meermalen (terwijl hij op de grond lag) met (grote) kracht met geschoeide voet, tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 april 2006 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1], welk geweld bestond uit

- het een of meermalen met (grote) kracht slaan en/of stompen in de nek en/of tegen het hoofd van die [benadeelde 1], waardoor die [benadeelde 1] ten val kwam en/of

- het een of meermalen met (grote) kracht met geschoeide voet schoppen/trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [benadeelde 1] (terwijl hij op de grond lag).

Zaak C

hij op of omstreeks 13 december 2006 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan het [adres]) heeft weggenomen een computer (notebook) en/of een filmcamera en/of twee, in elk geval een fotocamera's en/of een computer (databank) en/of een zonnebril en/of een computertas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verdacht en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 13 december 2006 tot en met 17 december 2006 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, een computer (notebook) en/of een filmcamera en/of twee, in elk geval een fotocamera's en/of een computer (databank) en/of een zonnebril en/of een computertas heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die computer en/of die filmcamera en/of fotocamera's en/of computer en/of zonnebril en/of computertas wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 13 december 2006 tot en met 17 december 2006 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, een computer (notebook) en/of een filmcamera en/of twee, in elk geval een fotocamera's en/of een computer (databank) en/of een zonnebril en/of een computertas heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die computer en/of die filmcamera en/of fotocamera's en/of computer en/of zonnebril en/of computertas redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen in zaak B primair en in zaak C primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van het in zaak B subsidiair ten laste gelegde (eveneens) ontbreekt. Met name ontbreken voldoende aanknopingspunten - waarbij te denken valt aan een medische verklaring - om te kunnen vaststellen dat het slachtoffer zodanig is geschopt en/of geslagen dat daardoor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan. Verdachte moet derhalve ook van het in zaak B subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 t/m 4, in zaak B meer subsidiair en in zaak C subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1.

hij op 26 augustus 2005 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer 1], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, de voordeur van die woning heeft/hebben ingetrapt/opengetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 31 mei 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan het [adres]) heeft weggenomen een televisie (flatscreen), toebehorende aan [slachtoffer 2];

3.

hij in de periode van 24 juni 2005 tot en met 27 juni 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een computer, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en/of zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4.

hij in de periode van 9 mei 2005 tot en met 10 mei 2005 te [plaats], gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een horecabedrijf ([bedrijf]) heeft weggenomen twee geldkistjes en een kluis, inhoudende een geldbedrag en twee portemonnees, inhoudende een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van inklimming.

Zaak B meer subsidiair:

hij op 29 april 2006 in de gemeente [gemeente] met anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1], welk geweld bestond uit

- het meermalen slaan en/of stompen tegen het hoofd van die [benadeelde 1], en

- het meermalen met geschoeide voet schoppen/trappen van die [benadeelde 1] (terwijl hij op de grond lag).

Zaak C subsidiair:

hij in de periode van 13 december 2006 tot en met 17 december 2006 in de gemeente [gemeente], een computer (notebook) en een filmcamera en twee fotocamera's en een computer (databank) en een zonnebril en een computertas voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die computer en die filmcamera en fotocamera's en computer en zonnebril en computertas wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 t/m 4, in zaak B meer subsidiair en in zaak C subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Zaak A:

1. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2. diefstal door twee of meer verenigde personen;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

4. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Zaak B, meer subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Zaak C, subsidiair:

opzetheling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in het jaar 2005 in korte tijd schuldig gemaakt aan

3 gekwalificeerde diefstallen, en 1 poging daartoe. Door het plegen van deze strafbare feiten heeft verdachte meermalen inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van een ander. Slachtoffers van dit soort delicten ondervinden hier doorgaans nog lang de nadelige gevolgen van, aangezien zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen. Verdachte heeft zich van deze mogelijke gevolgen kennelijk geen rekenschap gegeven.

Voorts heeft verdachte zich op 29 april 2006 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever [benadeelde 1]. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten [benadeelde 1] meermalen geslagen en geschopt. Dit is op een dusdanige manier gebeurd dat [benadeelde 1] uiteindelijk buiten bewustzijn is geraakt. Door voornoemd handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hebben zij gevoelens van onveiligheid opgewekt bij de omstanders die hier ongewild getuige van zijn geweest.

Door in de periode van 13 december 2006 tot en met 17 december 2006 diverse goederen voorhanden te hebben, waarvan hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig waren, heeft verdachte zich ten slotte schuldig gemaakt aan opzetheling en op die manier bijgedragen aan het in standhouden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 19 november 2010, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen ter zake van strafbare feiten is veroordeeld, onder meer ter zake van een geweldsdelict. De straffen die hem in dat kader zijn opgelegd, hebben hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Het hof houdt tevens rekening met een omtrent verdachte uitgebrachte rapportage Pro Justitia d.d. 2 oktober 2006 en een rapportage Pro Justitia d.d. 20 oktober 2006, waarin geconcludeerd wordt dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten leed aan een persoonlijkheidsstoornis, als gevolg waarvan hij op dat moment enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen passend en geboden. In de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten dateren van enkele jaren geleden, ziet het hof aanleiding om een gedeelte hiervan, te weten 107 dagen - het restant na aftrek van voorarrest- , in voorwaardelijke vorm op te leggen, met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Blijkens het voegingsformulier vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 285,- en immateriële schade tot een bedrag van € 1300,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het materiële deel geheel toewijsbaar, en voor wat betreft het immateriële deel toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door het in zaak B bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij tot dat bedrag schade is berokkend en deze schade aan verdachte kan worden toegerekend.

De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 785,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2006 tot aan de dag van algehele voldoening, en met dien verstande dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Blijkens het voegingsformulier vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 242,76, en immateriële schade tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Ten aanzien van verdachte is in zaak C subsidiair bewezen verklaard dat verdachte zich ten aanzien van diverse aan [benadeelde 2] toebehorende goederen schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij geen betrekking heeft op schade die rechtstreeks is toegebracht door het voornoemde bewezen verklaarde feit.

Gelet op het voorgaande, dient de benadeelde partij ingevolge artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De benadeelde partij wordt daarbij, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 141, 311, en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak B primair en subsidiair en in zaak C primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 t/m 4, in zaak B meer subsidiair en in zaak C subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1 t/m 4 en in zaak B meer subsidiair en in zaak C subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van driehonderdvijfenzestig dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van honderdzeven dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenhonderdvijfentachtig euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2006 tot aan de dag van algehele voldoening;

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenhonderdvijfentachtig euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2006 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], [woonplaats];

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2], wonende te [woonplaats] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier, zijnde mr. G.M. Meijer-Campfens buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.