Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:BP0704

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
24-000972-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdacht wordt ter zake van een poging tot doodslag veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Bewijsoverweging omtrent feitelijke toedracht en het opzet. Bij de strafoplegging heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat verdachte zich kennelijk in zijn eer en goed naam aangetast heeft gevoeld en om die reden verhaal is gaan halen bij het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000972-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-400365-09

Arrest van 12 januari 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 april 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Veenhuizen, gevangenis Bankenbosch BB te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 29 december 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het aan hem primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden onvoorwaardelijk, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 23 december 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] krachtig met een mes in de rechter- en/of rugzijde van diens lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 december 2009 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond in de flank, deze is zo diep dat zowel de borstholte als de buikholte door een kleine wond zijn geopend), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en krachtig met een mes in de rechter- en/of rugzijde van diens lichaam te steken;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 december 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] krachtig met een mes in de rechter- en/of rugzijde van diens lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof primair betoogd dat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Hij heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat -gelet op de lezing die verdachte van het incident heeft gegeven- er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De lezing van verdachte, inhoudende dat sprake was van een ongeluk waarbij aangever in het mes is gevallen, is niet minder waarschijnlijk dan het relaas van aangever, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman voor het primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van het (voorwaardelijk) opzet om aangever van het leven te beroven. Verdachte heeft reflexmatig gehandeld. Er was derhalve geen sprake van een situatie waarin verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden.

Het hof gaat uit van de volgende feitelijke toedracht. Tussen verdachte en aangever bestaat verschil van mening over de aanleiding en het verloop van de schermutseling die tussen beiden is ontstaan. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof een andere lezing gegeven van hetgeen is voorgevallen dan hij heeft gedaan in de eerste verklaringen na zijn aanhouding op 23 december 2009 bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris. Het hof gaat uit van de lezing van aangever en komt hiertoe omdat deze lezing steun vindt in andere verklaringen zoals hierna wordt aangegeven.

Aangever [slachtoffer] heeft over de worsteling tegenover de politie het volgende verklaard. Hij stond samen met verdachte buiten het wijkcentrum te praten. Op een gegeven moment kwam " [getuige 1] " (het hof begrijpt dat hiermee wordt bedoeld getuige [getuige 1] tussen hen in staan. Verdachte werd opstandiger en pakte een mes met een lemmet van ongeveer 15 centimeter. Verdachte begon met het mes te zwaaien en op enig moment daarna neemt aangever een warm en nat gevoel waar op zijn rug. Hij bemerkte dat hij in zijn rug gestoken was. Vervolgens pakte aangever verdachte bij zijn keel en vroeg waarom verdachte hem gestoken had. Verdachte verklaarde daarop: "Zo doe ik dat". Aangever heeft verdachte wederom bij zijn keel gepakt. Aangever werd daarop door verdachte op zijn lip geslagen. Daarna zijn aangever en verdachte op de grond terecht gekomen. Door "[getuige 1]" zijn zij uit elkaar gehaald. [getuige 2] kwam kort daarna in een auto aanrijden. Verdachte werd door [getuige 2] in zijn auto gezet en zij zijn samen in de auto weggereden. Aangever werd daarna op een stoel gezet en is later door een ambulance opgehaald.

Getuige [getuige 1], de beheerder van het wijkcentrum, verklaart bij de politie kort na het voorval dat hij op camerabeelden waarneemt dat er buiten een woordenwisseling ontstond tussen aangever en verdachte. Hij gaat naar buiten om de boel te sussen en probeert tussen beiden te komen. Hij ziet vervolgens verdachte een slaande beweging

-door hem een opstoot genoemd- maken in de richting van aangever. Achteraf denkt hij dat deze beweging met een mes was. Hij ziet vervolgens bloed aan de rechter zijkant van het lichaam van aangever komen. Het bloed stroomde snel. Daarna ziet hij verdachte weggaan.

Getuige [getuige 3] verklaart bij de politie dat, nadat hij van een collega hoort dat er een knokpartij gaande was, bij de deur is gaan staan en op een afstand van zo'n 40 á 50 meter voor het wijkcentrum 6 á 7 mannen ziet staan. Een van die mannen ziet hij een beweging maken van één van zijn armen. Het leek dat die man een klap gaf aan een ander. Die ander dook terug, waarmee hij bedoelt te zeggen dat die ander naar achter stapte. Hij weet niet of die ander ook is geraakt. Getuige verklaart te hebben gezien dat 'de dader iets in één van zijn handen had'. Hij beschrijft de dader als een niet al te grote, stevige Turkse man. Die man werd op een gegeven moment door omstanders tegengehouden en in een auto gezet. De auto, een donkerkleurige BMW, is vervolgens weggereden. De andere Turkse man werd op een stoeltje gezet en later door een ambulance opgehaald.

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte op 24 december 2009 in aanwezigheid van zijn raadsman verklaard dat hij het mes heeft vastgehad en dat hij [slachtoffer] daarmee gestoken heeft. [slachtoffer] zou volgens verdachte hebben gezegd: "Kom maar op". Verdachte verklaarde vervolgens: "Het was hij of ik".

Deze lezing omtrent het steken door verdachte van aangever wordt ondersteund door de verklaring die de echtgenote van verdachte, [naam], tegenover de politie heeft afgelegd.

Op grond van het vorenstaande acht het hof het door de raadsman geopperde scenario dat de steekwond is ontstaan nadat aangever en verdachte op de grond verder vochten, niet aannemelijk.

Anders dan de raadsman acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die heeft gestoken. Het hof is van oordeel dat het steken met een mes met een lemmet van ongeveer 15 centimeter van korte afstand in het bovenlichaam in de buurt van vitale delen naar de uiterlijke verschijningsvorm is aan te merken als te zijn gericht op levensberoving. Uit de letselrapportage blijkt verder dat de steekwond in de flank zo diep is dat zowel de borstholte als de buikholte door een kleine wond zijn geopend. Er had dodelijk letsel aan de long, de lever of nier kunnen plaatsvinden. Voorts blijkt uit de rapportage dat [slachtoffer] een rib heeft gebroken en hieruit leidt het hof af dat verdachte bovendien met kracht heeft gestoken. Op grond van deze omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte opzet had om aangever te doden. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 23 december 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] krachtig met een mes in de rechter- en/of rugzijde van diens lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft [slachtoffer] met kracht met een mes in zijn rug gestoken. Aanleiding voor het incident was dat [slachtoffer] iets gezegd heeft tegen de vrouw van verdachte over het gokgedrag van verdachte. Hierdoor heeft verdachte zich naar eigen zeggen in zijn eer en goede naam aangetast gevoeld en is daarop verhaal gaan halen bij het slachtoffer. [slachtoffer] heeft aan het steekincident ernstig letsel overgehouden, onder meer bestaande uit een diepe wond, een gebroken rib en een klaplong waardoor een blijvende beperking van de ademcapaciteit is ontstaan. De lichamelijke integriteit van het slachtoffer is derhalve in ernstige mate geschonden.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen door of namens verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting van het hof naar voren is gebracht.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, doet alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht aan de ernst van het feit. Mede gelet op het pleidooi van de raadsman zal het hof verdachte een volledig onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. Het hof acht deze straf passend en geboden. Voor het opleggen van een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm zoals door de advocaat-generaal generaal gevorderd ziet het hof geen aanleiding.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier, zijnde mr. J.H. Bosch buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.