Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP1049

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
200.058.779/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als gevolg van fout van mestbureau is aan pluimveehouder zgn. MINAS-heffing opgelegd. Pluimveehouder heeft deze heffing uiteindelijk niet hoeven te betalen, aangezien hij het mineralen overschot mocht compenseren met een positief saldo in zijn mineralenboekhouding, voortvloeiende uit een beginvoorraad mest. De schade van de pluimveehouder bestaat in casu uit de kosten die hij heeft moeten maken om extra mest af te zetten teneinde weer een positief saldo in zijn mineralenboekhouding op te bouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 30 november 2010

Zaaknummer 200.058.779/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[Naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. I.M. Hidding, kantoorhoudende te Nieuw Amsterdam,

die ook gepleit heeft,

tegen

Mr. Petrus Stephanus Laurentius Peters, handelende in hoedanigheid van curator in de faillissementen van Mestbureau Oost Beheer B.V. en Mestbureau Logistiek B.V., beide gevestigd en voorheen kantoorhoudende te Deventer,

kantoorhoudende te Deventer,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. P.F. Schepel, kantoorhoudende te Deventer.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 6 januari 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 26 februari 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de curator tegen de zitting van 9 maart 2010.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"I te vernietigen het vonnis waarvan beroep

II en om mr. Petrus Stephanus Laurentius Peters, handelende in zijn hoedanigheid van

curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Mestbureau Oost Beheer B.V. en Mestbureau Logistiek B.V, te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Mr. Petrus Stephanus Laurentius Peters, handelende in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Mestbureau Oost Beheer B.V. en Mestbureau Logistiek B.V, heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

III Mr. Petrus Stephanus Laurentius Peters, handelende in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Mestbureau Oost Beheer B.V. en Mestbureau Logistiek B.V., te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- (zonder betekening) respectievelijk € 205,- (met betekening), een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en -voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

één en ander, voorzover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door de curator verweer gevoerd met als conclusie:

"tot afwijzing van het hoger beroep, bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van [appellant] bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in hoger beroep, op voorhand te begroten nasalaris en de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente over alle proceskosten vanaf 14 dagen na het wijzen van het arrest daaronder begrepen."

Vervolgens heeft [appellant] zijn zaak doen bepleiten onder overlegging van een pleitnota door zijn advocaat. De curator is bij het pleidooi aanwezig geweest en heeft tevens het woord gevoerd.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] een akte houdende producties genomen.

Ten slotte heeft de curator de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.7) van het bestreden vonnis d.d. 6 januari 2010 een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. In deze zaak staat het volgende vast.

2.1. Mestbureau Oost Beheer B.V. (verder te noemen: Mestbureau Oost) heeft met de maatschap [appellant]-Post (verder te noemen: de maatschap) een overeenkomst gesloten op grond waarvan Mestbureau Oost pluimveemest van de maatschap heeft afgenomen en de wettelijk voorgeschreven analyses van deze mest heeft uitgevoerd. Voor het afnemen van de mest heeft de maatschap een factuur d.d. 27 september 2001 ontvangen ten bedrage van (thans) € 5.874,54.

2.2. [appellant] heeft na echtscheiding van mevrouw E. Post de onderneming van de maatschap voortgezet.

2.3. De sub 2.1 genoemde factuur heeft betrekking op een aantal vrachten mest. Ten aanzien van één vracht wijken de analyseresultaten onverklaarbaar sterk af van het gemiddelde gehalte. Dit heeft tot gevolg gehad dat [appellant] in het jaar 2001 een overschot van 662 kilogram fosfaat en 30 kilogram stikstof had, waarover hem door het toenmalige Bureau Heffingen onder dagtekening van 14 oktober 2003 een zogenaamde MINAS-heffing van € 5.905,00 voor fosfaat en € 20,00 voor stikstof is opgelegd, zulks op grond van het bij en krachtens de Meststoffenwet bepaalde.

2.4. Bij het afnemen van het monster of de analyse daarvan is een fout gemaakt. Immers [appellant] exploiteert een zogenaamd gesloten bedrijf, waarin normaal gesproken de aanvoer van mineralen in het voer van de dieren gelijk is aan de afvoer van mineralen in de door hem geproduceerde mest. De mest bevat normaal gesproken een gehalte van ongeveer 25 kilogram fosfaat per ton, terwijl het analyserapport van de bewuste vracht een gehalte van slechts 12,4 kilogram fosfaat vermeldt.

2.5. [appellant] heeft hierover direct geklaagd bij Mestbureau Oost en haar bij brief van 12 november 2001 aansprakelijk gesteld voor de schade.

2.6. Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 juni 2002 is Mestbureau Oost (gelijk met Mestbureau Logistiek B.V.) in staat van faillissement verklaard onder aanstelling van de curator.

2.7. Bureau Heffingen hanteerde destijds in gevallen als de onderhavige het beleid dat overschotten mochten worden gecompenseerd met tekorten in latere jaren. Tevens bestond de mogelijkheid tot compenseren met een positief saldo voortvloeiende uit een beginvoorraad mest bij aanvang van de MINAS-periode. Als gevolg hiervan behoefde [appellant] de hem opgelegde heffing (uiteindelijk) niet te betalen.

Het geschil in eerste aanleg

3. De curator heeft in eerste aanleg in conventie veroordeling van [appellant] tot betaling van € 6.642,54, vermeerderd met rente en kosten, gevorderd. In reconventie heeft [appellant] veroordeling van de curator tot betaling van € 4.200,00, vermeerderd met rente en kosten, gevorderd.

4. De rechtbank heeft [appellant] in reconventie niet-ontvankelijk verklaard en heeft [appellant] in de proceskosten veroordeeld. In conventie heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.642,54, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 5.874,54 vanaf 24 november 2001 tot aan de dag van volledige betaling. Voorts heeft de rechtbank [appellant] in de proceskosten in conventie veroordeeld.

De grieven

5. Grief 1 houdt in dat de rechtbank [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering in reconventie. In de toelichting betoogt [appellant] dat de rechtbank daarbij ten onrechte is voorbijgegaan aan de mogelijkheid die art. 53 Fw biedt ter verrekening van de vordering in reconventie met de vordering in conventie van de curator.

6. Het hof overweegt dienaangaande dat deze grief berust op een verkeerde lezing van het vonnis van de rechtbank, omdat de rechtbank de mogelijkheid van verrekening in conventie met de tegenvordering van [appellant] niet heeft miskend (zie rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis). Nu de rechtbank [appellant] terecht op basis van art. 26 Fw niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering in reconventie, dient het vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen te worden bekrachtigd.

7. Grief 1 faalt derhalve.

8. Grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoofdsom door [appellant] niet wordt betwist. In de toelichting op deze grief stelt [appellant] dat hij steeds het verweer heeft gevoerd dat hij de factuur niet hoeft te voldoen omdat de overeenkomst niet naar behoren is uitgevoerd. Nu hij schade heeft geleden als gevolg van een fout van het Mestbureau, is hij niet gehouden de gehele factuur te voldoen, aldus [appellant]. [appellant] stelt in dit verband dat hij alleen al schade heeft geleden doordat hij in onzekerheid heeft verkeerd over de vraag of hij alsnog een MINAS-heffing moest betalen en door alle tijd en moeite die het hem heeft gekost om met de curator in gesprek te komen. 'Primair' is hij dan ook van mening dat hij niet gehouden is de factuur te voldoen. 'Daarnaast' dient de curator de door [appellant] geleden schade te vergoeden, zoals is verwoord in de eis in reconventie.

9. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor zover [appellant] bedoelt te stellen dat hij als gevolg van de enkele wanprestatie niet gehouden is de factuur te voldoen, ontbeert dit rechtsgrond. Om aan de verplichting tot betaling van de factuur te ontkomen, had hij de overeenkomst met Mestbureau Oost gedeeltelijk dienen te ontbinden, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Voor zover [appellant] beoogt te stellen dat zijn schade tevens de door hem gestelde emotionele schade omvat, overweegt het hof dat de wet in een geval als het onderhavige geen ruimte biedt voor vergoeding van immateriële schade (art. 6:106 BW).

10. Grief 2 faalt dan ook.

11. De grieven 3 en 4 betreffen de kern van het geschil tussen partijen: heeft [appellant] schade geleden als gevolg van de fout van Mestbureau Oost? De curator stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen schade heeft geleden, aangezien hij de MINAS-heffing (uiteindelijk) niet heeft hoeven te betalen. [appellant] stelt dat zijn schade hierin bestaat dat hij extra mest heeft moeten afzetten uit zijn voorraad teneinde wederom een positief saldo in de mineralenboekhouding te bereiken, nu het positieve saldo uit de voorgaande jaren was aangewend ter compensatie van het in 2001 - als gevolg van de fout van Mestbureau Oost - ontstane overschot.

12. De curator heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep niet langer betwist dat de extra mest die [appellant] heeft afgezet afkomstig was uit de voorraad mest, waarover [appellant] sinds de aanvang van de MINAS-periode beschikte. De curator stelt zich echter op het standpunt dat [appellant] zich als gevolg van een "misverstand" aan diens zijde genoodzaakt heeft gevoeld om deze extra mest af te zetten, en dat [appellant] de daaraan verbonden kosten niet kan afwentelen op de boedel.

13. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Tussen partijen staat vast dat de MINAS-heffing niet hoefde te worden betaald omdat het mineralentekort in de zogenaamde mineralenbalans volledig is verrekend met het positief saldo aan mineralen waarover [appellant] beschikte als gevolg van een beginvoorraad mest bij de aanvang van de MINAS-periode. Dit positief saldo is [appellant] derhalve als gevolg van de fout van het Mestbureau Oost kwijtgeraakt. Het hof volgt [appellant] in zijn standpunt dat de kosten die hij heeft gemaakt om dit positief saldo weer op te bouwen c.q. aan te vullen zijn aan te merken als schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de fout van het Mestbureau Oost, nu [appellant] ten tijde van het afzetten van de extra mest op goede gronden mocht menen dat hij belang had bij een positief saldo in zijn mineralenboekhouding overeenkomstig het saldo bij invoering van de MINAS-heffingen. De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat [appellant] dit positief saldo niet nodig had, doet daaraan niet af.

14. In eerste aanleg heeft [appellant] de kosten voor het afzetten van extra mest berekend op een bedrag van € 4.200,00. Tijdens het pleidooi in hoger beroep is [appellant] met een gewijzigde kostenberekening gekomen, resulterende in een bedrag van € 4.329,00. Het hof is van oordeel dat deze aanvulling van de feitelijke grondslag van het verweer tardief is, zodat het hof zal uitgaan van een bedrag van € 4.200,00.

15. In eerste aanleg heeft de curator deze berekening, als zijnde te summier, betwist (conclusie van repliek in conventie, tevens van antwoord in reconventie sub 12). De curator heeft de ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep overgelegde facturen (producties 3 t/m 12) onbestreden gelaten. Het had echter op zijn weg gelegen daar op in te gaan. Nu hij dat heeft nagelaten, schiet hij in dit opzicht in de betwisting van het verrekeningsverweer tekort.

16. Het voorgaande leidt ertoe dat [appellant] zijn vordering ad € 4.200,00 mag verrekenen met het bedrag van de factuur ad € 5.874,54, zodat een aan de curator toe te wijzen bedrag in hoofdsom ad € 1.674,54 resteert.

17. De grieven 3 en 4 slagen derhalve. Dit brengt mee dat [appellant] geen belang heeft bij grief 5.

18. Grief 6 houdt in dat de rechtbank ten onrechte de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft toegewezen.

19. Het hof is van oordeel dat de curator in redelijkheid geen aanspraak kan maken op buitengerechtelijke kosten, nu hij pas in 2009 inhoudelijk is ingegaan op de reden die [appellant] opgaf voor zijn weigering om tot betaling van de factuur over te gaan.

20. Grief 6 slaagt derhalve.

21. Grief 7 heeft betrekking op de wettelijke rente. In de toelichting betoogt [appellant] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij gehouden is de wettelijke rente vanaf de gevorderde datum te voldoen.

22. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar achteraf is gebleken, heeft [appellant] de betaling van de factuur ad € 5.874,54 tot een bedrag van € 4.200,00 terecht opgeschort. Wat betreft het resterende bedrag van € 1.674,54 is de opschorting achteraf bezien onterecht geweest, zodat [appellant] over dit bedrag in beginsel de wettelijke rente vanaf de gevorderde datum verschuldigd is. Het hof volgt [appellant] echter in zijn standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij de wettelijke rente vanaf 24 november 2001 verschuldigd zou zijn, nu de curator pas in 2009 inhoudelijk is ingegaan op de reden die [appellant] opgaf voor zijn weigering om tot betaling van de factuur over te gaan en bovendien de omvang van de daadwerkelijk door [appellant] geleden schade pas op een latere datum dan 24 november 2001 is komen vast te staan. Het hof zal de wettelijke rente over (het nog niet betaalde deel van het bedrag van) € 1.674,54 dan ook toewijzen vanaf 1 januari 2006, nu [appellant] vanaf die datum geacht kan worden bekend te zijn geweest met zijn werkelijke schade. Het MINAS-stelsel is immers per 2006 geëindigd, terwijl de factuur met betrekking tot de laatste afvoer onder het MINAS-stelsel (productie 12 ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep) dateert van 31 december 2005.

23. In zoverre treft grief 7 doel.

24. Gelet op het vorenoverwogene dient de curator zowel in eerste aanleg (in conventie) als in hoger beroep als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij te worden beschouwd. Het hof zal de curator dan ook in de proceskosten veroordelen.

25. Het hof passeert het bewijsaanbod van de curator als niet ter zake dienend.

De slotsom

26. Het vonnis d.d. 6 januari 2010 waarvan beroep dient te worden bekrachtigd voor zover in reconventie gewezen. Genoemd vonnis dient te worden vernietigd voor zover in conventie gewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende zal het hof [appellant] veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 1.674,54, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2006 tot aan de dag van voldoening. Voorts zal het hof de curator veroordelen om uit hoofde van onverschuldigde betaling aan [appellant] terug te betalen hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vernietigde vonnis meer heeft voldaan dan hij ingevolge dit arrest verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

27. De curator zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (eerste aanleg in conventie: 2 punten in tarief I; hoger beroep: 3 punten in tarief I), te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 (zonder betekening) respectievelijk € 205,00 (met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande veertien dagen na betekening van dit arrest.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 6 januari 2010 waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen;

vernietigt genoemd vonnis voor zover in conventie gewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 1.674,54, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2006 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt de curator om uit hoofde van onverschuldigde betaling aan [appellant] terug te betalen hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vernietigde vonnis meer heeft voldaan dan hij ingevolge dit arrest verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg in conventie op € 313,00 aan verschotten en € 768,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 507,93 aan verschotten en € 1.896,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 (zonder betekening) respectievelijk € 205,00 (met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de dag van voldoening;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M.M.A. Wind en H.M. Fahner, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 30 november 2010 in bijzijn van de griffier.