Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP7695

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
200.041.036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:311 BW; 7:377 BW. "Ploegruil" Op grond van de ploegruil zijn twee pachtovereenkomsten tot stand gekomen waarbij partijen over en weer in hun hoedanigheid van pachter en verpachter zijn opgetreden. Deze beide pachtovereenkomsten zijn samenhangende rechtsverhoudingen. Beide pachtovereenkomsten houden immers zodanig verband met elkaar dat wijzigingen die intreden in de ene pachtovereenkomst mogelijk gevolgen behoren te hebben voor de andere pachtovereenkomst. Voor de vraag of dat het geval is en tot welke rechtsgevolgen dit moet leiden, zijn de aard van de overeenkomsten, de gedragingen van partijen en de verwachtingen die zij over en weer van elkaar mochten hebben en de overige feiten en omstandigheden van het geval van belang, een en ander onverminderd de toepasselijkheid van de (grotendeels dwingendrechtelijke) wettelijke regeling van de pacht. Indien het hof na een comparitie van partijen tot het oordeel komt dat de pachtovereenkomst waarbij appellant pachter is nog van kracht is, komt aan de orde of verpachter (een gemeente) ontbinding daarvan kan vorderen met de verplichting de pachter schadeloos te stellen. De verpachter beroept zich op de voet van het hier toepasselijke artikel 7:377 BW op bestemmingswijziging als grond voor ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.041.036

(zaaknummer rechtbank 297443)

arrest van de pachtkamer van 23 november 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.M.H.C. Coppens,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

gemeente Sittard-Geleen,

zetelend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.W.H. Kempen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 31 december 2008 en 29 juli 2009 die de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, tussen principaal appellant (hierna: [appellant]) als eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie en principaal geïntimeerde (hierna: de gemeente) als gedaagde in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie heeft gewezen. Van de vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 augustus 2009,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- de akte in incidenteel hoger beroep van 27 april 2010 en een antwoordakte van 25 mei 2010.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Bij akte van verdeling van 4 maart 1980 is aan [appellant] en zijn broer [broer appellant] de (hierna: de broers [A]) ieder voor de helft van de onverdeelde helft een aantal percelen bouwland en boomgaard toebedeeld. Dezelfde percelen zijn bij die akte ieder voor de resterende onverdeelde helft voor de helft toegedeeld aan de broers [D] en [E] (hierna: de broers [B]). Deze percelen zijn later vernummerd. Aan de broers [A] en de broers [B] kwam ieder toe (voorzover hier van belang):

a) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.29.61 ha;

b) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.55.75 ha;

c) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.08.75 ha;

d) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.14.60 ha;

e) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.29.60 ha;

f) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.03.65 ha;

g) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.07.25 ha;

h) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.33.20 ha;

i) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.05.95 ha;

j) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.04.50 ha;

k) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.14.60 ha;

l) gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.08.30 ha.

3.3 [appellant] en zijn broer zijn daarnaast volledig eigenaar (geweest) van de percelen gemeente [.....] met een gezamenlijke oppervlakte van 2.53.85 ha.

3.4 [appellant] heeft het volledige gebruik gehad van het perceel gemeente [.....] ter grootte van 0.86.30 ha. Dit perceel behoorde ieder voor één vierde gedeelte aan de broers [A] en ieder voor één zesde aan de broers [B] en hun zus [F] (hierna ook: [C]). De broers en zus [B] hebben hun aandeel in de eigendom van het perceel op 28 februari 1997 verkocht aan Mulleners Vastgoed B.V. die heeft doorverkocht aan de gemeente.

3.5 Bij verkoopovereenkomst van 2 augustus 1995 hebben de broers [B] aan S.B.A. Projectontwikkeling B.V. (hierna: SBA) onder meer hun aandeel in de eigendom van de onder 3.2 genoemde percelen verkocht. Uiteindelijk zijn deze aandelen in de percelen aangekocht door de gemeente.

3.6 [appellant] en zijn broer hebben op 18 mei 1999 een schriftelijke overeenkomst van ruiling gesloten met de gemeente waarbij zij hun aandeel in de eigendom van een achttal (gedeeltelijke) percelen hebben geruild tegen een perceel van 2.62.25 ha, welke percelen over en weer zijn geleverd bij transportakte van 18 januari 2002.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 31 december 2008 omdat hij tegen dat vonnis geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd de schriftelijke vastlegging van de pachtovereenkomst betreffende de percelen

A. gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.29.61 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.55.75 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.08.75 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.14.60 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.29.60 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.03.65 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.07.25 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.33.20 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.05.95 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.04.50 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.14.60 ha;

gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.08.30 ha,

(de aandelen van de broers [B], vergelijk onder 3.2) en

B. gemeente [.....], gedeeltelijk, groot 0.43.15 ha

(het aandeel van [C] in het onder 3.4 genoemde perceel)

tezamen groot 2.58.91 ha,

ingaande maart 1980, tegen een tegenprestatie bestaande uit het gebruik van de percelen gemeente [.....] met een gezamenlijke grootte van 2.53.85 ha, welke pachtovereenkomst oorspronkelijk is aangegaan tussen [appellant] als pachter en [D] en [E] als verpachters en welke pachtovereenkomst na rechtsverkrijging onder bijzondere titel nadien is overgegaan op de gemeente Sittard-Geleen als verpachter, de bovengenoemde vordering vermeerderd met kosten en rente. De gemeente heeft in voorwaardelijke reconventie, namelijk voor het geval een pachtovereenkomst bestaat, de ontbinding daarvan gevorderd met de benoeming van een deskundige om de schadeloosstelling vast te stellen.

4.3 [appellant] heeft daartoe gesteld dat tussen hem en de broers [B] een ploegruil tot stand is gekomen waarbij hij de onder 4.1 genoemde percelen in gebruik had gekregen en hij de onder 3.3 genoemde percelen aan de broers [B] in gebruik had gegeven. De pachtkamer in eerste aanleg heeft in het vonnis van 31 december 2008 geoordeeld dat aan de kwalificatie van de tussen (de broers) [A] en de broers [B] gestelde overeenkomst als pachtovereenkomst de door [appellant] gestelde benaming "ploegruil" niet in de weg staat. Voor de beoordeling van de vraag of de gestelde pachtovereenkomst tot stand is gekomen heeft de pachtkamer bewijs opgedragen aan [appellant]. Bij eindvonnis heeft de pachtkamer [appellant] geslaagd geacht in zijn bewijs en overwogen dat de sedert maart 1980 bestaande pachtovereenkomst betreffende de onder 4.1 genoemde percelen in elk geval in 2004 is geëindigd. Een overeenkomstige verklaring voor recht is in conventie gegeven met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. In reconventie is de gemeente niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.

4.4 [appellant] richt zijn hoger beroep hoofdzakelijk tegen het oordeel van de pachtkamer dat de pachtovereenkomst betreffende de onder 4.1 onder A (hierna: de percelen [.....]) en onder B (hierna: perceel [perceelnummer]) genoemde percelen in 2004 is geëindigd doordat de broers [B] de percelen gemeente [.....] (hierna: de percelen [.....]) hebben laten liggen. In het voorwaardelijk incidenteel appel herhaalt de gemeente haar reconventionele vordering. Daarnaast herhaalt de gemeente in hoger beroep haar beroep op verjaring van de vastleggingsvordering en op rechtsverwerking. Deze beroepen falen.

4.5 [appellant] heeft niet alleen in 2001 met projectontwikkelaars gesproken over zijn pachtrechten maar ook in de jaren 2002, 2005 en 2007 met de gemeente over die pachtrechten gecorrespondeerd. Stukken daarvan bevinden zich in het dossier. Het hof verwijst onder meer naar randnummers 10 en 11 van de conclusie van repliek in conventie. Van verjaring is daarom geen sprake. Evenmin valt in te zien dat de gemeente onredelijk in haar bewijspositie is benadeeld omdat [appellant] in 2008 pas tot dagvaarding van de gemeente is overgegaan, op een moment dat de broers [B] al een aantal jaren waren overleden (vgl. p. 4 memorie van antwoord in principaal hoger beroep). Al veel eerder kon en moest de gemeente rekening houden met een op een pachtovereenkomst gebaseerde vordering van [appellant]. Daar komt bij dat [E] weliswaar op 11 augustus 1998 is overleden, maar [D] pas op 14 juli 2006 (vgl. p. 2 conclusie van dupliek in conventie). Dat en waarom de gemeente - door toedoen van [appellant] - niet in staat zou zijn geweest voor het overlijden van [D] haar bewijspositie te verzekeren, heeft de gemeente niet toegelicht.

4.6 Bij de beoordeling van de vordering van [appellant] stelt het hof het volgende voorop. In dit hoger beroep moet als vaststaand worden aangenomen dat [appellant] (en zijn broer) met de broers [B] (en hun zus) rond 1980 een ploegruil hebben afgesproken. Een en ander bracht mee dat de broers [B] als pachters van [appellant] (en zijn broer) als verpachter het gebruiksrecht verkregen op de percelen [.....]. [appellant] heeft als pachter het gebruiksrecht verkregen op de percelen [.....]. Vanwege de akte van verdeling betrof dit een pachtrecht op het aandeel van de broers [B] in deze percelen, te weten de onverdeelde helft ervan. [appellant] heeft het aandeel van hem en zijn broer, de (andere) onverdeelde helft, in de genoemde percelen als eigenaar bewerkt.

4.7 Waar de broers [B] ten aanzien van de percelen [.....] alleen pachters waren van in eigendom aan de broers [A] toebehorende grond, heeft [appellant] de percelen [.....] dus in zijn hoedanigheid van pachter én in zijn hoedanigheid van (mede)eigenaar gebruikt. Hetzelfde geldt m.m. voor perceel [perceelnummer], dat [C] als verpachters van telkens een zesde deel aan [appellant] en zijn broer als pachters in gebruik hebben gegeven, welke perceel [appellant] mede als eigenaar van één vierde gedeelte bewerkt(e).

4.8 Tussen [appellant] en [C] zijn op grond van de ploegruil twee pachtovereenkomsten tot stand gekomen waarbij partijen (wat [C] betreft, in elk geval de broers [B]) over en weer in hun hoedanigheid van pachter en verpachter zijn opgetreden. Deze beide pachtovereenkomsten zijn samenhangende rechtsverhoudingen. Beide pachtovereenkomsten houden immers zodanig verband met elkaar dat wijzigingen die intreden in de ene pachtovereenkomst mogelijk gevolgen behoren te hebben voor de andere pachtovereenkomst. Voor de vraag of dat het geval is en tot welke rechtsgevolgen dit moet leiden, zijn de aard van de overeenkomsten, de gedragingen van partijen en de verwachtingen die zij over en weer van elkaar mochten hebben en de overige feiten en omstandigheden van het geval van belang, een en ander onverminderd de toepasselijkheid van de (grotendeels dwingendrechtelijke) wettelijke regeling van de pacht.

4.9 De pachtkamer in eerste aanleg heeft kennelijk geoordeeld dat de beëindiging van het gebruiksrecht op de percelen [.....] door de broers [B] in de pachtovereenkomst tussen [appellant] als verpachter en de broers [B] als pachters, in de pachtovereenkomst tussen [C] als verpachter en [appellant] als pachter meebracht dat de rechten van [appellant] eindigden omdat [C] niet langer de tegenprestatie van [appellant] accepteerden.

4.10 De eerste twee grieven van [appellant] komen hier terecht tegen op. Het eenzijdig afzien door de verpachter van de overeengekomen tegenprestatie brengt niet mee dat de pachtovereenkomst eindigt, laat staan met wederzijds goedvinden. Dit is niet anders indien er sprake is, zoals in het onderhavige geval, van samenhangende rechtsverhoudingen.

4.11 Op de gemeente rust de bewijslast van haar stelling dat de pachtovereenkomst tussen [C] als verpachters en [appellant] als pachter (verder: de pachtovereenkomst) is beëindigd met wederzijds goedvinden. Dat bewijs kan - anders dan de gemeente aanvoert - niet gevonden worden in de verzoeken van [appellant] om schadevergoeding voorafgaand aan deze procedure. Het enkele feit dat [appellant] herhaaldelijk om schadeloosstelling in verband met de beëindiging of ontbinding van de pachtovereenkomst heeft verzocht, brengt niet mee dat de pachtovereenkomst - zonder recht op schadeloosstelling - met wederzijds goedvinden is beëindigd. Dat de pachtovereenkomst overeenkomstig de geldende vereisten reeds is ontbonden, heeft de gemeente onvoldoende toegelicht. Ook het feit dat [appellant] de percelen [perceelnummers] in 2005 heeft moeten laten liggen (vgl. productie 1 in eerste aanleg van de gemeente), maakt op zichzelf geen einde aan de bestaande pachtverhouding.

4.12 Onder meer met het oog op de vraag of de gemeente op andere gronden reeds (voorlopig) in haar bewijs geslaagd kan worden geacht of nog tot nader bewijs zal worden toegelaten, zal het hof een comparitie van partijen gelasten. Tijdens die zitting zal het hof met partijen de navolgende aspecten van de zaak bespreken. Wat het hof hierna over die aspecten overweegt, heeft een voorlopig karakter.

4.13 Wat de aard van de pachtovereenkomst betreft, geldt het volgende. [appellant] heeft als pachter recht op pachtbescherming. De omstandigheid dat hier sprake is van samenhangende rechtsverhoudingen brengt mee dat, indien een wijziging in de wederzijds bestaande rechten en verplichtingen optreedt, het voor de hand ligt dat partijen in overleg treden. De gemeente heeft betwist dat een dergelijk overleg niet zou hebben plaatsgevonden en daarbij gewezen op de familieverhoudingen. Het hof wenst door [appellant] nader over zijn contacten met de broers [B] en over de onderlinge familieverhoudingen te worden ingelicht. Zo volgt uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat volgens hen de broers [B] de percelen [.....] in elk geval tot in 1999 nog hebben gebruikt, mogelijk langer. Volgens [appellant] heeft hij de percelen [.....] pas in 2004 in gebruik genomen. [appellant] is de enige die dat heeft verklaard. Het hof wenst van [appellant] te vernemen welke contacten er tussen hem en de broers [B] zijn geweest in de periode van de verkoop van de gronden (de periode 1995-1997) en de periode tussen 1998 en 2004.

4.14 Uitgaande van de samenhangende rechtsverhoudingen, was het niet alleen aan [C] in hun hoedanigheid van verpachter (en pachter) in overleg te treden met [appellant] naar aanleiding van de gewijzigde situatie, maar evenzeer kon van [appellant] in zijn hoedanigheid van pachter (en verpachter) worden verlangd dat hij overleg zou zoeken met [C] [appellant] mocht er niet zonder meer op vertrouwen dat de pachtovereenkomst met betrekking tot de percelen [.....] en [perceelnummer] onverminderd en wel om niet zou voortduren nadat de broers [B] het gebruik van de percelen [.....] hadden beëindigd. Dat [appellant] de percelen [.....] en [perceelnummer] om niet is blijven gebruiken, volgt uit het feit dat niet is gesteld of gebleken dat [appellant] in de periode 1998 tot heden een andere tegenprestatie in ruil voor dat gebruik heeft aangeboden of voldaan aan [C] en hun rechtsopvolgers.

4.15 Indien moet worden aangenomen dat voormeld overleg niet heeft plaatsgevonden, gaat het hof veronderstellenderwijs uit van de volgende hypothetische uitkomst van een dergelijk overleg. Waar de broers [B] als pachters kennelijk geen behoefte meer hadden aan het gebruiksrecht van de percelen [.....], is aannemelijk dat de ploegruil in zoverre met wederzijds goedvinden zou zijn geëindigd. Het motief van [D] (zijn broer was op 11 augustus 1998 overleden) om de grond te laten liggen is, behoudens het hierna onder 4.17 en 4.18 vermelde, echter niet duidelijk. Omdat in elk geval aangenomen mag worden dat [appellant] in zijn hoedanigheid van pachter van de percelen [.....] en [perceelnummer], die hij immers ook als eigenaar bewerkte, nog wel belang had bij de voortzetting van zijn pachtverhouding met [C], is aannemelijk dat partijen een andere tegenprestatie dan een tegenprestatie bestaande uit het in gebruik geven van grond zouden zijn overeengekomen. Juist omdat [appellant] de percelen [.....] voor de ongedeelde helft als eigenaar bewerkt(e) en [perceelnummer] als eigenaar voor één vierde deel, ligt het niet voor de hand dat hij met wederzijds goedvinden zou hebben afgezien van zijn pachtersaanspraken op respectievelijk de ongedeelde helft die aan de broers [B] toebehoorde en de drie één zesde delen van [C]

4.16 Uit de overgelegde stukken en de door partijen ingenomen stellingen zijn verder gedragingen van [appellant] en de broers [B] af te leiden die mede bepalend kunnen zijn voor het antwoord op de onder 4.8 gestelde vraag. Het hof wijst op het navolgende.

4.17 In de koopovereenkomst van 2 augustus 1995 (productie 2 bij inleidende dagvaarding) waarbij de broers [B] hun aandeel in de eigendom van de percelen [.....] aan SBA hebben verkocht, staat in artikel 18 voor zover van belang het navolgende:

"De koper [SBA, hof] verklaart ermee bekend te zijn - zulks in afwijking van het vorenstaande - dat het verkochte in ploegruil is afgestaan aan de heer [appellant]. Alle kosten, die koper maakt om de gronden vrij van gebruik te krijgen komen voor rekening van de koper. Verkoper [de broers [B], hof] verklaart teneinde voormelde ploegruil ongedaan te maken om niet afstand te doen van zijn gebruiksrechten van de door [appellant] aan hem in ploegruil gegeven percelen, zulks indien en voorzover bewerkstelligd wordt dat [appellant] geen gebruiksrechten meer heeft m.b.t. voormeld registergoed."

Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de broers [B] het risico van voortgezet gebruik door [appellant] op basis van de ploegruil bij SBA - in zoverre de opvolgende verpachter - hebben gelegd. Om de ploegruil ongedaan te maken en het gebruiksrecht van [appellant] te beëindigen, zouden de broers [B] hun gebruik van de percelen [.....] wel beëindigen. In de clausule is echter opgenomen "zulks indien en voorzover bewerkstelligd wordt" waaruit volgt dat de broers [B] twijfelden of de beëindiging van hun gebruik ook zou leiden tot het einde van het gebruiksrecht van [appellant]. Die twijfel en de daaraan verbonden risico’s zijn dus bij de koper gelegd.

4.18 In de koopakte van het perceel [perceelnummer] van 28 februari 1997 (gedeeltelijk overgelegd bij productie 3 bij de conclusie van dupliek in conventie) is echter opgenomen dat [C] genoemd perceel vrij van pacht leverden. Hoewel de levering vrij van pacht niet aan [appellant] kan worden tegengeworpen - hij was immers geen partij bij de zojuist genoemde transactie - kan daaruit worden afgeleid dat [C] in 1997 van mening waren dat de pacht van perceel [perceelnummer] beëindigd was.

4.19 Uit een brief van 3 oktober 1997 (productie 9 bij conclusie van dupliek in reconventie) volgt dat [appellant] (waarbij het hof ervan uitgaat dat met [G] partij [appellant] is bedoeld) op dat moment niet was gebleken dat de broers [B] de percelen [.....] ter vrije beschikking aan hem hadden gesteld. Kennelijk hielden de broers [B] zich toen (nog) niet aan de afspraak ex artikel 18 van de koopovereenkomst met SBA. Het hof vraagt [appellant] toe te lichten op welke gronden zijn wetenschap destijds in oktober 1997 berustte en hoe hij vervolgens heeft gehandeld ten aanzien van die percelen.

4.20 Als niet weersproken staat voorts vast dat de broers [A] bij akte van 29 juni 1998 hun aandeel in de percelen [perceelnummers] in eigendom hebben overgedragen, vrij van pacht (vgl. p. 2 conclusie van dupliek in conventie, laatste alinea). Weliswaar was hun aandeel in die percelen vrij van pacht, maar daartegenover staat dat de broers [B] en de broers [A] ieder voor de onverdeelde helft eigenaar waren. De vraag is dan ook welke afspraken [appellant] - die naar zijn stelling beide percelen volledig bewerkt(e), als pachter en als eigenaar - met de koper heeft gemaakt en in hoeverre daarbij de pachtverhouding aan de orde is geweest. Het hof verlangt dat [appellant] in elk geval de koop- en leveringsakte van deze transactie in het geding brengt.

4.21 Volgens zijn getuigenverklaring heeft [appellant] de percelen [.....] in 2004 weer in gebruik genomen. Nu uit de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kan worden afgeleid dat de broers [B] de gronden (enige tijd) na 1999 hebben laten liggen, is de vraag wie de percelen tussendoor heeft bewerkt. Volgens de verklaring van getuige [getuige 1] is dat niet geschied door een loonwerker van zijn vader, [E]. Omdat alleen [appellant] heeft verklaard dat hij pas in 2004 de percelen [.....] is gaan bewerken en hij geen afdoende verklaring geeft voor de tussenliggende periode, zal [appellant] worden opgedragen bedrijfsgegevens (meitellinggegevens) te overleggen waaruit volgt welke percelen hij op grond van welke titel in de periode 1999-2004 in gebruik had.

4.22 Uit een Objectlijst rechthebbende van het kadaster van 13 januari 2010 die de gemeente bij memorie van antwoord heeft overgelegd, valt niet af te leiden dat [appellant] op die datum nog beschikte over de percelen [.....]. Indien hij daarover niet meer beschikt, kan [appellant] niet meer aan de overeengekomen tegenprestatie in de pachtverhouding tot de broers [B] en hun rechtsopvolgers voldoen. Ook hierover verwacht het hof opheldering van [appellant].

4.23 Verder valt op dat in die Objectlijst de aandelen in de percelen [.....] van de broers [A] niet meer lijken voor te komen. Indien [appellant] genoemde aandelen heeft vervreemd, rijst ook hier de vraag welke afspraken [appellant] - die naar zijn stelling alle percelen volledig bewerkt(e), als pachter en als eigenaar - met de koper heeft gemaakt en in hoeverre daarbij de pachtverhouding aan de orde is geweest.

4.24 Het is mede afhankelijk van hetgeen ter comparitie door partijen wordt verduidelijkt wat het antwoord zal zijn op de onder 4.8 gestelde vraag. Indien het hof tot het oordeel komt dat de pachtovereenkomst met betrekking tot de percelen [.....] en het perceel [perceelnummer] nog van kracht is, komt aan de orde of de gemeente ontbinding daarvan kan vorderen met de verplichting [appellant] schadeloos te stellen.

4.25 De gemeente beroept zich op de voet van het hier toepasselijke artikel 7:377 BW op bestemmingswijziging als grond voor ontbinding. Het hof verzoekt de gemeente ter zitting nader toe te lichten dat de nieuwe bestemming (woningbouw) gebaseerd is op een onherroepelijk bestemmingsplan dan wel dat er andere gronden zijn om te oordelen dat de voorgenomen bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang. Dat de desbetreffende percelen nog niet voor de (onherroepelijke) gewijzigde bestemming in gebruik zijn genomen door de gemeente, zoals [appellant] aanvoert onder nr. 24 in de conclusie van dupliek in reconventie, is niet relevant. Dat is immers geen vereiste.

4.26 Met het mogelijke vooruitzicht op ontbinding van de pachtovereenkomst en schadeloosstelling, verlangt het hof van [appellant] nadere inlichtingen over de gevolgen die de ontbinding van de pachtovereenkomsten voor hem met zich zou brengen. [appellant] wordt verzocht zijn standpunt ter zake zo veel mogelijk met stukken te onderbouwen en deze stukken voorafgaand aan de comparitie aan het hof en de wederpartij toe te zenden. [appellant] dient in ieder geval jaarrapporten van zijn bedrijf over de afgelopen jaren (2005-2010) over te leggen alsmede een opgave van het gebruik van de diverse gronden in die jaren.

Slotsom

4.27 Het hof zal een comparitie van partijen gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen als hiervoor in rovs. 4.13, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.26 ([appellant]) en 4.25 (de gemeente) overwogen en/of voor het beproeven van een minnelijke schikking. [appellant] zal worden opgedragen de stukken als bedoeld in rovs. 4.20, 4.21 en 4.26 in het geding te brengen. De partij die bij gelegenheid van die comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, dient ervoor te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 14 dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.

4.28 Verder zal het hof iedere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 31 december 2008;

bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon en de gemeente vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor de pachtkamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door de voorzitter te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als bedoeld in rovs. 4.13, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.25 ([appellant]) en 4.26 (de gemeente) en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden december 2010, januari en februari 2011 zullen opgeven op de roldatum 7 december 2010, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de voorzitter zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] de stukken als bedoeld in rov. 4.20, 4.21 en 4.26 in het geding dient te brengen en dat hij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 14 dagen voor de dag van de zitting een afschrift (het hof in zesvoud en de wederpartij in enkelvoud) van die stukken hebben ontvangen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of andere producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 14 dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties (het hof in zesvoud en de wederpartij in enkelvoud) hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr.ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010.