Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP1626

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
10/00297 en 10/00298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Administratieplichtige doet niet de vereiste elektronische aangifte maar wel een papieren aangifte. Wel omkering maar geen verzwaring van de bewijslast. Schatting van inspecteur is niet willekeurig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/18.7 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 10/00297 en 10/00298

uitspraakdatum: 11 januari 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2010, nummers AWB 09/770 en 09/771,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.978 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.234. Daarbij is voorts een verzuimboete opgelegd van € 794 en heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 945.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 voorts een aanslag in de premie voor zelfstandigen ingevolge de Ziekenfondswet opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 21.050. Daarbij is € 161 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Na tegen genoemde beschikkingen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen en boetebeschikking gehandhaafd.

1.4. Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) gegrond verklaard, doch uitsluitend voorzover deze betrekking heeft op de boete. De Rechtbank heeft de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot € 226.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 2 december 2010 te Arnhem. Aldaar is verschenen en gehoord: de Inspecteur. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet verschenen. Bij aangetekend verzonden brief met ‘handtekening retour’ van de griffier van het Hof van 21 oktober 2010, gericht aan het door belanghebbende opgegeven adres a-straat 1 te Z, is belanghebbende uitgenodigd voor het bijwonen van de zitting op 2 december 2010 om 13.30 uur te Arnhem. De envelop met daarin de uitnodiging is door de griffier retour ontvangen. Blijkens het op de envelop door de postbeambte aangekruiste hokje ‘niet afgehaald’ is deze uitnodiging door belanghebbende niet in ontvangst genomen en niet afgehaald op het postkantoor. De griffier heeft – na verificatie van het adres van belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, waaruit bleek dat belanghebbende op genoemd adres staat ingeschreven – de uitnodiging vervolgens op 15 november 2010 per gewone brief aan belanghebbende op het genoemde adres toegezonden. Hieruit volgt dat belanghebbende overeenkomstig de wet is uitgenodigd voor het bijwonen van de onderhavige zitting. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat de griffier reeds eerder, op 10 november 2010, belanghebbende bij aangetekend verzonden brief met ‘handtekening retour’, verzonden aan het eerder genoemde adres, wederom had uitgenodigd voor het bijwonen van de onderhavige zitting. Die uitnodiging is op 12 november 2010 vergeefs op het adres van belanghebbende aangeboden door TNT post. Ook deze brief is niet afgehaald op het postkantoor.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende drijft een administratie- en belastingadvieskantoor. Hij woont op het adres a-straat 1 te Z. Deze woning vormt een eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De waarde van de woning is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken voor 2005 vastgesteld op € 163.000. Belanghebbende beschikte volgens renseigneringen van financiële instellingen aan de Belastingdienst op 1 januari 2005 over € 118.282 aan spaargelden en op 31 december 2005 over € 82.500.

2.2. Bij brief van 28 februari 2006 is belanghebbende door de Inspecteur uitgenodigd tot het doen van aangifte langs elektronische weg vóór 1 april 2006 van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/premie VV) voor het jaar 2005 en van de aangifte premie voor zelfstandigen ingevolge de Ziekenfondswet (hierna: ZFW) voor het jaar 2005. Aan belanghebbende is vervolgens uitstel verleend voor het doen van bedoelde aangiften tot 1 april 2007.

2.3. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 31 mei 2007 gemaand tot het doen van genoemde aangiften vóór 25 juni 2007.

2.4. Bedoelde aangiften zijn niet langs elektronische weg ingediend bij de Inspecteur.

2.5. Tot de stukken van het geding behoort een afschrift van een bladzijde van een – gecombineerde – papieren aangifte IB/premie VV 2005 en premie ZFW 2005 ten name van belanghebbende. Op die bladzijde is een stempelafdruk geplaatst met als datum 15 oktober 2007 en de vermelding ‘Belastingdienst Oost Sector Dienstverlening’.

2.6. Medio 2006 heeft belanghebbende een zogenoemd schattingsformulier voor ondernemers bij de Inspecteur ingediend, waarin een geschatte belastbare winst uit onderneming in 2005 is vermeld van € 10.000. Aan inkomsten ter zake van de eigen woning is een bedrag genoemd van negatief € 3.000.

2.7. Met dagtekening 30 september 2008 heeft de Inspecteur ambtshalve de onderhavige aanslagen IB/premie VV 2005 en premie ZFW 2005 vastgesteld. De Inspecteur heeft de door belanghebbende in 2005 gerealiseerde belastbare winst uit onderneming geschat op € 25.000. Voorts heeft hij een huurwaardeforfait in aanmerking genomen van € 978. Met hypotheekrente heeft de Inspecteur geen rekening gehouden. Het belastbare inkomen uit werk en woning is derhalve vastgesteld op € 25.978. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld – op basis van de in onderdeel 2.1 genoemde vermogens en rekening houdend met een vrijstelling van € 19.522 – op een bedrag van € 3.234. Voor de aanslag premie ZFW is als premie-inkomen in aanmerking genomen een bedrag van € 21.050, het wettelijke maximum in 2005.

2.8. Voor wat betreft de IB/premie VV heeft de Inspecteur voorts een verzuimboete van € 794 aan belanghebbende opgelegd.

2.9. Daarnaast heeft de Inspecteur belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 945 voor de IB/premie VV en € 161 voor de premie ZFW.

2.10. De bezwaren van belangebbende tegen genoemde aanslagen en beschikkingen zijn afgewezen door de Inspecteur.

2.11. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende inzake de aanslagen en de heffingsrente ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe geoordeeld, kort gezegd, dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, dat de bewijslast daarom moet worden omgekeerd en verzwaard en dat belanghebbende niet erin is geslaagd te voldoen aan deze verzwaarde bewijslast.

2.12. In navolging van de Inspecteur – die ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard dat de verzuimboete op grond van nieuw boetebeleid van de Belastingdienst diende te worden verminderd tot € 226 – heeft de Rechtbank de verzuimboete verminderd tot € 226.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht de onderwerpelijke aanslagen heeft vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.978 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.234 onderscheidenlijk een premie-inkomen van € 21.050. Meer in het bijzonder is in geschil of de Rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat te dezen de vereiste aangiften niet zijn gedaan, zodat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen de Inspecteur daaraan ter zitting heeft toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, die van de Inspecteur en kennelijk van de boetebeschikking alsmede tot vermindering van de aanslagen en de heffingsrentebeschikkingen.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Voor het jaar 2005 konden administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), die binnenlands belastingplichtig waren, hun aangiften voor de IB/premie VV uitsluitend langs elektronische weg doen (artikel 8, tweede lid, van de AWR in verbinding met artikel 20, tweede lid, Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994). Deze regel gold in dat jaar evenzeer voor de toepassing van de heffing van premie ingevolge de ZFW (artikel 15a, derde lid, ZFW).

4.2. In aanmerking genomen dat belanghebbende in 2005 in Nederland woonde en een onderneming dreef, was hij in dat jaar binnenlands belastingplichtig en administratieplichtig.

4.3. Niet gesteld of gebleken is dat aan belanghebbende ontheffing is verleend van de verplichting tot het doen van aangifte langs elektronische weg.

4.4. Niet in geschil is dat belanghebbende door de Inspecteur is uitgenodigd tot het doen van de onderhavige aangiften langs elektronische weg en dat hij vervolgens door de Inspecteur is gemaand deze verplichting na te komen. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende de onderhavige aangiften niet langs elektronische weg heeft ingediend bij de Inspecteur.

4.5. In de procedure bij de Rechtbank heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat hij niet – langer – betwist dat belanghebbende vóór het vaststellen van de onderhavige aanslagen een papieren aangiftebiljet voor het jaar 2005 heeft ingediend. Ter zitting in hoger beroep heeft de Inspecteur zulks, in afwijking van het standpunt in het verweerschrift in hoger beroep, desgevraagd bevestigd. Gelet hierop, heeft de Rechtbank in rechtsoverweging 4.2 van haar uitspraak ten onrechte een bewijsoordeel gegeven met betrekking tot het indienen van een (complete) papieren aangifte. In zoverre treffen de klachten van belanghebbende doel. Zulks leidt – op na te melden gronden – echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.6. Belanghebbende heeft, nu hij niet langs elektronische weg aangifte heeft gedaan, niet de vereiste aangiften gedaan als bedoeld in artikel 27e, aanhef en onder a, van de AWR, hetgeen in beginsel een zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure meebrengt. Deze sanctie acht het Hof in een geval als het onderhavige – waarin weliswaar niet de vereiste elektronische aangiften zijn ingediend, maar wel – naar tussen partijen niet in geschil is – een (gecombineerde) papieren aangifte – echter onevenredig. Daarom zal het Hof de sanctie beperken tot een omkering van de bewijslast. Op belanghebbende rust derhalve de last aannemelijk te maken dat de onderwerpelijke aanslagen niet juist zijn vastgesteld.

4.7. Belanghebbende heeft in deze procedure echter niets aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij hierin is geslaagd. Het hoger beroep van belanghebbende faalt derhalve in zoverre.

4.8. De omstandigheid dat hier sprake is van een zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de Inspecteur niet van de op hem rustende verplichting het belastbare inkomen respectievelijk premie-inkomen op redelijke wijze te schatten. Hij mag niet naar willekeur handelen. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof gesteld en het Hof acht zulks aannemelijk: dat belanghebbende in 2004 een belastbare winst heeft genoten van € 15.000 en in 2006 van € 22.000, dat – volgens de jaarstukken van belanghebbende – het ondernemingsvermogen van belanghebbende ultimo 2004 € 3.400 beliep en per 1 januari 2006 € 21.226 en dat de onttrekkingen in 2004 € 14.605 bedroegen en in 2006 € 22.797. Gelet hierop, acht het Hof de schatting door de Inspecteur van een belastbare winst van € 25.000 voor 2005 niet onredelijk. Dit geldt evenzeer voor het geschatte premie-inkomen van € 20.050 (het wettelijke maximum in 2005). Voor het overige heeft de Inspecteur aangeknoopt bij de hem bekende gegevens met betrekking tot de eigen woning en met betrekking tot het vermogen van belanghebbende. Belanghebbende heeft niets aangevoerd met betrekking tot de schattingen van de Inspecteur. De conclusie is derhalve gerechtvaardigd dat niet kan worden gezegd dat de Inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen willekeurig te werk is gegaan.

4.9. Het hoger beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen de boetebeschikking. Met betrekking tot de verzuimboete heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd. Het Hof is ambtshalve niet gebleken dat die boete ten onrechte is opgelegd. Een boete van per saldo € 226 acht het Hof te dezen passend en geboden.

4.10. Met betrekking tot de heffingsrente heeft belanghebbende evenmin zelfstandige grieven aangevoerd. Nu het vastgestelde belastbare inkomen respectievelijk het vastgestelde premie-inkomen in stand wordt gelaten, bestaat in zoverre geen grond de in rekening gebrachte heffingsrente te verminderen. Ook overigens is niet gebleken dat de heffingsrente ten onrechte in rekening is gebracht.

4.11. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Luggenhorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2011.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Luggenhorst) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.