Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2011:1698

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
104.004.553tt
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2014:2175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwijging hennepkwekerij in woning. Bewijsopdracht voor verzekerde dat hij met melding van de (strafrechtelijke) feiten wel bij andere verzekeraars is geaccepteerd.

Deze uitspraak is de tweede in een serie van vier. In deze uitspraak kondigt het hof een deskundigenonderzoek aan op welke wijze een verzekeraar in 2005 nadere vragen en onderzoek had ingesteld indien men kennis had genomen van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning. Voort krijgt de verzekerde gelegenheid voor bewijs dat hij met de vermelding van de (strafrechtelijke) feiten bij andere verzekeraars wel verzekeringen heeft afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.004.553

(zaaknummer rechtbank 221.844)

arrest van de tweede civiele kamer van 12 juli 2011

inzake

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. O. Hammerstein,

tegen:

de naamloze vennootschappen

1 ASR Schadeverzekering N.V.

ASR Schadeverzekering N.V.

(voorheen genaamd: Fortis ASR Schadeverzekering N.V.),

2 Reaal Schadeverzekering N.V.

Reaal Schadeverzekering N.V.

(voorheen genaamd: Reaal Verzekeringen N.V.),

3. 3 Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. en

4. 4 Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V.,

gevestigd te respectievelijk Utrecht, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A. Knigge.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 29 juni 2010.

1.2

Fortis c.s. hebben onder overlegging van producties een akte bewijslevering verzocht.

1.3

[Appellant] heeft onder overlegging van producties een antwoordakte verzocht.

1.4

Fortis c.s. hebben onder overlegging van een productie een akte uitlating producties verzocht.

1.5

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof verwijst naar en volhardt bij zijn tussenarrest van 29 juni 2010. Daarbij zijn eerst Fortis c.s. toegelaten tot bewijslevering van feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 4.11 van het tussenarrest en vervolgens [Appellant] tot het tegenbewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 4.10 van het tussenarrest.

2.2

Na het tussenarrest zijn Fortis c.s., ter voldoening aan rov. 4.11 daarvan, tot bewijslevering overgegaan. [Appellant] is nog niet tot tegenbewijslevering overgegaan als bedoeld in rov. 4.10 van het tussenarrest. Op deze kwestie zal het hof later ingaan. Indien [Appellant] bij zijn aanvraag voor de opstal- en inboedelverzekering voor zijn woning op 14 april 2005 geen melding zou hebben gemaakt van de ontdekking op 29 maart 2005 van de hennepkwekerij in die woning en zijn inverzekeringstelling in verband daarmee eind maart 2005, moet de vraag worden beantwoord of Fortis c.s. hebben bewezen dat de verzekeraars als redelijk handelend verzekeraars bij bekendheid met de niet meegedeelde feiten deze verzekeringsovereenkomsten in concreto niet of niet op dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten (het relevantievereiste), waarbij het niet meegedeelde feit moet zien op een omstandigheid waarvan de wetenschap voor de verzekeraar van essentieel belang was voor de beoordeling van het aangeboden risico.

2.3

Bij akte bewijslevering hebben Fortis c.s. een van zes bijgevoegde antwoordberichten voorzien schriftelijk rapport d.d. 2 oktober 2010 overgelegd van prof. mr. J.G.C. Kamphuisen, emeritus hoogleraar in het verzekeringsrecht (verder: Kamphuisen). Volgens dit rapport heeft Kamphuisen zes verzekeraars aangeschreven en daarbij de aan het tussenarrest ontleende feiten voorgelegd (zie het rapport 3.2) en hen vier vragen gesteld (zie het rapport 3.3).

2.4

Op zichzelf heeft [Appellant] terecht aangevoerd dat de bij het rapport (zie 3.1 aldaar) behorende identieke brief aan de verzekeraars ontbrak bij de in het geding gebrachte versie, al moet daarbij worden opgemerkt dat het rapport de inhoud van deze brief grotendeels vermeldt. Op uitnodiging van [Appellant] hebben Fortis c.s. deze standaardbrief vervolgens alsnog in het geding gebracht bij een akte uitlating producties. Nu [Appellant] daarop niet meer heeft gereageerd, gaat het hof ervan uit dat er niet langer onduidelijkheid bij [Appellant] bestaat over hetgeen Kamphuisen aan de verzekeraars heeft geschreven.

Verder maakt Kamphuisen in zijn rapport (4.2) melding van een antwoord van Nationale Nederlanden, terwijl uit de bijgevoegde e-mail van 27 augustus 2010 blijkt dat het antwoord afkomstig is van (mr. G. Pronk, Legal Counsel Legal & Compliance van) ING Verzekeringen N.V., over welke gang van zaken [Appellant] klaagt. Deze klacht ziet er echter aan voorbij dat, naar van algemene bekendheid is, ING (Internationale Nederlanden Groep) een aantal jaren geleden is ontstaan als gevolg van een fusie van Nationale Nederlanden met NMB Postbank Groep. De afzender van de e-mail heeft daarbij niet alleen de webnaam van ING, maar ook die van Nationale Nederlanden (www.nn.nl) opgenomen. Tegen deze achtergrond bevreemdt het niet dat juist ING Verzekeringen N.V. op de brief aan Nationale Nederlanden heeft geantwoord (al is deze laatste inmiddels weer operationeel gesplitst van ING).

2.5

De door Kamphuisen aan de zes verzekeraars gestelde vier vragen luiden als volgt:

"1 Zou uw maatschappij bij bekendheid met de hierboven (…) weergegeven feiten op (omstreeks) 20 april 2005 de verzekering hebben geaccepteerd? Wilt u s.v.p. dat antwoord motiveren?

2. Indien u die vraag ontkennend beantwoordt, is dat dan op grond van het enkele feit dat sprake was van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in het te verzekeren pand of de aanhouding en overige bemoeienis van de politie met [Appellant] .? Wilt u s.v.p. ook dit antwoord motiveren?

3. Bevatten de richtlijnen die door uw maatschappij worden gehanteerd regels, die op een aanvraag tot verzekeringen als de onderhavige van toepassing zouden zijn en die betrekking hebben op deze casus? Indien dat het geval is: zou u de betreffende regels kunnen weergeven?

4. Geven de weergegeven feiten en de gestelde vragen u nog aanleiding tot andere opmerkingen met betrekking tot het te leveren bewijs?"

2.6

Bij de bespreking van de antwoorden van de zes verzekeraars zal het hof de verzekeraars (in verband met hun acceptatiebeleid) slechts met nummers aanduiden en wel in dezelfde volgorde als in het rapport, dat hun antwoorden als volgt verkort weergeeft:

"4.1 – (De eerste verzekeraar) antwoordde:

‘Terugkijkend naar de periode rondom 25 april 2005 zou binnen onze verzekeringsmaatschappij de verzekering niet zijn geaccepteerd en ook beroep zijn gedaan op art. 251 van het Wetboek van Koophandel (verzwijging te kwader trouw). (…)

Daarnaast versterkt het korte tijdsbestek tussen het in verzekering zitten van de aanvrager/verzekeringnemer [Appellant] ter zake van de hennepteelt in zijn woning en het aanvragen van de verzekering het vermoeden, dat de verzwijging te kwader trouw (opzettelijk) gebeurde met de kennelijke bedoeling dit gegeven voor de verzekeraar achter te houden. Door het achterhouden van deze relevante informatie zou de verzekeraar zich geen juist beeld kunnen vormen over het te verzekeren risico en de moraliteit van de verzekeringnemer, hetgeen een belangrijk aspect was en is van ons acceptatiebeleid.

Samenvattend:
Het hebben van een hennepkwekerij of een strafrechtelijk verleden als losstaand feit hoeft niet altijd te leiden tot afwijzing van een verzekeringsaanvraag. De moraliteit van de aanvrager wordt juist bepaald door de eerlijkheid bij het aanvragen van een verzekering, waarbij de antwoorden op het vragenformulier en met name de slotvragen van essentieel belang zijn. Indien aangetoond kan worden dat de kandidaat–verzekeringnemer deze vragen bewust onjuist invulde, is dat doorslaggevend voor ons acceptatieproces en wordt de aanvraag afgewezen. Ik neem aan dat alle redelijk handelende verzekeraars de verzekering niet hadden geaccepteerd, indien zij op het moment van accepteren wisten dat [Appellant] . kort voor de aanvraag in verzekering had gezeten voor hennepteelt (overtreding Opiumwet) en dit niet invulde op zijn aanvraagformulier bij de slotvraag over het strafrechtelijk verleden.’

4.2 – (

De tweede verzekeraar) antwoordde:

‘Zou er sprake zijn van een nieuwe klant of een nieuwe overeenkomst, dan zou het strafrechtelijk verleden, bestaand uit verdenking van het verbouwen van drugs, voor ons een reden zijn om het risico te weigeren. Hieronder druk ik de pagina uit onze kennisbank af, waaruit dat blijkt. Hierbij wil ik je er op attenderen dat wij, in tegenstelling tot de verzekeraars in de geschetste casus, in niet voor misverstand vatbare termen, vragen naar verdenkingen.

(…)

Zoals blijkt uit de acceptatierichtlijnen is inderdaad relevant dat het strafrechtelijk verleden heeft bestaan uit een aanraking met de politie wegens het verbouwen van drugs.

Wij hanteren inderdaad richtlijnen ter beoordeling van het strafrechtelijk verleden. Naast de beoordeling van het strafrechtelijk verleden, hanteren wij ook de regel dat hennepkwekerijen niet acceptabel zijn (voor het geval er geen sprake is van strafrechtelijk verleden).’

4.3 (

De derde verzekeraar) antwoordde:

‘De vraag ‘heeft u nog iets mede te delen omtrent de te verzekeren risico's, personen, of uzelf?’ is ruim en open gesteld. Er blijkt duidelijk uit dat het feit, dat enige weken daarvoor een hennepkwekerij in het pand was ontmanteld, op het formulier aangegeven had moeten worden.

Als we van het feit van de recent ontmantelde hennepkwekerij op de hoogte waren geweest, hadden we dit in elk geval in het acceptatie-proces betrokken, met mogelijk een nader onderzoek naar de feiten, de rol van de verzekeringnemer/verzekerde, het politieonderzoek, etc.

Afhankelijk van deze bevindingen hadden we dan nader kunnen beslissen of we deze zaak geaccepteerd zouden hebben. Dat heeft in het onderhavige geval niet plaats kunnen vinden.

(…)

Het voorgaande impliceert dat, indien de betrokkenheid van de verzekeringnemer/verzekerde bij de hennepkwekerij zou zijn gebleken, wij de verzekering zeker niet geaccepteerd zouden hebben.’

4.4 (

De vierde verzekeraar) antwoordde:

‘Indien bij onze maatschappij een risico als hier bedoeld ter verzekering zou zijn aangeboden en daarbij zou zijn opgegeven

  • -

    dat enkele weken daarvoor een inval van de politie heeft plaatsgevonden in de ter verzekering aangeboden woning waarbij een hennepkwekerij werd aangetroffen, en

  • -

    de aanvrager in verband daarmee twee dagen door de politie in verzekering is gesteld en als verdachte is aangemerkt,

zou dat voor het acceptatietraject tot gevolg hebben dat navraag zou zijn gedaan naar de omstandigheden waaronder zich een en ander heeft afgespeeld en de betrokkenheid van de aanvrager. De uitkomst daarvan laat zich moeilijk met zekerheid voorspellen, maar rekening moet worden gehouden met een afwijzing.

Toelichting:

In onze aanvraagformulieren wordt niet gevraagd naar de aanwezigheid van een hennepkwekerij omdat in de polisvoorwaarden een uitsluiting is opgenomen die tot gevolg heeft dat er geen dekking is voor schade die zich heeft voorgedaan terwijl een illegale activiteit werd uitgeoefend in de woning. Een eventueel strafrechtelijk verleden van de aanvrager is van belang voor de beoordeling van het morele risico. Strafrechtelijke veroordeling in verband met een drugsdelict geldt niet als acceptabel. In deze zaak is op het moment van de aanvraag nog niet duidelijk of het daartoe zal komen. Omdat de aanvrager in verband met de aanwezigheid van de hennepkwekerij twee dagen in verzekering heeft gezeten en als verdachte is aangemerkt, zou betrokkene vermoedelijk niet zijn geaccepteerd, tenzij uit nadere informatie zou blijken dat aannemelijk is dat hij van de hennepkwekerij niet op de hoogte was.

Vraag 3:

In de acceptatiecriteria wordt voor een opgegeven strafrechtelijke betrokkenheid onderscheid gemaakt tussen witte risico's (die wel geaccepteerd worden), zwarte risico's (die niet geaccepteerd worden) en grijze risico's (waarin naar bevind van zaken moet worden gehandeld). Een strafrechtelijke betrokkenheid die bestaat in een aanmerken als verdachte valt niet onder zwarte of witte risico's en moet dan volgens de richtlijnen worden aangemerkt als een grijs risico. Een veroordeling wegens een drugsdelict valt, zoals gezegd, onder zwarte risico's.’

4.5 (

De vijfde verzekeraar) antwoordde:

‘Indien [Appellant] . op het aanvraagformulier zou hebben aangegeven dat enkele weken geleden een hennepkwekerij in het te verzekeren object, waarvan hij (op dat moment mede-)eigenaar was, zou zijn ontruimd en hijzelf bovendien als verdachte was aangemerkt en daarvoor enkele dagen in verzekering was gesteld, zou (deze vijfde verzekeraar) het risico niet hebben geaccepteerd. De moraliteit van verzekerde is gezien de grondslag van de verzekering te dubieus. Zulke personen wensen wij niet tot onze kring van verzekerden te laten behoren.

Bovendien is het risico (het te verzekeren pand) besmet. Na een ontruiming is iemands investering kwijt. In de praktijk blijkt vaak dat dit ertoe leidt dat het ontruimde pand niet lang daarna schade oploopt. (De vijfde verzekeraar) wenst dit (grote) risico niet te lopen en zou op grond daarvan de polisaanvraag hebben afgewezen.

Vraag 2: Zoals uit de beantwoording van vraag 1 al naar voren komt, wordt verder gekeken dan alleen het te verzekeren risico. Pand en eigenaar zijn niet los te zien van elkaar. Alleen (de ontmanteling van) de hennepkwekerij is al dubieus. Kennelijk bestond bij de politie een dermate serieuze verdenking van betrokkenheid bij de hennepkwekerij ten aanzien van [Appellant] . dat deze niet alleen is verhoord maar zelfs voor meerdere dagen in verzekering is gesteld.

(…) Het risico was inmiddels besmet en [Appellant] . was inmiddels verhoord en in verzekering gesteld. [Appellant] . had dit moeten melden op basis waarvan de aanvraag zou zijn afgewezen.

(Het hof voegt hieraan uit de antwoord e-mail van deze verzekeraar toe:)

Vraag 3: In de door ons bedrijf gehanteerde Acceptatierichtlijn Brand is de volgende passage opgenomen:

‘Indien verzekeringnemer verklaart een strafrechtelijk verleden te hebben of wij daar op een of andere manier achterkomen. Procedure: we melden het dossier aan bij de afdeling Legal & Compliance. (…).’

In de praktijk wordt een aanvraag van iemand met een strafrechtelijk verleden niet geaccepteerd. Punt van aandacht is hierbij dat in de mij voorgelegde casus de oude vraagstelling gehanteerd wordt. Gevraagd wordt immers naar een strafrechtelijk verleden. Wij gebruiken deze vraagstelling niet (meer) omdat deze onvoldoende specifiek is. Onderstaand heb ik de tekst opgenomen die thans door (de vijfde verzekeraar) in haar aanvraagformulier wordt gehanteerd:

‘Strafrechtelijk verleden

Bent u of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste acht jaar, als verdachte of de uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel, in aanraking geweest met politie of justitie in verband met:

  • -

    wederrechtelijk verkregen of te verkrijgen voordeel, zoals diefstal, verduistering, bedrog oplichting, valsheid in geschrifte of poging(en) daartoe;

  • -

    wederrechtelijke benadeling van anderen, zoals vernieling of beschadiging, mishandeling, afpersing en afdreiging of enig misdrijf gericht tegen de persoonlijke vrijheid of tegen het leven of poging(en) daartoe;

  • -

    overtreding van de Wet wapens en munitie, de opiumwet, de Wet economische delicten?

_Ja_Nee

Zo ja, geef dan aan om welk strafbaar feit het ging, of het tot een rechtszaak is gekomen, wat het resultaat daarvan was en of eventuele (straf)maatregelen al ten uitvoer zijn gelegd. Indien het niet tot een rechtszaak is gekomen, geef dan aan of er sprake is geweest van een schikking met het Openbaar Ministerie, en zo ja, tegen welke voorwaarden de schikking tot stand kwam.

(…)’.

Alhoewel niet specifiek in de door ons bedrijf gehanteerde Acceptatierichtlijn Brand opgenomen onder het kopje ‘Uitsluitingen’ leerde navraag bij de Acceptatie-afdeling dat acceptatie van een hennepkwekerij niet is toegestaan.’

4.6 (

De zesde verzekeraar) antwoordde:

‘Op basis van de opgesomde feiten zou (de zesde verzekeraar) de verzekeringsaanvraag niet hebben geaccepteerd.

(Het hof voegt hieraan uit de antwoordbrief van de zesde verzekeraar toe:)

Het verzwijgen van het feit dat men is aangehouden door de politie op verdenking van negatieve betrokkenheid bij een aangetroffen hennepkwekerij, is vooralsnog al voldoende om de verzekeringsaanvraag te weigeren.

Gezien de korte tijd tussen aanhouding (29/03) en de aanvraag (14/4) kon betrokkene ervan uitgaan dat hij de betreffende slotvraag en vraag over een justitieel verleden niet ontkennend had moeten beantwoorden maar bevestigend. En vervolgens zou hij een nadere toelichting hierop moeten geven.

Indien de betrokkene (kandidaat-verzekerde) de vraag bevestigend had beantwoord en kort toegelicht, zou (de zesde verzekeraar), alvorens een besluit te nemen, contact hebben opgenomen met betrokkene c.q. diens assurantietussenpersoon om meer details over de kwestie te verkrijgen. Afhankelijk van deze informatie wordt een beslissing genomen.

Hierbij wil ik aantekenen dat voor (de zesde verzekeraar) als uitgangspunt geldt dat betrokkenheid bij het telen van wiet/exploiteren van een hennepkwekerij al voldoende reden is om niet tot acceptatie over te gaan. Bij opstalverzekeringen (met name bij verhuur) zal echter altijd aan de hand van de verstrekte informatie beoordeeld worden of de verhuurder zelf direct of indirect negatief betrokken is geweest. In het onderhavige geval zal o.a. de connectie tussen bewoner/huurder ( [huurder] ) en verhuurder ( [Appellant] ) nader onderzocht/toegelicht moeten worden.

(Kamphuisen vermeldt verder nog uit deze brief:)

Betrokkene zal moeten aantonen volledig buiten verdenking te staan.

(Het hof citeert verder nog:)

Elke (recente) betrokkenheid bij overtreding van de Opiumwet is in principe reden tot afwijzing. Een definitief besluit wordt op ad hoc basis genomen.

Dergelijke aanvragen worden bij (de zesde verzekeraar) voorgelegd aan de afdeling Speciale Zaken, die na kennisname van alle feiten en omstandigheden, een (bindend) advies geeft aan afd. Acceptatie.’"

2.7

Vervolgens heeft Kamphuisen als zijn eigen mening en conclusie het navolgende vermeld:

"5.2 Het is duidelijk dat in een aantal antwoorden mede ingegaan wordt op het punt dat door het hof al is beslist, namelijk dat [Appellant] zowel de ontruiming van de hennepkwekerij als zijn aanhouding aan de verzekeraars had moeten melden. Desondanks blijkt uit die antwoorden – op verschillende wijze geformuleerd – dat de antwoordende partijen het risico van het pand en/of [Appellant] niet zouden hebben geaccepteerd. Daaromtrent dienden verzekeraars bewijs bij te brengen.

5.3

Ook zonder van die antwoorden kennis te hebben genomen, zou mijn individuele antwoord niet anders hebben geluid. Daarvoor heb ik een aantal gronden.

In de eerste plaats zullen verzekeraars ook wel weten, dat er een zeer uitgebreide jurisprudentie bestaat, waarin hennepkwekers niet een groot gehoor bij rechters vinden. Weliswaar gaan die uitspraken vaak over ofwel het aan de hennepkwekerij in veel gevallen inherente diefstal van energie, dan wel ontruimingsvorderingen van de bij de kwekerij betrokken panden, maar ook ter zake van verzekeringskwesties zijn uitspraken van de zelfde strekking gemakkelijk te vinden. De verzekeraars zullen daaruit allicht de gevolgtrekking maken dat zij de eventuele bestrijding van hun standpunt in rechte door de belanghebbende met het nodige vertrouwen tegemoet kunnen zien.

In de tweede plaats geldt – zoals hierboven al aangegeven – dat verzekeraars er een groot belang bij hebben om hun portefeuilles zo ‘gelijkmatig’ mogelijk te doen zijn, zodat verzekeringnemers in de portefeuille deelnemen met een zo gelijk mogelijk risico. Dat is gelijkelijk in het belang van de verzekerden als van de verzekeraar. Zowel het morele risico als het feitelijke risico neemt aanzienlijk toe wanneer hennepkwekerij aan de orde is. (In dat licht mag ook bezien worden de huidige trend om de vraagstelling in aanvraagformulieren te expliciteren, al is daarbij uiteraard ook van belang dat artikel 7:928, lid 5 BW bepaalt dat als eenmaal een vraag gesteld is, de verzekerde aan zijn verplichtingen heeft voldaan, wanneer hij daar eerlijk op heeft geantwoord!).

In de derde plaats wijs ik er nog eens op dat voor een geslaagd beroep op het relevantie–vereiste niet noodzakelijk is dat de verzekeraar geheel zou hebben afgezien van het accepteren, maar dat dat beroep reeds slaagt indien de verzekeraar de verzekering – bij kennis van de verzwegen feiten en omstandigheden – (…) niet op dezelfde voorwaarden zou hebben geaccepteerd. Uit alle antwoorden blijkt dat verzekeraars een risico met een hennepkwekerij duidelijk (en begrijpelijkerwijs!) als een groter risico zien dan eenzelfde pand, dat uitsluitend als woonhuis wordt gebruikt.

Derhalve is mijn conclusie dat een redelijk handelend verzekeraar het risico niet zou hebben geaccepteerd, althans niet tegen dezelfde voorwaarden, indien hij van alle feiten omtrent het te verzekeren risico en de aanvrager op de hoogte was geweest."

2.8

[Appellant] heeft het rapport van Kamphuisen op een aantal aspecten bestreden. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof voorop dat [Appellant] wel kritiek op het rapport heeft geuit, maar daar niet zelf een onderzoek tegenover heeft gesteld, bij voorbeeld door ook van zijn kant een partijdeskundige te laten horen, dan wel door een partijdeskundige mede op basis van soortgelijke vragen aan andere verzekeraars een tegenrapport te laten uitbrengen.

2.9

[Appellant] heeft in zoverre gelijk dat het antwoord van de eerste verzekeraar ten onrechte uitgaat van de ontdekking van een verzwijging, terwijl het juist gaat om de vraag of een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de niet meegedeelde feiten deze verzekeringsovereenkomsten in concreto niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (het relevantievereiste). Daarom komt aan het antwoord van deze verzekeraar onvoldoende gewicht toe.

Bij het antwoord van de tweede verzekeraar maakt [Appellant] de kanttekening dat deze verzekeraar onderscheidt tussen strafrechtelijke antecedenten van voor en tijdens de looptijd van een verzekering. Dit standpunt van [Appellant] gaat er echter aan voorbij dat het hof in het tussenarrest, rov. 4.4 heeft geoordeeld dat het hier nieuwe verzekeringsovereenkomsten betrof, zodat het beleid van deze verzekeraar tijdens de looptijd van een verzekering niet van belang is.

De tendens uit de antwoorden van de tweede tot en met zesde verzekeraar is duidelijk. Indien [Appellant] bij zijn aanvraag van 14 april 2005 voor een opstal- en inboedelverzekering voor zijn woning melding zou hebben gemaakt van de ontdekking op 29 maart 2005 van de hennepkwekerij in die woning en van zijn tweedaagse inverzekeringstelling in verband daarmee op 29 en 30 maart 2005, zou geen van deze vijf verzekeraars de door [Appellant] voor die woning aangevraagde opstal- en inboedelverzekering aanstonds en zonder meer hebben geaccepteerd. De tweede en de vijfde verzekeraar zouden de aanvraag hebben afgewezen. De derde, vierde en zesde verzekeraar zouden, alvorens te beslissen, eerst navraag en onderzoek hebben gedaan naar de betrokkenheid van [Appellant] bij de hennepkwekerij in zijn woning. Wel tekenen zij daarbij met wisselende bewoordingen en argumenten aan dat het korte tijdsverloop tussen de ontdekking van de hennepkwekerij en [Appellant] 's inverzekeringstelling op 29 maart 2005 enerzijds en zijn verzekeringsaanvraag van 14 april 2005 voor diezelfde woning anderzijds alsmede de daardoor in dat stadium nog aanwezige onduidelijkheid over (resultaten van) verder onderzoek door politie en justitie de kans aanzienlijk maken dat zij de verzekeringsaanvraag op dat moment en in dat stadium zouden hebben afgewezen, tenzij [Appellant] hen met gedetailleerde antwoorden van zijn niet-betrokkenheid zou hebben kunnen overtuigen.

2.10

Voor zijn rapport heeft Kamphuisen, emeritus hoogleraar in het verzekeringsrecht, zich tevoren in het veld georiënteerd door zes verzekeraars om antwoord te vragen. Het hof onderschrijft zijn eerste en tweede argument in zijn rapport onder 5.3. Het derde argument is voor de vraagstelling van het hof niet rechtstreeks van belang. Het hof kan daaruit echter nog niet een slotconclusie trekken.

2.11

De vraag rijst namelijk op welke wijze een verzekeraar, destijds in 2005, nog onder het oude verzekeringsrecht, nadere vragen zou hebben gesteld en onderzoek zou hebben ingesteld. Over deze kwestie en de vragen die zij oproept, heeft Kamphuisen zich in zijn rapport niet uitgelaten. Het hof wil zich hierover met een schriftelijk deskundigenbericht laten voorlichten.

Het overweegt de navolgende vragen aan de te benoemen deskundige te stellen en zou graag zien dat de antwoorden daarop zoveel als mogelijk met documenten zijn onderbouwd:

  1. ) Op welke wijze zou een verzekeraar nadere vragen hebben gesteld en onderzoek hebben verricht?

  2. ) Zou daarbij gevraagd en onderzoek gedaan zijn naar de rol van de bewoonster [huurder] ?

  3. ) Zou daarbij gevraagd en onderzoek gedaan zijn ter beantwoording van de vraag wie zich met een sleutel toegang kon verschaffen tot de woning?

  4. ) Zou de woning zijn bezocht of op andere wijze zijn gebleken dat deze in bouwkundig opzicht nog steeds de sporen droeg van een hennepkwekerij (zie het tussenarrest, rov. 4.9, tweede alinea) en, zo ja, welke consequenties zou dit hebben gehad?

  5. ) Zou de verzekeraar bij de politie hebben geïnformeerd en/of de uitkomst van het politie- en justitieel onderzoek, en met name een bewijssepot tegen [Appellant] , hebben afgewacht?

  6. ) Zou een verzekeraar nog ander onderzoek hebben verricht, zo ja welk?

  7. ) Hoe lang zou het ongeveer hebben geduurd voordat een verzekeraar een definitieve beslissing op de verzekeringsaanvraag hebben genomen?

  8. ) Is denkbaar dat een verzekeraar in de praktijk, bekend met het voorval, een verzekeringsaanvraag enige tijd zou laten slepen, mogelijk zolang tot de aanvrager daarvan zou hebben afgezien?

2.12

[Appellant] heeft aangevoerd dat hij - steeds onder opgave van het voorval van 2005, zijn "voorlopige hechtenis" ter zake en het royement door Fortis - de volgende verzekeringen heeft afgesloten: in december 2007 een rechtsbijstandverzekering bij Arag, in april 2008 een opstal- en inboedelverzekering voor hetzelfde adres bij Aegon, in maart 2009 een autoverzekering bij Aegon en in april 2009 een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij De Amersfoortse. Fortis c.s. hebben gemotiveerd betwist dat [Appellant] deze opgaven heeft gedaan. [Appellant] , op wie ter zake stelplicht en bewijslast rusten, wordt overeenkomstig zijn bewijsaanbod toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij bij zijn aanvragen tot voormelde verzekeringen steeds het voorval van 2005, zijn "voorlopige hechtenis" ter zake en het royement door Fortis heeft opgegeven. Het hof wenst voorts aan de te benoemen deskundige tevens de volgende vragen voor te leggen:

  1. ) Zou een en ander, zoals [Appellant] aanvoert, een indicatie vormen dat een redelijk handelend verzekeraar, bekend met het voorval, in april 2005 de door [Appellant] aangevraagde opstal- en inboedelverzekering zonder nadere voorwaarden zou hebben gesloten en zo ja of zo nee, waarom?

  2. j) Zijn er nog andere omstandigheden voor een goede beoordeling van deze zaak van belang?

2.13

Er zal een comparitie van partijen worden belegd om partijen in de gelegenheid te stellen zelf vragen te formuleren en zich uit te laten over de door het hof voorgestelde vragen, over de persoon, hoedanigheden en relevante kwaliteiten van de te benoemen deskundige, zijn/haar bereikbaarheid (adres, telefoonnummer en e-mailadres), de marges waarbinnen zijn/haar loon mag of moet liggen (waaronder de maximale hoogte daarvan) en de verdere (algemene) voorwaarden waaronder de opdracht aan de deskundige zou moeten worden verstrekt. Het hof geeft partijen in overweging tijdig met elkaar in overleg te treden over in ieder geval de persoon van de te benoemen deskundige en zo mogelijk gezamenlijk een persoon voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, zullen partijen mogen ingaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof. Het hof geeft partijen in overweging om in te stemmen met benoeming van prof. J.H. Wansink, hoogleraar in het verzekeringsrecht, dan wel prof. N. Frenk, hoogleraar in het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht (Kamphuisen is reeds als partijdeskundige gepresenteerd).

Omdat de stelplicht en bewijslast hier op Fortis c.s. rusten, zullen zij, in afwijking van de hoofdregel van artikel 195 Rv, het voorschot van het voorgenomen deskundigenonderzoek moeten storten.

2.14

Dit alles is echter niet meer van belang indien [Appellant] slaagt in het hem bij het tussenarrest, rov. 4.10 toegelaten tegenbewijs. De uitvoering daarvan is nog niet aan de orde gekomen en daarom wordt [Appellant] daartoe eerst in de gelegenheid gesteld.

3 De slotsom

3.1

Er volgt gelegenheid voor [Appellant] tot levering van het tegenbewijs als bedoeld in het tussenarrest van 29 juni 2010, rov. 4.10, alsmede tot bewijslevering van zijn stelling zoals weergegeven in rov. 2.12.

3.2

Verder volgt (na de onder 3.1 bedoelde mogelijkheid tot bewijslevering door getuigen) een comparitie van partijen om het in rov. 2.11 - 2.13 bedoelde deskundigenonderzoek voor te bereiden.

3.3

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [Appellant] opnieuw toe tot het tegenbewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in het tussenarrest van 29 juni 2010, rov. 4.10;

laat [Appellant] voorts toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld in rov. 2.12;

bepaalt dat, indien [Appellant] dat tegenbewijs, c.q. bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.W. Steeg, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [Appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden augustus tot en met november 2011 zal opgeven op de roldatum 26 juli 2011, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat partijen ( [Appellant] in persoon en Fortis c.s. vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [Appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat (na afloop van het laatste getuigenverhoor) partijen ( [Appellant] in persoon en Fortis c.s. vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor de benoemde raadsheer-commissaris, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 2.13 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van enige terechtzitting nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de terechtzitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.F. Wiggers-Rust en J.G.J. Rinkes, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 12 juli 2011.