Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP2694

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
24-003380-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn buurman, met wie al lange tijd in onmin leefde, mishandeld door hem te duwen, waarbij de buurman pijn en letsel opliep.

Het hof veroordeelt verdachte tot een deels onvoorwaardelijke geldboede. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens onevenredige belasting van het strafgeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003380-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-602472-09

Arrest van 28 januari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 november 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1936] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres] 31,

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een maatregel, en heeft voorts beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van driehonderdvijftig euro, subsidiair drie dagen vervangende hechtenis, en dat het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2009 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meerdere malen, in elk geval éénmaal, op/tegen het (voor)hoofd en/of op/tegen het (boven)lichaam heeft gestompt/geslagen/geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 27 maart 2009 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd:

"Toen ik [slachtoffer] in zijn auto zag komen aanrijden ben ik naar hem toe gelopen. Op het moment dat ik bij hem kwam stond hij net in de deuropening van zijn auto. Hij had een kistje in zijn hand. Toen hij mij zag hief hij het kistje op ter hoogte van zijn hoofd. Ik dacht dat hij mij een klap zou gaan geven met dat kistje. Ik heb hem vervolgens een duw gegeven."

Voor zover verdachte heeft bedoeld hiermee een beroep op noodweer te doen, moet dat verweer worden verworpen. Om een beroep op noodweer te doen slagen moet sprake zijn van een gedraging die was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding, waaronder mede kan zijn begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij ter zitting heeft verklaard, vreesde dat [slachtoffer] hem een klap zou geven met het voorwerp dat hij in zijn hand had. Verdachte heeft immers op de dag waarop het feit werd gepleegd tegenover de politie met betrekking tot deze situatie verklaard, dat hij zag dat [slachtoffer] het koffertje dat hij bij zich had voor zijn hoofd bracht in de kennelijke veronderstelling dat verdachte hem een klap voor zijn hoofd zou gaan geven.

Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, of van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake geweest.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn buurman [slachtoffer]. Door zo te handelen heeft verdachte letsel en pijn bij [slachtoffer] veroorzaakt en heeft hij diens lichamelijke integriteit aangetast.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 november 2010 niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het gegeven dat de onderhavige gedraging van verdachte plaatsvond in het kader van een (door [slachtoffer] niet weersproken) zich jarenlang voortslepende ruzie tussen verdachte en [slachtoffer]. De gedraging van verdachte is daarmee geenszins verontschuldigbaar, maar deze voorgeschiedenis geeft wel aanleiding te veronderstellen dat het onderhavige delict een oorzaak vindt in een spanningsveld dat van twee zijden is gevoed.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat oplegging van deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden is. Het voorwaardelijke deel van de boete heeft mede als doel om verdachte ervan te weerhouden nogmaals (soortgelijke) delicten te plegen.

Benadeelde partij [slachtoffer]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250,00.

Van de zijde van verdachte is de vordering gemotiveerd betwist. Verdachte heeft daartoe onder meer aangevoerd dat acht moet worden geslagen op de rol van [slachtoffer] in het geheel, en op verdachtes eigen vruchteloze pogingen om in die situatie van de overheid hulp te krijgen.

Het hof is van oordeel, dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof bepaalt, gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat de vordering daarom niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als geen van beiden in het gelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding, tot op heden begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vierhonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van tweehonderdvijfentwintig euro, subsidiair vijf dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de geldboete mag worden voldaan in vijf opeenvolgende éénmaandelijkse termijnen elk groot vijfenveertig euro;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte en de benadeelde partij ieder in de eigen kosten van het geding, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Heins, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. F.W.J. den Ottolander, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier, zijnde mr. F.W.J. den Ottolander buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.