Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP2854

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
24-002285-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de - ten tijde van een deel van de feiten minderjarige - verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens onder meer openlijk geweld tegen personen, diefstal met geweld en medeplegen van afpersing. Het hof legt tevens een gevangenisstraf op voor de duur van 10 maanden onvoorwaardelijk voor het deel van de bewezenverklaring van de rechtbank waartegen verdachte geen hoger beroep heeft ingesteld. Het hof past het sanctierecht voor volwassenen toe. Voorts bewijsoverwegingen betreffende bedreiging en medeplegen. Tevens verwerping van een beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002285-10

Parketnummers eerste aanleg: 07-450155-09, 07-650024-10, 07-686010-10,

07-630291-09 en 07-450047-09 (TUL)

Arrest van 1 februari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 september 2010 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-450155-09, 07-650024-10, 07-686010-10 en 07-630291-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft beslist op vorderingen van benadeelde partijen en op een vordering tot tenuitvoerlegging, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 18 januari 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraken ter zake van het in zaak A onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

In de akte rechtsmiddel is opgenomen dat het hoger beroep zich niet richt tegen het bewezenverklaarde onder 1 en 2 in zaak B, het bewezenverklaarde in zaak C en het bewezenverklaarde onder 1, 2 en 3 in zaak D. Bij aanvang van de behandeling ter zitting hebben verdachte en zijn raadsman verzocht het hoger beroep aldus beperkt op te vatten.

Bij gebrek aan belang zal het hof verdachte in zijn hoger beroep ter zake deze feiten niet-ontvankelijk verklaren.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de inhoud van de akte rechtsmiddel heeft de raadsman beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 september 2010 in de gevoegde zaken A, B, C en D.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het sanctierecht voor volwassenen zal toepassen en verdachte ter zake van het in zaak A onder 1, 2, 6, 7, in zaak B onder 1, in zaak C onder 1, 2, 3 en in zaak D onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 380,- en tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 364,- en tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de benadeelde partijen [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] niet ontvankelijk zal verklaren in hun vordering. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de bij vonnis van de kinderrechter te Zwolle (parketnummer 07/450047-09) voorwaardelijk opgelegde straf van 2 weken jeugddetentie ten uitvoer zal leggen en deze straf zal omzetten in 2 weken gevangenisstraf.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover aan hoger beroep onderworpen - ten laste gelegd, dat:

zaak A

1.

hij op of omstreeks 03 mei 2009 in de gemeente [gemeente 1] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat] in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 7], welk geweld bestond uit het

- één of meermalen (krachtig) slaan en/of stompen en/of duwen en/of trekken tegen/op/aan het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 7] en/of

- één of meermalen (krachtig) schoppen en/of trappen tegen/op hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 7];

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 mei 2009 in de gemeente [gemeente 1] tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten [slachtoffer 7]) één of meermalen (krachtig) tegen/op/aan het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geduwd en/of getrokken en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer 7] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 04 juli 2009 in de gemeente [gemeente 2] [verbalisant 1], agent van de Regiopolitie IJsselland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (op korte afstand van het dienstvoertuig) met zijn arm/hand een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gevormd en/of (daarbij) met zijn (wijs)vinger bewegingen gemaakt alsof hij meerdere keren de trekker overhaalde naar en/of in de richting van die [verbalisant 1];

6.

hij op of omstreeks 19 juni 2009 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung, kleur grijs) en/of een PDA (merk Qtek, kleur grijs) en/of portemonnee en/of een rijbewijs (reg. nr. [nummer] t.n.v. [slachtoffer 5]) en/of een legitimatiebewijs (t.n.v. [slachtoffer 5]) en/of een pinpas (Postbank, t.n.v. [slachtoffer 5]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

7.

hij op of omstreeks 20 maart 2009 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een nektasje en/of een portemonnee en/of een bankpas en/of een ID-kaart en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien het vorenstaande onder 7 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2009 tot en met 4 juli 2009 in de gemeente [gemeente 1], in elk geval in Nederland, een nektasje en/of een portemonnee en/of een bankpas en/of een ID-kaart en/of een horloge heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat nektasje en/of die portemonnee en/of die bankpas en/of die ID-kaart en/of dat horloge wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

althans, indien het vorenstaande onder 7 subsidiair niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2009 in de gemeente [gemeente 1], in elk geval in Nederland, een nektasje en/of een portemonnee en/of een bankpas en/of een ID-kaart en/of een horloge heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat nektasje en/of die portemonnee e/of die bankpas en/of die ID-kaart en/of dat horloge redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

zaak B

3.

hij op of omstreeks 19 september 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets en/of een mobiele telefoon (merk Samsung) en/of meerdere, althans één sleutel(s) en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n)

- die [slachtoffer 2] van de fiets heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens)

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) heeft/hebben geschopt/getrapt tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of gestompt/geslagen op/tegen het hoofd en/of

- de zak(ken) van die [slachtoffer 2] heeft/hebben doorzocht;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 19 september 2009 tot en met 26 oktober 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], in elk geval in Nederland, een mobiele telefoon (merk Samsung E900) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die mobiele telefoon wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

zaak D

4.

hij op of omstreeks 07 oktober 2009 te [ plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) mobiele telefoon(s) (merk Sony Ericsson 902 Cybershot) en/of portemonnee(s) (incl. geld en/of ID-kaart en/of diverse pasjes en/of een armband) en/of een skateboard, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] de vrijde doorgang heeft/hebben belemmerd en/of tot stoppen heeft gedwongen en/of (dreigend) heeft/hebben aangesproken en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] met een mes heeft/hebben bedreigd en/of (vervolgens) dreigend heeft/hebben geroepen "portemonnee" en/of "telefoon" en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (van achteren) heeft/hebben vastgepakt.

Bewijsoverweging omtrent het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat door het gebaar dat verdachte heeft gemaakt, bij aangever niet de redelijke vrees kan zijn ontstaan dat aangever het leven zou verliezen.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt op grond van de aangifte van [verbalisant 1], het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] en de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van verdachte op 18 januari 2011 vast dat sprake is van een tumultueuze situatie op het moment dat aangever en zijn collega [verbalisant 2] in een dienstauto komen aanrijden. Beiden hadden de opdracht gekregen om ter plaatse te gaan nu een groep mensen, waartoe verdachte ook behoorde, voor overlast zou zorgen. Op enig moment stapt verdachte uit die groep mensen naar voren. Op korte afstand van de dienstauto kijkt verdachte aangever recht in zijn ogen aan en maakt vervolgens met zijn hand meerdere malen een gebaar alsof hij de trekker van een vuurwapen overhaalt.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte het gebaar voorgedaan. Uit het gemaakte gebaar leidt het hof af dat verdachte een schietgebaar heeft gemaakt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Aangever heeft onder de gegeven omstandigheden uit voornoemd gebaar kunnen afleiden dat verdachte hem van het leven zou willen beroven. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat verdachte op eigen initiatief en welbewust uit de groep (agressieve) mensen naar voren is gelopen. Vervolgens heeft hij aangever recht in de ogen aangekeken en het betreffende gebaar gemaakt. Voor zover verdachte heeft willen betogen dat hij geen opzet had op het bedreigen van aangever omdat hij het gebaar heeft gemaakt in het kader van het opnemen van een film, merkt het hof op dat niet is gebleken dat deze handeling op enigerlei wijze in het script was opgenomen dan wel daarin paste. Op grond van het voorgaande kan dit verweer niet slagen.

Bewijsoverweging omtrent het in zaak D onder 4 ten laste gelegde

Ter terechtzitting heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het aan verdachte in zaak D onder 4 ten laste gelegde medeplegen van afpersing. Ter onderbouwing hiervan heeft hij aangevoerd dat er niet is voldaan aan het vereiste voor medeplegen, namelijk een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.

Het hof leidt uit de aangiften van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de op 19 november 2009 tegenover de politie afgelegde verklaring van verdachte af, dat verdachte bij de afpersing aanwezig was. Tevens stelt het hof op basis van deze verklaringen vast dat verdachte (samen met zijn medeverdachten) uitvoeringshandelingen heeft verricht, zoals het tegen de fiets aantrappen, een aangever van de fiets trekken en tegen diens buik en bovenbenen trappen, waardoor de aangevers werden bewogen tot de afgifte van goederen. Aldus was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zaak A

1. primair

hij op 3 mei 2009 in de gemeente [gemeente 1] met anderen, aan de openbare weg, de [straat] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 7], welk geweld bestond uit:

- het krachtig slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 7] en

- het duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] en

- het trekken aan het lichaam van die [slachtoffer 7];

2.

hij op 4 juli 2009 in de gemeente [gemeente 2], [verbalisant 1], agent van de Regiopolitie IJsselland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn hand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gevormd en daarbij met zijn wijsvinger bewegingen gemaakt alsof hij meerdere keren de trekker overhaalde in de richting van die [verbalisant 1];

6.

hij op 19 juni 2009 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung, kleur grijs) en een PDA (merk Qtek, kleur grijs) en portemonnee en een rijbewijs (reg. nr. [nummer] t.n.v. [slachtoffer 5]) en een legitimatiebewijs (t.n.v. [slachtoffer 5]) en een pinpas (Postbank, t.n.v. [slachtoffer 5]), toebehorende aan respectievelijk [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5];

7. subsidiair

hij in de periode van 20 maart 2009 tot en met 4 juli 2009 in de gemeente [gemeente 1], een nektasje voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat nektasje wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

zaak B

3. primair

hij op 19 september 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets en een mobiele telefoon (merk Samsung) en een sleutel en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn medeverdachten

- die [slachtoffer 2] van de fiets heeft/hebben getrokken en vervolgens

- met kracht heeft/hebben getrapt tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en geslagen tegen het hoofd en

- de zakken van die [slachtoffer 2] heeft/hebben doorzocht;

zaak D

4.

hij op 7 oktober 2009 te [ plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld [slachtoffer 3] en door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoons (merk Sony Ericsson 902 Cybershot) en portemonnees (incl. geld en/of ID-kaart en/of diverse pasjes en/of een armband), toebehorende aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de vrije doorgang hebben belemmerd en tot stoppen heeft gedwongen en vervolgens

- die [slachtoffer 3] met een mes hebben bedreigd en vervolgens dreigend hebben geroepen "portemonnee" en "telefoon" en/ vervolgens

- die [slachtoffer 4] van achteren hebben vastgepakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 primair, 2, 6 en 7 subsidiair, in zaak B onder 3 primair en in zaak D onder 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

in zaak A

1 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

6. diefstal;

7. subsidiair: opzetheling;

in zaak B

3. primair: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

in zaak D

4. mededeplegen van afpersing.

Strafbaarheid

Met betrekking tot het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het handelen uit noodweer.

Indien een beroep is gedaan op noodweer dient te worden onderzocht of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op grond van artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof stelt op grond van de aangifte van [slachtoffer 7], de verklaring van zijn broer [benadeelde 3] en de verklaring van [betrokkene 3] de navolgende feitelijke gang van zaken vast.

De broer van verdachte, [medeverdachte], heeft in de ten laste gelegde periode onenigheid met [benadeelde 3], de broer van aangever [slachtoffer 7]. Op 3 mei 2009 komt aangever [slachtoffer 7] genoemde [medeverdachte], alsmede [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tegen bij de snackbar [bedrijf] te [plaats 2]. [betrokkene 1] zegt op enig moment tegen aangever dat zij later naar de broer van aangever gaan om hem te spreken. Hierna fietst de groep van [medeverdachte] weg. Aangever gaat daarop naar de woning van [betrokkene 3] alwaar ook zijn broer en [betrokkene 4] aanwezig zijn. Na enige tijd komt de groep van [medeverdachte] aan de deur. Wanneer [benadeelde 3] de deur opendoet, pakt [medeverdachte] hem bij zijn shirt vast. Daarop duwt aangever - om een vechtpartij te voorkomen - [medeverdachte] bij [benadeelde 3] vandaan. Direct daarna krijgt aangever klappen op zijn hoofd.

Anders dan de raadsman en verdachte hebben betoogd, was er geen sprake van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van de broer van verdachte [medeverdachte]. Uit meerdere verklaringen van aanwezigen volgt veeleer het tegendeel. Het is juist de groep waartoe [medeverdachte] behoort - in het bijzonder [medeverdachte] zelf - die de confrontatie zoekt. Nu geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, kan een beroep op noodweer niet slagen. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Omtrent verdachte is door drs. E. Vlieg, psycholoog / orthopedagoog, naar aanleiding van het ten laste gelegde een rapportage d.d. 15 juni 2010 uitgebracht, welk rapport - zakelijk weergegeven - als conclusie inhoudt dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Voornoemde rapportage ziet niet op alle door het hof bewezen verklaarde feiten. Het hof acht echter aannemelijk dat bij verdachte ten tijde van het plegen van alle bewezen verklaarde feiten sprake was van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Nu niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Toepassing sanctierecht voor volwassenen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van verdachte het sanctierecht voor volwassenen wordt toegepast. De raadsman heeft dit weersproken.

Het hof ziet gelet op het aantal en de ernst van bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, de persoonlijkheid van verdachte zoals deze ter terechtzitting en in de rapportages naar voren is gekomen, de leeftijd van verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten (deels 17, deels 18 jaar) en zijn huidige leeftijd aanleiding om het sanctierecht voor volwassenen toe te passen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en aan het medeplegen van afpersing. Het mag als bekend worden verondersteld dat slachtoffers van dit soort traumatische ervaringen daardoor nog gedurende langere tijd in hun functioneren kunnen worden belemmerd. Tevens hebben verdachte en zijn medeverdachten de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van politieagent [verbalisant 1], openlijk geweld tegen [slachtoffer 7], opzetheling - meerdere malen gepleegd - en diefstal.

Blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 november 2010 is verdachte eerder veroordeeld voor geweldsdelicten, echter niet voor vermogensdelicten.

Het hof heeft tevens gelet op hetgeen door of namens verdachte ter terechtzitting omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof gelet op de rapportages die met betrekking tot verdachte zijn opgemaakt.

Bij de strafoplegging is betrokken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een groot aantal delicten, waaronder straatroven. Deze feiten rechtvaardigen een langdurige vrijheidsstraf. Het hof acht een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Nu verdachte echter niet eerder is veroordeeld tot een vrijheidsstraf, zal het hof een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient (ook) als stok achter de deur, teneinde te verdachte er van te weerhouden dat hij zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Ingevolge het bepaalde in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht dient het hof met betrekking tot het bewezen verklaarde onder 1 en 2 in zaak B, gekwalificeerd als opzetheling en diefstal, het bewezen verklaarde in zaak C, gekwalificeerd als openlijk geweld plegen tegen personen, en het bewezen verklaarde onder 1, 2 en 3 in zaak D, alle drie gekwalificeerd als opzetheling, een afzonderlijke straf te bepalen. Gelet op de ernst van deze feiten is het hof van oordeel, mede gelet op hetgeen is overwogen omtrent toepassing van het sanctierecht voor volwassenen, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden dienaangaande passend en geboden is.

Benadeelde partij [benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich ter zake zaak B onder 2, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van € 1.315,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum ontstaan schade tot aan de dag van voldoening.

Nu deze vordering ziet op een feit dat niet is onderworpen aan het hoger beroep zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 07-450047-09

Bij vonnis van de kinderrechter te Zwolle-Lelystad van 18 mei 2009 is verdachte veroordeeld tot jeugddetentie van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 1 juni 2009. De proeftijd is eveneens ingegaan op 1 juni 2009.

Gebleken is dat veroordeelde meerdere feiten van de hiervoor in zaak A bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Het hof zal op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging van voormelde twee weken jeugddetentie gelasten. Op grond van artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht zal deze straf, nu veroordeelde thans meerderjarig is, ten uitvoer worden gelegd als gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 63, 77b, 77dd, 141, 285, 310, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken ter zake van het in zaak A onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

verklaart de verdachte tevens niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor wat betreft de feiten 1 en 2 in zaak B, het feit in zaak C en de feiten 1, 2 en 3 in zaak D;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het aan hoger beroep is onderworpen en voor zover het de strafoplegging betreft, in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte in zaak A onder 7 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 primair, 2, 6 en 7 subsidiair, in zaak B onder 3 primair en in zaak D onder 4 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld aan verdachte in zaak A onder 1 primair, 2, 6 en 7 subsidiair, in zaak B onder 3 primair en in zaak D onder 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van tien maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

bepaalt de straf, de verdachte bij vonnis opgelegd ter zake van de niet aan hoger beroep onderworpen, bewezen verklaarde feiten in zaak B onder 1 subsidiair en 2, het feit in zaak C, het in zaak D onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 meer subsidiair, op:

een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Zwolle-Lelystad van 18 mei 2009 aan veroordeelde voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. E. Pennink, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier, zijnde mr. Pennink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.