Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BY2794

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
12-11-2012
Zaaknummer
200.023.199t
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARN:2011:BY2379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handtekeningvervalsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.023.199

(zaaknummer rechtbank 91677)

arrest van de tweede civiele kamer van 6 juli 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

de naamloze vennootschap

Direktbank N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.F. Heerze.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 7 mei 2008 (vonnis in het vrijwaringsincident), 18 juni 2008 (comparitievonnis) en 8 oktober 2008 (eindvonnis) die de rechtbank Almelo tussen appellant (hierna: [appellant]) en [mede gedaagde] (hierna: [mede gedaagde]) als gedaagden en geïntimeerde (hierna: Direktbank) als eiseres heeft gewezen. Van de vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1 Dit verdere verloop blijkt uit:

- het tussenarrest van 17 februari 2009,

- de brief van 24 april 2009 van [appellant] met bijlagen,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 28 april 2009,

- de akte van 9 juni 2009 van Direktbank met producties,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de akte van [appellant] van 13 oktober 2009,

- de antwoordakte van Direktbank van 10 november 2009,

- de op 7 mei 2010 door [appellant] ingezonden nieuwe stukken ten behoeve van de zitting,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2 Partijen hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staan de volgende feiten vast.

3.1 Volgens (wijzigings)overeenkomsten van 5 augustus 1999, 20 oktober 1999 en 21 februari 2001 heeft Direktbank doorlopend krediet verstrekt van aanvankelijk fl. 35.000, oplopend tot fl. 50.000. De kredietovereenkomsten noemen telkens de namen van [appellant] en [mede gedaagde] en onder de overeenkomsten zijn telkens handtekeningen geplaatst, zowel op de plaats voor de handtekening van de eerste contractant, cliënt 2A ([appellant]) als van de tweede contractant, cliënt 2B ([mede gedaagde]).

3.2 [appellant] is internationaal vrachtwagenchauffeur. Met [mede gedaagde] had hij ten minste twee en/of-rekeningen. [mede gedaagde] hield de administratie bij en deed de financiën.

3.3 De kredietruimte is benut. En zijn enkele maandelijkse termijnen voldaan van en/of-rekeningen van [mede gedaagde] en [appellant]. De (toenmalige) werkgever van [appellant] heeft op 26 februari 2002 eenmalig een bedrag van € 453 (twee maandtermijnen) voldaan. Het openstaand saldo per 29 oktober 2004 bedroeg € 29.245. De rente daarover wordt maandelijks berekend naar een rentepercentage van 0,854%.

3.4 Op 22 april 2006 is een door of namens Direktbank gedaan betalingsvoorstel van

€ 400 per maand, ingaande ½ juni 2006, ondertekend. Vermeld zijn de naam van [appellant] en de aantekening "Kopieën betreft overige schulden zijn aangevraagd als deze binnen zijn, stuur ik deze gelijk naar U. Hoopende u steld zich hiermee tevreden" met daaronder opnieuw de naam van [appellant]. Daaraan is een post scriptum toegevoegd, luidende: "deze schuld (Direktbank) is geheel en alleen op mijn naam, en geen ander". Vervolgens is driemaal een bedrag van € 400 betaald aan de door Direktbank ingeschakelde gerechtsdeurwaarder [deurwaarder] (hierna: [deurwaarder]), laatstelijk op 25 augustus 2006.

3.5 In augustus/september 2007 is de affectieve relatie tussen [appellant] en [mede gedaagde] geëindigd. [appellant] is bij zijn ouders gaan wonen.

3.6 Onder meer bij brief van 5 december 2007 heeft [deurwaarder] [appellant] aangeschreven ter zake van het nog openstaande bedrag. [appellant] heeft op 6 december 2007 geschreven dat hij geen kennis draagt van de door [deurwaarder] gestelde feiten, gevolgd door een brief van 17 december 2007 waarin namens [appellant] wordt medegedeeld dat [appellant] nooit een contract heeft ondertekend.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Direktbank heeft in eerste aanleg [appellant] en [mede gedaagde] gedagvaard en hoofdelijke veroordeling gevorderd tot betaling van € 37.734,02, te vermeerderen met contractuele rente en proceskosten. Het daaropvolgende verzoek van [appellant] om [mede gedaagde] op te mogen roepen in vrijwaring is door de rechtbank afgewezen. [mede gedaagde] is niet in de procedure verschenen en Direktbank en [appellant] hebben voortgeprocedeerd. Bij eindvonnis van 8 oktober 2008 heeft de rechtbank overwogen dat de door Direktbank aangevoerde argumenten voldoende waren om te oordelen dat [appellant] de overeenkomsten met Direktbank had gesloten en de vorde-ringen toegewezen als verzocht. Het hoger beroep richt zich tegen voormeld oordeel en tegen de toewijzing van de vorderingen en legt daarmee het hele geschil aan het hof voor.

4.2 Direktbank beroept zich op de drie hiervoor onder 3.1 vermelde overeenkomsten waarop haar vordering is gestoeld. Deze overeenkomsten zijn te beschouwen als onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 3 Rv met bewijskracht als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv. Nu [appellant] de ondertekening van de akten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep stellig ontkent, leveren de akten tegen [appellant] geen bewijs op zolang niet is bewezen dat de handtekeningen van hem afkomstig zijn (artikel 159 lid 2 Rv). Een stellige ontkenning vergt niet dat feiten of omstandigheden ter adstructie zijn aangevoerd (Hoge Raad, 28 fe-bruari 1997, NJ 1997, 330). Voldoende is dat de partij met duidelijke en ondubbelzinnige woorden verklaart, dat de handtekening onder de akte niet de zijne is. Naar het oordeel van het hof is in dit geval aan die maatstaf voldaan.

4.3 De bewijslast van de echtheid van de handtekening berust ingevolge artikel 159 lid 2 Rv op degene die zich op de akte beroept, in dit geval Direktbank. Er is geen aanleiding om Direktbank reeds voorshands in dit bewijs geslaagd te achten en [appellant] met tegenbewijs te belasten, zoals Direktbank heeft bepleit. De ontkenning van [appellant] ziet niet alleen op de handtekening onder de hiervoor vermelde akten, maar ook op de ondertekening van de betalingsregeling (nr. 4 conclusie van antwoord en schriftelijk standpunt ter comparitie in hoger beroep). De omstandigheid dat de werkgever van [appellant] eenmalig een bedrag aan Direktbank heeft voldaan, brengt evenmin mee dat Direktbank al voorlopig in haar bewijs geslaagd kan worden geacht. [appellant] heeft stellig betwist dat hij op de hoogte was van die betaling door zijn werkgever en heeft bovendien de feiten en omstandigheden rond die betaling gemotiveerd betwist. De omstandigheid dat [appellant] de financiële zaken overliet aan zijn partner, noch de omstandigheid dat [appellant] tijdens zijn vrije - ook doordeweekse - dagen zijn rijbewijs in zijn woning opborg, kunnen aan het bewijs bijdragen, omdat hieruit niet volgt dat [appellant] de akten heeft ondertekend.

4.4 Direktbank heeft onder verwijzing naar de hiervoor genoemde omstandigheden aangevoerd dat het voor risico van [appellant] dient te komen indien zou blijken dat hij de overeenkomsten niet heeft ondertekend. Dit betoog faalt. Wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets voor die ander verklaart, kan deze ander zich in het algemeen tegen degene tot wie de verklaring is gericht, erop beroepen dat de handtekening en daarmee de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat de handtekening echt was. Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de artikelen 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, in samenhang met artikel 6:147, vloeit evenwel voort dat dit anders kan zijn onder bijzondere omstandigheden van dien aard dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden (Hoge Raad, 7 februari 1992, NJ 1992, 809, LJN: ZC0498). De enkele omstandigheden dat [appellant], internationaal chauffeur, de financiële zaken heeft overgelaten aan zijn partner en in zijn eigen huis identiteitspapieren heeft opgeborgen, leveren niet de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden op.

4.5 Direktbank heeft tot slot aangevoerd dat [mede gedaagde] als (schijn)gevolmachtigde van [appellant] dient te worden aangemerkt (pleitnota nr. 5 en 6 comparitie eerste aanleg). Het hof begrijpt dat Direktbank hiermee betoogt dat [mede gedaagde] de overeenkomsten waarbij Direktbank aan [appellant] en [mede gedaagde] doorlopend krediet heeft verstrekt, tevens als gevolmachtigde van [appellant] is aangegaan, zodat [appellant] ook bij gebreke van een geldige handtekening aan de overeenkomsten gebonden zou zijn. Dit standpunt is onvoldoende onderbouwd. Dat en wanneer [appellant] aan [mede gedaagde] volmacht heeft verleend om namens hem kredietovereenkomsten aan te gaan heeft Direktbank desgevraagd tijdens het pleidooi niet nader toegelicht. Dat lag wel op haar weg omdat louter het feit dat [appellant] en [mede gedaagde] en/of-rekeningen deelden en [mede gedaagde] de (huishoud)financiën deed, niet meebrengt dat [mede gedaagde] gevolmachtigd was mede op naam van [appellant] aanzienlijke schulden aan te gaan. [appellant] heeft bovendien gemotiveerd betwist dat hij een dergelijke volmacht aan [mede gedaagde] heeft verstrekt (nr. 2a-c conclusie van antwoord). Verder merkt het hof op dat [mede gedaagde] de akten niet getekend heeft voor zichzelf en tevens als gevolmachtigde van [appellant]. Op de plaats waar de handtekening van [appellant] moest worden gezet (cliënt 2a), staat immers niet de handtekening van [mede gedaagde] (cliënt 2b) namens [appellant], maar een andere handtekening. Wie (valselijk) een handtekening van een ander plaatst, verklaart niet voor die ander, maar doet het voorkomen alsóf die ander verklaart. Zodoende is geen sprake van de situatie dat namens die ander rechtshandelingen worden verricht en kan zulks op grond van het leerstuk van de volmacht niet tot gebonden-heid van die ander leiden.

4.6 Met betrekking tot de door Direktbank bepleite schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [mede gedaagde] ter zake van het aangaan van de kredietovereenkomsten overweegt het hof als volgt. Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ([appellant]) kan ook plaats zijn ingeval Direktbank gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan [mede gedaagde] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van [appellant] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (HR 19 februari 2010, NJ 2010, 115, LJN: BK7671). Direktbank heeft in dit verband aangevoerd dat [appellant] voor de voldoening van aflossingstermijnen noodzakelijke gegevens en een op de desbetreffende rekening betrekking hebbend bankpasje aan een pseudo-gevolmachtigde heeft verstrekt en de betaling van die termijnen heeft geaccepteerd, en niet heeft gereageerd op de brief van [deurwaarder] van 5 mei 2006.

4.7 [appellant] heeft daartegen aangevoerd dat hij de afschriften van hun en/of bankrekeningen wel had kunnen bekijken maar dat niet deed, omdat hij alle financiële zaken overliet aan [mede gedaagde]. Hij vertrouwde erop en mocht er (gelet op de aard van zijn relatie met [mede gedaagde]) op vertrouwen dat zij die zaken correct regelde. Naar het oordeel van het hof kan uit de aard van de relatie die destijds voor Direktbank kenbaar tussen [appellant] en [mede gedaagde] bestond en waarin een taakverdeling als door [appellant] gesteld niet ongebruikelijk is, naar verkeersopvattingen niet een zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid worden afgeleid. Een derge-lijke relatie betekent immers niet dat volmachten worden verstrekt voor het aangaan van kredietovereenkomsten en aanzienlijke schulden. De slotsom is dat de door Direktbank aangevoerde omstandigheden onvoldoende grond opleveren voor het oordeel dat Direktbank gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op volmachtverlening door [appellant] aan [mede gedaagde].

4.8 Het komt dus aan op de echtheid van de handtekeningen, nu de hierboven behandelde stellingen van Direktbank niet tot het oordeel leiden dat [appellant] gebonden is aan de overeenkomsten. Het hof zal Direktbank opdragen te bewijzen dat de handtekeningen onder de akten van [appellant] zijn. Voor zover Direktbank ook een beroep wenst te doen op de betalingsregeling van 22 april 2006, zal zij ook de echtheid van de handtekening onder het afbetalingsvoorstel dienen te bewijzen. Tijdens het pleidooi hebben partijen ingestemd met de benoeming van de handschriftdeskundige [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1]). [appellant] heeft zich tevens bereid verklaard medewerking te verlenen aan het onderzoek van deze deskundige. Indien de deskundige behoefte heeft aan handtekeningen van [appellant] uit de periode 1999 - 2001 (de overeenkomsten) en 2006 (de afbetalingsregeling van 22 april 2006), zal [appellant], voor zover dat in zijn vermogen ligt, zijn medewerking aan het produceren van relevante stukken dienen te verlenen. Het hof ziet geen aanleiding twee handschriftdeskundigen te benoemen, onder wie [deskundige 2], zoals namens [appellant] tijdens het pleidooi verzocht. Niet valt in te zien welke extra informatie benoeming van twee deskundigen in deze fase van het geding zou kunnen opleveren en [appellant] heeft dat ook niet toegelicht.

4.9 [deskundige 1] heeft de kosten van haar werkzaamheden begroot op € 2.000,- (in-clusief BTW). Na overleg met partijen hebben zij hiermee ingestemd. Het voorschot ter hoogte van dit bedrag zal door Direktbank dienen te worden voldaan. Naar aanleiding van de brief d.d. van de raadsman van [appellant] merkt het hof op dat afhankelijk van de uitkomst van de procedure [appellant] dan wel Direktbank in de deskundigenkosten zal worden veroor-deeld.

4.10 Partijen hebben zich uitgelaten over de aan de deskundige te stellen vragen. Mede naar aanleiding daarvan zal het hof zal aan de deskundige het volgende voorleggen:

a. Is in het onderhavige geval vast te stellen of de handtekeningen van "Cliënt 2A" onder de overeenkomsten van 5 augustus 1999, 20 oktober 1999 en 21 februari 2001 en de handtekening onder het afbetalingsvoorstel van 22 april 2006 van [appellant] afkomstig zijn en met welke mate van zekerheid kan worden gezegd of de handtekeningen al dan niet van [appellant] afkomstig zijn?

b. Dragen deze handtekeningen sporen van manipulatie of vervalsing?

c. Wilt u bij uw onderzoek in ieder geval betrekken de originele overeenkomsten en het originele ondertekende afbetalingsvoorstel, de in het geding gebrachte stukken die voorzien zijn van de handtekening van [appellant] en (indien mogelijk) documenten uit de periode van de bestreden handtekeningen, waarop de handtekening staat van [appellant]? Direktbank zal de deskundige voormelde originelen dienen te verstrekken. [appellant] zal, voor zover dit in zijn vermogen ligt, zijn medewerking dienen te verlenen aan het produceren van handtekeningen en documenten uit de perioden 1999 - 2001 en 2006 moeten overleggen waarop zijn handtekening onomstotelijk voorkomt.

d. Wilt u voorts bij uw onderzoek betrekken de stukken die u nodig acht ter verkrijging van een zo zuiver mogelijk oordeel en deze opvragen bij partijen?

4.11 Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

beveelt een onderzoek door een deskundige met betrekking tot de volgende vragen:

a. Is in het onderhavige geval vast te stellen of de handtekeningen van "Cliënt 2A" onder de overeenkomsten van 5 augustus 1999, 20 oktober 1999 en 21 februari 2001 en de handtekening onder het afbetalingsvoorstel van 22 april 2006 van [appellant] afkomstig zijn en met welke mate van zekerheid kan worden gezegd of de handtekeningen al dan niet van [appellant] afkomstig zijn?

b. Dragen deze handtekeningen sporen van manipulatie of vervalsing?

c. Wilt u bij uw onderzoek in ieder geval betrekken de originele overeenkomsten en het originele ondertekende afbetalingsvoorstel, de in het geding gebrachte stukken die voorzien zijn van de handtekening van [appellant] en (indien mogelijk) documenten uit de periode van de bestreden handtekeningen, waarop de handtekening staat van [appellant]? Direktbank zal de deskundige voormelde originelen dienen te verstrekken. [appellant] zal, voor zover dit in zijn vermogen ligt, zijn medewerking dienen te verlenen aan het produceren van handtekeningen en documenten uit de perioden 1999 - 2001 en 2006 moeten overleggen waarop zijn handtekening onomstotelijk voorkomt.

d. Wilt u voorts bij uw onderzoek betrekken de stukken die u nodig acht ter verkrijging van een zo zuiver mogelijk oordeel en deze opvragen bij partijen?

benoemt tot deskundige:

[deskundige 1]

[adres]

[woonplaats]

tel. [telefoonnummer];

bepaalt dat de deskundige op de voet van het bepaalde in artikel 198 Rv bij haar onderzoek partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat zij daarvan in haar rapport melding dient te maken waarbij van de inhoud van de gemaakte opmerkingen en gedane verzoeken moet blijken;

bepaalt dat Direktbank aan de deskundige desgewenst het volledige procesdossier ter inzage zal geven en beveelt partijen om aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen en stukken te verstrekken en desgewenst hun medewerking aan het onderzoek te verlenen;

bepaalt dat de deskundige het door haar uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof (postbus 9030, 6800 EM Arnhem) zal indienen vóór 1 okto-ber 2010;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek eerst zal behoeven aan te vangen nadat door Direktbank bij wege van voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 2.000 ter griffie van het hof zal zijn gedeponeerd door storting op bankrekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen en onder vermelding van "voorschot deskundigen";

bepaalt dat dit voorschot uiterlijk op 20 juli 2010 moet zijn voldaan;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na de betaling van dat voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen;

bepaalt dat het onderzoek door de deskundige zal worden verricht onder leiding van het hier-bij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. Th.C.M. Willemse;

bepaalt dat de deskundige zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal verzenden;

verwijst de zaak naar de vierde roldatum na de datum waarop het rapport van de deskundigen zal zijn uitgebracht voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van Direktbank;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. van der Beek en H.N. Schelhaas, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2010.