Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BQ0739

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
200.007.170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van LJN BK3755.

Art. 19, 57 en 157 Pw, art. 2a Pachtnormenbesluit 1992, art. 8 Pachtnormenbesluit 1995 en art. 71 Overgangswet NBW. Verwijzing naar Pachthof Arnhem 24 februari 2004 (rolnummer 2002/914, ongepubliceerd).

Arrest na bewijslevering. Het feit dat de verpachter de waterschaps- en ruilverkavelingslasten daadwerkelijk niet in rekening heeft gebracht vanaf 1995 in samenhang met zijn wetenschap over de wijziging van de pachtwet op dit punt in 1995, waarover de opvolgend verpachter en pachters hebben verklaard, alsmede de duur en aard van de (rechts)verhouding tussen verpachter en pachters en de getuigenverklaringen van pachters bieden in onderling verband beschouwd voldoende bewijs dat het de partijbedoeling van verpachter en pachters was dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing zou gaan voorzien in een doorberekening van de ruilverkavelings- en waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2010/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.007.170

(zaaknummer rechtbank 316490)

arrest van de pachtkamer van 9 november 2010

inzake

1. [appellant sub 1], wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [appellante sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [appellante sub 5], wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.H. van Vliet,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.M. Wilmink.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van het geding tot 13 oktober 2009 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Daarna hebben op 4 maart 2010 en 21 mei 2010 getuigenverhoren plaatsgevonden. De processen-verbaal hiervan bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Daarna hebben [geïntimeerden] een memorie na enquête genomen, waarna [appellanten] een antwoordmemorie hebben genomen.

1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Bij voormeld tussenarrest zijn [geïntimeerden] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het de partijbedoeling van [verpachter] en [geïntimeerden] was dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing zou gaan voorzien in een doorberekening van de waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten.

2.2 [geïntimeerden] hebben zichzelf doen horen. Voor hun partijverklaringen geldt de beperking van artikel 164 lid 2 Rv, zodat er aanvullende bewijzen nodig zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken. In tegengetuigenverhoor hebben [appellanten] [appellant sub 1] en [getuige X] doen horen. Deze twee getuigen hebben niets verklaard over de pachtrelatie tussen [verpachter] en [geïntimeerden] omdat zij daarvan niets wisten. Wel hebben zij beiden verklaard dat [geïntimeerden] in 2000 of 2001 hebben gezegd dat de erven recht hadden op betaling van de waterschapslasten.

2.3 Uit de verklaringen van [geïntimeerden] volgt voldoende duidelijk dat [verpachter] en zij bij het aangaan van de pachtovereenkomst in 1982 hebben beoogd hun rechtsverhouding uitputtend te regelen. [geïntimeerden] hebben de koopsom voor de boerderij die [verpachter] aan zijn voorgangers verschuldigd was bijgepast tot een bedrag van fl. 27.000. In ruil daarvoor verkregen zij een pachtovereenkomst voor de duur van 24 jaren. Dit is niet weersproken. Volgens [geïntimeerden] hebben partijen toen ook afgesproken dat de aanzienlijke herstelwerkzaamheden die toen nodig waren door [geïntimeerden] zouden worden verricht, waarbij [verpachter] de materiaalkosten voor zijn rekening zou nemen. Dit is evenmin voldoende weersproken, al was de bijdrage van [verpachter] volgens het pachtcontract kennelijk gemaximeerd tot een bedrag van

fl. 16.500 voor het dak. Daarnaast is volgens [geïntimeerden] in datzelfde kader afgesproken dat [verpachter] ook steeds de waterschapslasten en ruilverkavelingslasten, die al vanaf 1975 liepen, zou betalen. Nadat de Pachtwet in 1995 was gewijzigd - waardoor de verpachter de helft van die lasten bij de pachter in rekening mocht brengen - heeft [verpachter] daar vanwege deze afspraak van afgezien, aldus [geïntimeerden] Naar hun overtuiging, die steun vindt in de persoonsbeschrijving van [verpachter] door getuige [appellant sub 1], was [verpachter] op de hoogte van deze wijziging van de Pachtwet. Zij leiden dit af uit het feit dat [verpachter] zakelijk met onroerend goed bezig was - ook als verpachter -, de pachtprijswijzigingen steeds door de Grondkamer liet vaststellen, (volgens de verklaring van [geïntimeerde sub 2]) geïnteresseerd was in agrarisch onroerend goed en de vakbladen las.

2.4 [geïntimeerden] hebben voorts verklaard over hun verhouding met [verpachter]. Bij het sluiten van de pachtovereenkomst hadden partijen elkaar gevonden in een arrangement waardoor [verpachter] eigenaar kon worden van de boerderij en [geïntimeerden] voor lange tijd zekerheid hadden omtrent de continuïteit van hun bedrijf, terwijl verpachter en pachter er samen een mooi bedrijf van konden maken, hetgeen ook is gebeurd. Gedurende de looptijd van de overeenkomst is [verpachter] regelmatig op de boerderij geweest en er was een goede verhouding met hem. Men sprak vooral over agrarische zaken en ook werd wel eens een rondritje door het buitengebied gemaakt, aldus [geïntimeerden] [appellant] heeft een en ander niet betwist.

2.5 Het feit dat [verpachter] de lasten daadwerkelijk niet in rekening heeft gebracht vanaf 1995 in samenhang met zijn wetenschap, waarover [appellant sub 1] en [geïntimeerden] hebben verklaard, alsmede de duur en aard van de (rechts)verhouding tussen [verpachter] en [geïntimeerden] en de getuigenverklaringen van [geïntimeerden] bieden in onderling verband beschouwd voldoende bewijs dat het de partijbedoeling van [verpachter] en [geïntimeerden] was dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing zou gaan voorzien in een doorberekening van de waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten.

2.6 Het door [appellanten] bijgebrachte bewijs levert onvoldoende tegenwicht. Louter de mededeling in 2000/2001 van [geïntimeerden] dat de erven recht zouden hebben op betaling brengt nog niet mee dat in de verhouding tussen [geïntimeerden] en [verpachter] niet de afspraak gold dat [verpachter] de lasten niet in rekening zou brengen, ook niet indien hij daartoe door wijziging van de Pachtwet gerechtigd zou zijn. Omdat de erven [verpachter] onder algemene titel zijn opgevolgd, zijn zij gebonden aan hetgeen [geïntimeerden] met [verpachter] destijds hebben afgesproken. Niet uit te sluiten is dat [geïntimeerden] destijds in 2000/2001, tijdens kennelijk het enige gesprek voor de afwikkeling in 2006 waarin de lasten tussen hen en [getuige X] en [appellant sub 1] ter sprake zijn gekomen, deze rechtsregel niet onderkend hebben. Volgens [getuige X] heeft [geïntimeerde] immers verklaard: ‘dat is jullie goed recht. [Verpachter] deed dit niet’. Overigens lijkt ook [appellant sub 1] destijds niet op de hoogte te zijn geweest van voormelde rechtsregel. Hij heeft over het gesprek in 2001 verklaard: ‘(…) en ik vond dat zij die lasten ook moesten betalen. [geïntimeerden] waren het hiermee eens en hebben gezegd dat wij hier recht op hadden. (…) Wij hebben het er niet over gehad dat of waarom de vorige eigenaar [[verpachter], hof] er niet om vroeg en dat ging ons ook niet aan.’ Verder heeft [geïntimeerde sub 1] verklaard dat [geïntimeerden] door de ernstige ziekte van [geïntimeerde sub 1] op dat moment heel wat aan hun hoofd hadden en niet voldoende alert op het pachtcontract waren. In elk geval kunnen [appellanten] uit de enkele mededeling dat de erven recht hadden op betaling van de lasten niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat [geïntimeerden] uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van hun rechten op het niet doorberekenen van voormelde lasten, voortvloeiend uit de met [verpachter] gesloten overeenkomst.

2.7 In hun antwoordmemorie na enquête hebben [appellanten] nog opgemerkt dat [geïntimeerde sub 1] heeft verklaard dat [verpachter] soms zei dat er een beetje pacht bij moest omdat alles duurder was geworden, ook de waterschapslasten en de ruilverkavelingslasten. [Appellant] leidt daaruit af dat [verpachter] indirect de lasten daarom toch doorberekende, wat niet overeenstemt met de gestelde uitsluiting van de doorberekening.

2.8 Vast staat dat [verpachter] de lasten nimmer heeft doorberekend. Dat hij gebruik maakte van de mogelijkheid van periodieke pachtverhoging, mede omdat voor hem de verpachterslasten voor het verpachte hoger werden, maakt dat niet anders. Die pachtverhogingen heeft [verpachter] overigens niet steeds doorgevoerd, hebben [geïntimeerden] onweersproken verklaard, en zij bleven uiteraard beperkt tot het bepaalde in de opvolgende pachtprijsbesluiten. Onweersproken is dat de pachtprijs telkens door de grondkamer is vastgesteld. In de bepaling van de pachtprijs door de grondkamer zijn de ruilverkavelings- en waterschapslasten juist niet begrepen, dus ook niet impliciet.

2.9 Dit alles leidt tot het oordeel dat de pachtkamer in eerste aanleg, zij het op andere gronden, [appellanten] terecht heeft veroordeeld om de door [geïntimeerden] vanaf 2001 betaalde bedragen aan waterschapslasten terug te betalen.

Slotsom

2.10 Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Winschoten, van 29 april 2008;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 254 voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de raden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2010.