Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP1422

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
24-002064-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmaatverweer. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op een supermarkt en het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Verdachte is de initiatiefnemer van de overval geweest en er is niet gebleken van concrete voornemens om in de toekomst op een positieve wijze aan zijn problemen te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002064-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-653047-10

Arrest van 19 januari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 augustus 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft beslist op de vorderingen van benadeelde partijen en heeft maatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake het hem onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vorderingen zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - met inachtneming van de wijziging die ter terechtzitting in hoger beroep is toegelaten - ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 22 februari 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 3684 Euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer aldaar aanwezige klanten en/of medewerkers van de [bedrijf], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- als bouwvakkers vermomd en/of met gedeeltelijk (met plaksnor(ren) en/of pruik(en)) vermomde en/of bedekte gezicht(en)/hoofd(en) de [bedrijf] is/zijn binnengegaan en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen en/of geschreeuwd en/of gezegd: "Dit is een overval, geef mij het geld. Doe die plofkoffer open." en/of "Maak die deur open of ik schiet je kapot" en/of

- op die [slachtoffer 2] een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver gericht heeft/hebben gehouden en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen om plat op zijn buik op de grond te gaan liggen en/of

- die [benadeelde 3] een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gezet en/of gehouden en/of (telkens) een (doorgeladen) vuurwapen/pistool op die [benadeelde 3] gericht heeft/hebben gehouden en/of die [benadeelde 3] (telkens) een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver heeft/hebben getoond en/of

- die [benadeelde 3] het bestelkantoor heeft/hebben ingeduwd en/of tegen die [benadeelde 3] heeft/hebben gezegd: "Meekomen, jij, meekomen" en/of "Maak die deur open, of ik schiet je kapot" en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) aan de kant heeft/hebben geduwd en/of

- een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver op die [benadeelde 1] heeft/hebben gericht, en/of

- tegen die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft/hebben geroepen en/of gezegd: "Teringlijers, hier heb ik niets aan. Ik wil groot geld." en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 3] een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver heeft/hebben getoond en/of

- met een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver door die supermarkt heeft/hebben gelopen en/of dat/die (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver aan een of meer medewerker(s) en/of winkelend publiek heeft/hebben getoond;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 februari 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[benadeelde 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] en/of

[benadeelde 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer aldaar aanwezige klanten en/of medewerkers van de [bedrijf] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 3684 Euro), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- als bouwvakkers vermomd en/of met gedeeltelijk (met plaksnor(ren) en/of pruik(en)) vermomde en/of bedekte gezicht(en)/hoofd(en) de [bedrijf] is/zijn binnengegaan en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen en/of geschreeuwd en/of gezegd: "Dit is een overval, geef mij het geld. Doe die plofkoffer open." en/of "Maak die deur open of ik schiet je kapot" en/of

- op die [slachtoffer 2] een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver gericht heeft/hebben gehouden en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen om plat op zijn buik op de grond te gaan liggen en/of

- die [benadeelde 3] een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gezet en/of gehouden en/of (telkens) een (doorgeladen) vuurwapen/pistool op die [benadeelde 3] gericht heeft/hebben gehouden en/of die [benadeelde 3] (telkens) een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver heeft/hebben getoond en/of

- die [benadeelde 3] het bestelkantoor heeft/hebben ingeduwd en/of tegen die [benadeelde 3] heeft/hebben gezegd: "Meekomen, jij, meekomen" en/of "Maak die deur open, of ik schiet je kapot" en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) aan de kant heeft/hebben geduwd en/of

- een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver op die [benadeelde 1] heeft/hebben gericht, en/of

- tegen die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft/hebben geroepen en/of gezegd: "Teringlijers, hier heb ik niets aan. Ik wil groot geld." en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 3] een (doorgeladen) vuurwapen/pistool/revolver heeft/hebben getoond en/of

- met een doorgeladen vuurwapen/pistool/revolver door die supermarkt heeft/hebben gelopen en/of dat/die vuurwapen/pistool/revolver aan een of meer medewerker(s) en/of winkelend publiek heeft/hebben getoond;

2.

hij op of omstreeks 22 februari 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een of meer wapens en/of munitie van categorie II en categorie III, te weten een pistool (Millenium, cal .40 en nummer [nummer]) en/of een revolver (Partner OZ, nummer [nummer]) en/of zestien, althans een of meer, scherpe patro(o)n(en), voorhanden heeft/hebben gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 22 februari 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (3545,67 Euro), toebehorende aan [bedrijf], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

[benadeelde 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [slachtoffer 3] en aldaar aanwezige klanten van de [bedrijf], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader

- als bouwvakkers vermomd en met gedeeltelijk (met plaksnorren en pruiken) vermomde en bedekte gezichten/hoofden de [bedrijf] zijn binnengegaan en

- tegen die [slachtoffer 2] hebben geroepen of geschreeuwd of gezegd: "Dit is een overval, geef mij het geld. Doe die plofkoffer open." En "Maak die deur open" en

- op die [slachtoffer 2] een (doorgeladen) vuurwapen gericht hebben gehouden en die [slachtoffer 2] hebben gedwongen om plat op zijn buik op de grond te gaan liggen en

- een (doorgeladen) vuurwapen op die [benadeelde 3] gericht hebben gehouden en

- die [benadeelde 3] het bestelkantoor hebben ingeduwd en tegen die [benadeelde 3] hebben gezegd: "Meekomen, jij, meekomen" en "Maak die deur open, of ik schiet je kapot" en

- die [slachtoffer 1] (met kracht) aan de kant hebben geduwd en

- een (doorgeladen) vuurwapen op die [benadeelde 1] hebben gericht, en

- tegen die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben geroepen of gezegd: "Teringlijers, hier heb ik niets aan. Ik wil groot geld." en

- met een (doorgeladen) vuurwapen door die supermarkt hebben gelopen en dat vuurwapen aan winkelend publiek hebben getoond;

2.

hij op 22 februari 2010 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie II en categorie III en munitie van categorie III, te weten een pistool (Millenium, cal .40 en nummer [nummer]) en een revolver (Partner OZ, nummer [nummer]) en 16 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1 primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

onder 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een (vuur)wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op een supermarkt te [plaats] waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat op dat moment een geldtransport zou plaatsvinden. Zij hebben hierbij grof geweld gebruikt en angstaanjagende bedreigingen geuit tegen zowel de 'geldloper' als een aantal medewerkers van de supermarkt. De slachtoffers hebben door verdachte en zijn mededader meegenomen vuurwapens op hen gericht gezien, waarbij aangevers [slachtoffer 2] en [benadeelde 3] zelfs een vuurwapen op hun hoofd gericht hebben gehad. Achteraf is gebleken dat beide vuurwapens op scherp stonden.

Het hof is van oordeel dat het om een brutale overval gaat, die tevoren goed overdacht en voorbereid is en waarbij niet is geschroomd de zich in de supermarkt bevindende personen grote vrees aan te jagen. Dat van dit laatste ook daadwerkelijk sprake is geweest, blijkt - onder meer - uit de zich in het dossier bevindende vorderingen van de benadeelde partijen. Verdachte en zijn mededader hebben tevens de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en (bijbehorende) munitie.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 20 december 2010 heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, ter zake waarvan verdachte in 2002 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en zes maanden is veroordeeld.

Uit de zich in het dossier bevindende appelschriftuur van de officier van justitie en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het appel van het openbaar ministerie met name gericht is tegen de door de rechtbank opgelegde straf. De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg ter zake van het verdachte onder 1 primair en 2 (met uitzondering van de ten laste gelegde revolver) - onder meer - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de duur van deze straf, gelet op het huidige straftoemetingsbeleid ten aanzien van overvallen, zoals ook neergelegd in de oriëntatiepunten van het hof, en de aard en de ernst van de onderhavige ten laste gelegde overval, onvoldoende moet worden geacht.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep - met zoveel woorden - aangevoerd dat er sprake zou zijn van een discrepantie tussen het straftoemetingsbeleid waarop de advocaat-generaal zich baseert en de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de raadsman verwezen naar een aantal uitspraken in - volgens hem - met het onder 1 ten laste gelegde feit vergelijkbare zaken. Zijn conclusie is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die van langere duur is dan drie jaren in onderhavige zaak niet kan worden opgelegd.

Het hof ziet in het betoog van de raadsman geen reden om niet uit te gaan van de oriëntatiepunten van het hof ten aanzien van de strafmaat in dergelijke zaken. De door de raadsman als gelijk aan onderhavige zaak gepresenteerde gevallen blijken bij nadere bestudering voor de straftoemeting andere - niet vergelijkbare - kenmerken te bevatten. Bovendien geldt in zijn algemeenheid dat, zonder kennis van het achterliggende dossier en eventuele bijzondere omstandigheden, een oordeel over de vergelijkbaarheid van zaken moeilijk te geven is. Gelet hierop acht het hof het des te belangrijker om de door het hof vastgestelde oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt te (blijven) nemen, welke oriëntatiepunten immers mede zijn opgesteld om te komen tot een consistent straftoemetingsbeleid.

Het hof hanteert ter zake van strafbare feiten als het onder 1 bewezen verklaarde feit oriëntatiepunten die in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden impliceren. Strafverzwarend werkt dat verdachte de overval met een mededader heeft gepleegd, dat er sprake is van meer dan één slachtoffer en dat er bij verdachte - zoals reeds benoemd - relevante recidive bestaat. Op basis hiervan dient naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden als uitgangspunt voor de straftoemeting in onderhavige zaak te gelden. Daarenboven weegt het hof in het nadeel van verdachte mee dat verdachte de initiatiefnemer van de overval is geweest. Voorts is het hof niet gebleken van concrete voornemens van verdachte om in de toekomst op een positieve wijze iets aan de door hem beschreven uitzichtloze situatie en financiële problemen te willen veranderen.

Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in ogenschouw genomen, doet de in eerste aanleg opgelegde straf onvoldoende recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Het hof acht gelet op het bovenstaande de door de advocaat-generaal gevorderde straf evenmin passend en geboden. De door de advocaat-generaal aangevoerde strafverzwarende omstandigheden liggen reeds besloten in de door het hof opgestelde oriëntatiepunten en rechtvaardigen met de gegeven motivering naar het oordeel van het hof niet de door de advocaat-generaal berekende strafverhoging.

Het hof zal gelet op al het vorenstaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij [benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort, voor zover die vordering in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade. In eerste aanleg heeft de rechtbank deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 500,-.

Vaststaat dat door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit de benadeelde partij schade heeft geleden, die aan verdachte is toe te rekenen. Nu de vordering van de zijde van de verdediging niet is weersproken en de vordering het hof voorts niet ongegrond of onbillijk voorkomt, wijst het hof de vordering toe, met dien verstande dat indien de mededader van verdachte dit bedrag of een gedeelte hiervan heeft betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Het hof bepaalt voorts dat verdachte - als de in het ongelijk gestelde partij - te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd wegens materiële schade en immateriële schade. De benadeelde partij heeft de materiële schade gewaardeerd op € 22,50. De omvang van de immateriële schade wordt begroot op € 1.650,-.

Vaststaat dat door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit de benadeelde partij schade heeft geleden, die aan verdachte is toe te rekenen. Nu de vordering ten aanzien van de materiële schadevergoeding van de zijde van de verdediging niet is weersproken en de vordering het hof voorts niet ongegrond of onbillijk voorkomt, wijst het hof dit deel van de vordering in zijn geheel toe. Voor wat betreft het immateriële deel van de vordering stelt het hof het toe te wijzen bedrag naar redelijkheid en billijkheid vast op € 500,- en wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding voor het overige af.

Gelet op vorenstaande zal de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen tot een bedrag van € 522,50, met dien verstande dat indien de indien de mededader van verdachte dit bedrag of een gedeelte hiervan heeft betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Het hof bepaalt voorts dat de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade. De omvang van de immateriële schade wordt begroot op € 1.650,-.

Vaststaat dat door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit de benadeelde partij schade heeft geleden, die aan verdachte is toe te rekenen. Het hof stelt het toe te wijzen bedrag naar redelijkheid en billijkheid vast op € 500,- en wijst de vordering voor het overige af.

Gelet op vorenstaande zal de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen tot een bedrag van € 500,- met dien verstande dat indien de indien de mededader van verdachte dit bedrag of een gedeelte hiervan heeft betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Het hof bepaalt voorts dat de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadvergoedingsmaatregel

Het hof zal voornoemde bedragen tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd aangaande het achterwege laten van het opleggen van vorenbedoelde maatregel, dan wel het matigen van de toe te passen vervangende hechtenis, ziet het hof geen aanleiding om hiertoe over te gaan.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfhonderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfhonderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfhonderdtweeëntwintig euro en vijftig cent, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfhonderdtweeëntwintig euro en vijftig cent, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfhonderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfhonderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.