Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP1199

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
200.055.968
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu partijen over indexering van de kinderalimentatie niets hebben vastgelegd, geldt in beginsel de wettelijke regeling van indexering. Op man berust bewijslast dat partijen bij overeenkomst van de wettelijke regel zijn afgeweken, in welk bewijs hij niet is geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 13 januari 2011

Zaaknummer 200.055.968

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam],

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de appellanten,

tevens gemachtigde van de jongmeerderjarige

[naam],

hierna te noemen: [ ]/de jongmeerderjarige,

beiden wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M. van den Eshof,

kantoorhoudende te Dronten,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Stoel,

kantoorhoudende te Dronten.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 2 november 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van de vrouw tot wijziging van de beschikking van 25 januari 2006 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - bepaald dat de man met ingang van 27 maart 2009 aan de vrouw een bijdrage betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [1995] in de gemeente [plaats], ten bedrage van € 300,- per maand en aan [jongmeerderjarige], geboren op [1991] in de gemeente [plaats], een bijdrage van € 300,- per maand in haar levensonderhoud en studie.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de te betalen bijdragen eerst van rechtswege worden verhoogd op 1 januari 2011 met het dan ingaande wettelijke indexeringspercentage.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 2 februari 2010, heeft de vrouw (mede namens de jongmeerderjarige) verzocht de beschikking van 2 november 2009 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van 1 januari 2008 onderhevig te laten zijn aan de wettelijke indexatie als bedoeld in artikel 1:402a BW, althans op zodanig ander tijdstip als het hof in goede justitie meent dat juist is.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 14 april 2010, heeft de man het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek van de vrouw dan wel afwijzing van haar verzoek. Tevens heeft hij daarbij incidenteel appel ingesteld en het hof verzocht de beschikking waarvan beroep deels te vernietigen en te bepalen dat wijziging van rechtswege van de (gewijzigd vastgestelde) bijdragen geheel is uitgesloten ex artikel 1:402a lid 5 BW.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 mei 2010, heeft de vrouw het verzoek in incidenteel appel bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een op 4 februari 2010 ingekomen machtiging van de jongmeerderjarige aan de vrouw om voor en namens haar in onderhavige procedure op te treden.

Ter zitting van 28 oktober 2010 is de zaak behandeld. Partijen en de jongmeerderjarige zijn daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van den Eshof heeft een pleitnota overgelegd.

De beoordeling

Vooraf

1. Gelet op de op 4 februari 2010 ingekomen machtiging, de gedingstukken en het ter zitting verhandelde, verstaat het hof het verzoek van de vrouw aldus dat het ook heeft te gelden voor de aan [jongmeerderjarige] te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie. De man wordt door deze gang van zaken naar het oordeel van het hof niet geschaad.

Overwegingen

2. Voor de weergave van de vaststaande feiten verwijst het hof naar de beschikking waarvan beroep.

3. Uit de bestreden beschikking blijkt dat ter zitting van de rechtbank is komen vast te staan dat partijen in 2007 een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot een door de man te betalen kinderbijdrage, inhoudende dat de man € 300,- per kind per maand zal voldoen. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang -geoordeeld dat partijen aan deze afspraak gevolg dienen te geven en dat er geen aanleiding is af te wijken van het uitgangspunt dat de alimentatie niet eerder wordt gewijzigd dan met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 27 maart 2009. De rechtbank heeft vervolgens beslist als hiervoor onder 'Het geding in eerste aanleg' is weergegeven.

4. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zij is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de wettelijke indexering niet eerder dan in 2011 van toepassing zal zijn op de door partijen in maart 2007 gemaakte afspraak. Voor zover haar beroep ook ziet op de wettelijke indexering van de bij beschikking van 25 januari 2006 vastgestelde kinderbijdragen, wijst het hof erop dat uit de door de rechtbank vastgestelde feiten blijkt dat indexering van de toen vastgestelde bedragen niet leidt tot hogere bijdragen dan thans bij de bestreden beschikking door de rechtbank is vastgesteld. Het hof zal daarom deze grief passeren.

5. De man stelt in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de bijdragen met ingang van 1 januari 2011 worden geïndexeerd omdat partijen zijn overeengekomen de wettelijke indexering geheel uit te sluiten. De vrouw heeft dit standpunt bestreden.

6. Het hof overweegt het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in maart 2007 overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de door de man te betalen kinderbijdragen. In afwijking van de bij beschikking van 25 januari 2006 vastgestelde bijdragen van € 250,- per kind per maand en een partneralimentatie van € 87,- per maand, hebben partijen toen afgesproken dat de man slechts kinderbijdragen zou voldoen van € 300,- per kind per maand. Over de indexatie van deze bedragen is niets vastgelegd.

7. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402a lid 1 BW worden de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bijdragen voor levensonderhoud van rechtswege jaarlijks geïndexeerd met een door de Minister van Justitie vast te stellen percentage. Nu partijen over de indexatie van de kinderbijdragen niets hebben vastgelegd, geldt in beginsel deze wettelijke regel.

8. Vorenstaande is slechts anders wanneer - voor zover hier van belang - bij overeenkomst is afgeweken van de verhoging van rechtswege (art. 1:402a lid 5 BW). De bewijslast hiervan rust op de man nu hij zich op uitsluiting van de wettelijke indexering beroept.

9. Naar het oordeel van het hof is de man niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Uit de omstandigheid dat partijen in maart 2007 in een gesprek tussen partijen en hun advocaten de door de rechtbank vastgestelde kinderbijdragen met € 50,- per kind per maand hebben verhoogd, kan voornoemde afspraak niet worden afgeleid. Temeer niet nu tegenover de verhoging van de kinderbijdragen het prijsgeven van de partneralimentatie staat. Wanneer partijen hadden willen afzien van de indexering van rechtswege had een duidelijk vastgelegde afspraak hierover voor de hand gelegen. Dat de vrouw ter zitting van de rechtbank de indexering niet expliciet aan de orde zou hebben gesteld, rechtvaardigt geen ander oordeel. Anders dan de man meent kan hier ook niet uit worden afgeleid dat de vrouw heeft berust in het niet-indexeren van de kinderbijdragen.

10. De uitsluiting van de wettelijke indexering kan evenmin worden gebaseerd op de door de man genoemde twee brieven uit 2009 van Groenewegen en Partners, gerechtsdeurwaarders. In deze brieven wordt weliswaar gesproken over een bijdrage van € 300,- per kind per maand, maar hieraan kan, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen, (een bevestiging van) het afzien van de wettelijke verhoging niet worden ontleend. Voor een begin van bewijs acht het hof dit onvoldoende. Nu de man overigens geen bewijsaanbod heeft gedaan, treft zijn grief geen doel. Het hof zal de wettelijke indexering toepassen.

11. De vrouw heeft in haar beroepschrift geen grief gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 27 maart 2009. Het hof zal daarom deze ingangsdatum hanteren en de indexering laten ingaan per 1 januari 2010. De omstandigheid dat de afspraak tussen partijen dateert van maart 2007 is onvoldoende reden om anders te oordelen. De man zal de bijdragen, zoals gebruikelijk, bij vooruitbetaling dienen te voldoen. Het verzoek van de vrouw om de betalingsdatum te bepalen op de eerste van de maand, zal het hof niet volgen omdat onvoldoende gronden zijn aangevoerd om af te wijken van hetgeen gebruikelijk is. Wel zal het hof in aanvulling op de bestreden beschikking de vooruitbetaling uitdrukkelijk opnemen in het dictum.

Slotsom

12. Het vorenstaande betekent dat de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk dient te worden vernietigd. Het hof zal beslissen zoals hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de verhoging van rechtswege betreft;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt dat de bij de bestreden beschikking van 2 november 2009 gewijzigde bijdragen jaarlijks worden verhoogd met het voor dat jaar geldende wettelijke indexeringspercentage, zulks voor het eerst met ingang van 1 januari 2010;

bepaalt dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw en de jongmeerderjarige dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Aldus gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, G.M. van der Meer en

K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

13 januari 2011 in bijzijn van de griffier.