Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP0854

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
200.042.328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 3:311, 6:2, 6:80 6:248 en 6:265 BW

Vordering tot ontbinding op de grond dat de pachter het melkquotum heeft verkocht. Geen verjaring van het vorderingsrecht, noch rechtsverwerking of beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.

Het hof herhaalt de belangrijkste overwegingen uit het arrest van 9 november 2010, LJN BO3607 over de betekenis van art. 6:80 BW.

Nieuwe grief na memorie van grieven naar het voorlopig oordeel van het hof toelaatbaar. Het hof beveelt een voortzetting van het partijdebat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.042.328

(zaaknummer rechtbank 592008)

arrest van de pachtkamer van 11 januari 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.J. Suijver.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 3 november 2009 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge genoemd arrest heeft het hof met partijen gecompareerd. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.3 Het vervolg van de procedure blijkt uit:

¦ de memorie van grieven van [appellante];

¦ de memorie van antwoord van [geïntimeerde];

¦ de akte van [appellante];

¦ de akte van depot onder nummer 15/2010;

¦ de antwoordakte van [geïntimeerde].

1.4 Partijen hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, onder meer de navolgende feiten vast.

2.2 Partijen zijn zusters van elkaar. Zowel de nalatenschap van de vader (overleden op 30 september 1979) als van de moeder van partijen (overleden op 23 mei 2007) is nog onverdeeld. [appellante] en [geïntimeerde] zijn beide erfgenamen van hun vader. [geïntimeerde] is als enige erfgename van de moeder van partijen.

2.3 Tot de onverdeelde boedel(s) behoren de navolgende percelen landbouwgrond, waarvan [appellante] pachter is en [geïntimeerde] en [appellante] thans door erfopvolging verpachters ([geïntimeerde] voor 5/6 gedeelte en [appellante] voor 1/6 gedeelte):

¦ het perceel kadastraal bekend gemeente [.....], groot 0.26.20 ha;

¦ het perceel kadastraal bekend gemeente [.....], groot 0.02.70 ha;

¦ het perceel kadastraal bekend gemeente [.....], groot 6.95.10 ha;

¦ het perceel kadastraal bekend gemeente [.....], groot 3.02.70 ha.

2.4 [appellante] heeft haar melkveebedrijf beëindigd en het tot haar bedrijf behorende melkquotum verkocht.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Ten overstaan van de pachtkamer in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd, na eiswijziging en kort samengevat, ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van het gepachte, alsmede vergoeding van de waarde van het met het gepachte samenhangende quotum. Bij het bestreden vonnis van 30 juli 2009 (zoals gecorrigeerd op 9 september 2009) heeft de pachtkamer in eerste aanleg de pachtovereenkomst ontbonden en [appellante] tot ontruiming veroordeeld. Wat betreft de vordering tot vergoeding van de waarde van het quotum is bij bedoeld vonnis de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van repliek.

3.2 Met grief I, die betrekking heeft op de feiten waarvan de pachtkamer in eerste aanleg is uitgegaan, heeft het hof hiervoor onder 2.3 rekening gehouden. Gelet daarop heeft [appellante] bij de grief geen belang meer.

3.3 Met grief II beroept [appellante] zich erop dat tussen partijen zou zijn overeengekomen om eventuele aanspraken op het melkquotum buiten de verdeling van de nalatenschap van hun grootmoeder te houden. In dit verband beroept [appellante] zich onder meer op het vonnis van de rechtbank Arnhem van 27 februari 2008. Volgens [appellante] is in verband met een en ander sprake van misbruik van procesrecht.

3.4 Het standpunt van [appellante] is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere toelichting, die achterwege is gebleven, valt niet in te zien hoe de afspraak om eventuele aanspraken op het melkquotum buiten de verdeling van de nalatenschap van de grootmoeder van partijen (dus niet die van de ouders van partijen) te houden, zou kunnen bijdragen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht. Ook de enkele omstandigheid dat eventuele aanspraken ter zake van het quotum volgens diezelfde afspraak desgewenst aan de orde kunnen komen bij de verdeling van de nalatenschap van de ouders van partijen, maakt nog niet dat [geïntimeerde] misbruik van procesrecht maakt door in dit geding ontbinding van de pachtovereenkomst na te streven.

3.5 Met grief III stelt [appellante] zich op het standpunt dat [geïntimeerde] met het instellen van de ontbindingsvordering (ook overigens) misbruik van bevoegdheid of misbruik van (proces)recht maakt. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] geen ander belang bij ontbinding en ontruiming van het gepachte dan de hogere waarde van de desbetreffende percelen in onverpachte staat, welke hogere waarde haar voordeel oplevert in het kader van de verdeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen. Volgens [appellante] “creëert” [geïntimeerde] een wanprestatie die haar op zichzelf in het geheel niet deert, die zij vervolgens inzet om de vrije waarde van de grond te bewerkstelligen.

3.6 De grief faalt. Volgens artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek geeft iedere tekortkoming aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Uitgangspunt van de wetgever is dus, eenvoudig gezegd, dat een partij die met een tekortkoming van haar wederpartij wordt geconfronteerd, met die wederpartij niet verder hoeft en daarom aan de tussen partijen bestaande contractuele rechtsbetrekking een einde moet kunnen maken. Bedoeld uitgangspunt sluit weliswaar niet uit dat met betrekking tot de bevoegdheid tot ontbinding wordt geoordeeld dat sprake is van misbruik van bevoegdheid of misbruik van procesrecht, dan wel dat uitoefening van de bevoegdheid tot ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, maar daartoe is hetgeen [appellante] aanvoert onvoldoende. Anders dan [appellante] lijkt te veronderstellen, is de bevoegdheid tot ontbinding geen doelgebonden bevoegdheid, in die zin dat de bevoegdheid tot ontbinding van een pachtovereenkomst aan de verpachter (uitsluitend) gegeven zou zijn vanwege diens belang bij het gebruik of althans de exploitatie van de grond.

3.7 In de toelichting op grief IV leest het hof diverse bezwaren tegen het bestreden vonnis.

3.8 In de eerste plaats beroept [appellante] zich op verjaring van de vordering tot ontbinding. Volgens haar draagt [geïntimeerde] sinds haar brief van 18 juni 1996 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) kennis van de verkoop van het melkquotum. Zij citeert uit die brief de navolgende passage:

“Mijn cliënt heeft mij andermaal verzekerd dat uw cliënt zijn eigen veehouderijbedrijf heeft verkocht en geleverd aan een derde.”

Zij citeert die brief echter onvolledig. In het vervolg van de brief verzoekt [geïntimeerde], bij monde van haar toenmalige advocaat, om duidelijkheid omtrent de vraag wat [appellante] met het quotum had gedaan. Bij brief van 19 juli 1996 (productie 4 bij inleidende dagvaarding) heeft [appellante], eveneens door tussenkomst van een advocaat, laten weten dat zij er op dat moment niets voor voelde om opening van zaken te geven. Aldus heeft [appellante] het beginpunt van de verjaring onvoldoende toegelicht. Uit de bedoelde correspondentie kan immers niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] met de tekortkoming bekend was in de zin van artikel 3:311 Burgerlijk Wetboek. In dit verband is van belang dat, zoals [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord (p. 5) aanstipt, het quotum destijds langdurig kon worden verleased, zodat uit de beëindiging door [appellante] van de veehouderij niet zonder meer volgde dat het quotum was verkocht. Voor de brief van 29 april 1999 (productie 3 bij inleidende dagvaarding), waarop [appellante] zich mede beroept, geldt opnieuw dat [geïntimeerde] in die brief om opening van zaken vraagt, zodat ook die brief niet zonder nadere toelichting het beginpunt van de verjaring van artikel 3:311 kan zijn. Reeds gelet op een en ander moet het beroep op verjaring falen. In deze zaak behoeft dan ook geen bespreking hoe de verjaring van artikel 3:311 zich verhoudt tot het gegeven dat de verbintenis tot oplevering van het quotum eerst opeisbaar is bij gelegenheid van het einde van de pacht, conform hetgeen hierna onder 3.13 en volgende wordt overwogen.

3.9 [appellante] heeft zich in de tweede plaats beroepen op rechtsverwerking. Ook in zoverre faalt de grief. Uit de door [appellante] aangevoerde feiten volgt niet dat door [geïntimeerde] het vertrouwen is gewekt dat zij geen gebruik zou maken van haar bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Ook in dit verband is van belang dat [geïntimeerde] vergeefs om inlichtingen met betrekking tot het quotum heeft gevraagd. Voor zover [appellante] zich beroept op de vaststellingsovereenkomst die zij als productie 1 bij memorie van grieven overlegt, geldt dat zij onvoldoende de achtergronden van het geschil heeft toegelicht dat met die overeenkomst werd beëindigd. Voor zover [appellante] zich beroept op de bepaling in de als productie 2 bij memorie van grieven overgelegde pachtwijzigingsovereenkomst volgens welke partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen, geldt dat zij die kwijting redelijkerwijs niet op het melkquotum heeft kunnen betrekken, opnieuw omdat zij aan [geïntimeerde] de door deze gevraagde inlichtingen niet had gegeven.

3.10 [appellante] beroept zich in de derde plaats op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (zonder meer). Tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.6 is overwogen, faalt de grief ook in zoverre. De feiten en omstandigheden waarop [appellante] zich beroept zijn onvoldoende om te kunnen oordelen dat uitoefening van de bevoegdheid tot ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.11 Bij haar akte van 6 juli 2010 onder 3 heeft [appellante] een nieuwe grief opgeworpen. Zij bestrijdt op die plaats dat zij bij het einde van de pacht niet in staat zal zijn de grond met het quotum aan de verpachters op te leveren. In dat verband verwijst zij naar artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek en het arrest van deze kamer van 9 februari 2010, zoals gepubliceerd in Agrarisch Recht 2010, 5565. De nieuwe grief komt er aldus op neer dat niet is voldaan aan de voorwaarden die artikel 6:80 stelt voor het inroepen van de gevolgen van niet-nakoming voorafgaand aan het tijdstip van opeisbaarheid.

3.12 Deze nieuwe grief moet worden bezien tegen de achtergrond van een – beperkte, maar voor de onderhavige zaak mogelijk wezenlijke – koerswijziging in de rechtspraak van deze kamer. Die koerswijziging ligt weliswaar min of meer impliciet besloten in diverse uitspraken sinds 2008, maar is door het hof voor het eerst expliciet gemaakt bij arrest van 9 november 2010 (LJN BO3607). Hierna onder 3.13 tot en met 3.17 zal het hof de belangrijkste overwegingen uit dat arrest herhalen.

3.13 Uitgangspunt van de vaste rechtspraak van dit hof met betrekking tot het melkquotum is dat dit quotum naar evenredigheid samenhangt met het gepachte, voor zover dit in het referentiejaar 1983 dienstbaar was aan de melkveehouderij. Indien de pacht wordt beëindigd, ontstaat volgens dezelfde rechtspraak op het moment van die beëindiging een aanspraak van de verpachter op oplevering van een evenredig gedeelte van het met het oorspronkelijk gepachte samenhangende quotum, waartegenover de pachter aanspraak kan maken op vergoeding van in beginsel de helft van de waarde van dat gedeelte.

3.14 De verbintenis tot het opleveren van het met het gepachte samenhangende quotum werpt haar schaduw vooruit, in die zin dat een goed pachter reeds tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst rekening zal houden met het bestaan van die verbintenis en al datgene zal nalaten wat hem eventueel in de onmogelijkheid brengt om die verbintenis na te komen op het moment dat zij opeisbaar wordt. Dit laatste is in de rechtspraak van dit hof meer dan eens aldus opgevat als zou op de pachter een (zelfstandige) verbintenis rusten om het melkquotum tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst niet te vervreemden. Strikt genomen zou die opvatting tot consequentie hebben dat de pachter die het quotum zonder toestemming van de verpachter vervreemdt, ook dan wanprestatie pleegt wanneer hij afdoende maatregelen heeft getroffen om te waarborgen dat hij bij gelegenheid van het einde van de pacht in staat zal zijn om het met het gepachte samenhangende melkquotum, althans een gelijke hoeveelheid quotum, aan de verpachter op te leveren.

3.15 De meer recente rechtspraak van dit hof gaat van een andere opvatting uit en plaatst hetgeen de pachter tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst met betrekking tot het melkquotum doet en nalaat in de sleutel van artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek. Ook in de huidige opvatting van het hof zal de verpachter die tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst wordt geconfronteerd met vervreemding van het melkquotum door de pachter, veelal uit wanprestatie kunnen ageren, zij het ook dat de grondslag van zijn vorderingsrecht zal moeten zijn de verbintenis om bij gelegenheid van het einde van de pacht het met het gepachte samenhangende quotum aan de verpachter op te leveren. Die verbintenis is weliswaar pas opeisbaar bij het einde van de pacht, maar de gevolgen van de niet-nakoming ervan treden volgens artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek in de in die bepaling bedoelde gevallen reeds vóór het moment van opeisbaarheid in. Tot die gevallen behoort onder meer het geval dat vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn (artikel 6:80 lid 1 onder a), alsook het geval dat de schuldeiser, kort gezegd, op goede gronden de schuldenaar heeft aangemaand en deze zich niet binnen de door de schuldeiser gestelde termijn bereid heeft verklaard om zijn verplichtingen na te komen (artikel 6:80 lid 1 onder c).

3.16 In verband met onder meer de zeer aanzienlijke waarde die een melkquotum van enige omvang (althans op dit moment) vertegenwoordigt, behoort van de pachter die het melkquotum heeft verkocht maar betwist dat zich een van de in artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek omschreven gevallen voordoet, te worden gevergd dat hij gemotiveerd aangeeft op welke wijze de correcte nakoming van de verbintenis tot oplevering van het quotum bij het einde van de pacht is verzekerd. De pachter kan dus niet volstaan met een niet of nauwelijks gemotiveerde betwisting van de stellingen van de verpachter dienaangaande.

3.17 Indien aan de vereisten die artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek stelt is voldaan, kan de verpachter, behalve vervangende schadevergoeding, ook ontbinding van de pachtovereenkomst vorderen. Daaraan staat niet in de weg dat de verbintenis tot oplevering van het quotum niet tot de hoofdverplichtingen van de pachtovereenkomst behoort. Volgens artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek geeft immers iedere tekortkoming de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Wel zal de pachter – evenals in ieder ander geval van een beroep op ontbinding – het verweer kunnen opwerpen dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling van de gegrondheid van dat verweer zal de pachtrechter dienen te letten op alle omstandigheden van het geval, waaronder de waarde die het melkquotum vertegenwoordigt en de ernst van het verwijt dat de pachter ter zake van de vervreemding van het melkquotum kan worden gemaakt.

3.18 Het late stadium waarin de grief is opgeworpen, lijkt te worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de bedoelde koerswijziging in de rechtspraak van deze kamer tot 9 november 2010 niet expliciet was gemaakt. In verband daarmee is de grief naar ’s hofs voorlopig oordeel toelaatbaar, hoewel niet bij memorie van grieven opgeworpen.

3.19 Uit de reactie op de nieuwe grief van [geïntimeerde] (p. 3 van haar antwoordakte) volgt dat [geïntimeerde] de strekking van de grief niet ten volle doorgrondt; zo stelt zij zich niet (duidelijk) op het standpunt dat aan de vereisten die artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek stelt, wordt voldaan. Ook die onvolkomenheid in het partijdebat lijkt te verontschuldigen.

3.20 [geïntimeerde] dient bij akte alsnog een standpunt in te nemen omtrent de vraag of in het onderhavige geval wordt voldaan aan de vereisten die artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek stelt. Indien zij die vraag bevestigend beantwoordt, zal het volgens hetgeen hiervoor onder 3.16 is overwogen vervolgens op de weg liggen van [appellante] om bij antwoordakte nader te motiveren haar standpunt dat aan die vereisten niet is voldaan. Zij zal desgewenst producties in het geding kunnen brengen waaruit kan volgen dat de correcte nakoming van de verbintenis tot oplevering van het quotum bij het einde van de pacht is verzekerd. Het met de nieuwe grief van [appellante] heropende partijdebat zal vervolgens worden afgerond met een (nieuwe) comparitie van partijen, zodat partijen over en weer op elkaars nadere standpunt zullen kunnen reageren. Partijen kunnen bij hun akten en ter zitting desgewenst ook de toelaatbaarheid van de nieuwe grief bediscussiëren.

3.21 Ter gelegenheid van de comparitie van partijen dient [geïntimeerde] voorts toe te lichten hoe de opgave van (kadastrale) gegevens bij memorie van antwoord onder 1 zich verhoudt tot hetgeen waarvan de rechtbank in eerste aanleg en het hof hiervoor onder 2.3 zijn uitgegaan. Met name wil het hof weten of het perceel [.....], is hernummerd.

3.22 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Dat geldt ook wat betreft grief V, die de behandeling van de vordering tot afrekening van het quotum betreft.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 1 februari 2011 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld onder 3.20;

bepaalt dat partijen in persoon tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk, in aanwezigheid van het deskundige lid ir. H.B.M. Duenk, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 3.20 bedoeld;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden februari, maart en april 2010 zullen opgeven op de rol van 1 februari 2011, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en M.G.W.M. Stienissenen de deskundige leden ir. H.B.M. Duenk en F.J.A. baron van Verschuer, en is in tegenwoordig-heid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2011.