Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0636

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-09-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.051.914
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor vaststelling van het aanvangstijdstip van de limitering geldt niet de datum waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gaan wonen en de man een bijdrage is gaan betalen aan de vrouw. Ook geen aanleiding tot toewijzing van de subsidiair gevraagde afbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 september 2010

Zaaknummer 200.051.914/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Soytekin,

kantoorhoudende te Oud-Beijerland,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E. Jonker,

kantoorhoudende te Lelystad.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 30 september 2009, verbeterd op 28 oktober 2009, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 2.175,- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 december 2009, heeft de man

verzocht de verbeterde beschikking van 30 september 2009 te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw beslissende te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud wordt gesteld op nihil, althans op een bedrag van € 250,- bruto per maand tot 1 januari 2011, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof zal vermenen te behoren en voorts te bepalen dat eventuele bestaande achterstanden worden kwijtgescholden; kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 1 februari 2010, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

Ter zitting van 7 juni 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun respectieve advocaten. Desgevraagd heeft mr. Soytekin het petitum van het appelschrift verduidelijkt in die zin dat bedoeld is te verzoeken: "te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud wordt gesteld op nihil, althans op een bedrag van € 250,- bruto per maand tot 1 januari 2011, althans op een zodanig bedrag en tot een zodanige einddatum als het hof zal vermenen te behoren en voorts te bepalen dat eventuele bestaande achterstanden worden kwijtgescholden; kosten rechtens."

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 7 juli 1978 met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren. De jongste is op [2010] 18 jaar geworden.

2. Op 22 oktober 2008 heeft de vrouw zich tot de rechtbank gewend met het verzoek - voor zover hier van de belang - te bepalen dat de man € 3.000,- per maand dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud.

De man heeft zich hiertegen verweerd.

3. Overeenkomstig het gezamenlijk verzoek van partijen is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor de duur van de scheidingsprocedure bij beschikking van 10 november 2008 met ingang van

1 november 2008 bepaald op € 1.300,- per maand.

4. Bij de beschikking waarvan beroep, hersteld op 28 oktober 2009, is beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing is het appel van de man gericht.

5. Het huwelijk van partijen is op 13 januari 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De geschilpunten

6. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de behoefte van de vrouw;

- de draagkracht van de man en wel op het punt van de woonlasten;

- de limitering van de alimentatie.

De behoefte van de vrouw

7. Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden vastgesteld en in hoeverre de vrouw middels eigen inkomsten in deze behoefte kan voorzien.

8. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgeno(o)t(e) wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhouds-gerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

9. Bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte zal zowel in aanmerking moeten worden genomen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als het uitgaven- en bestedingspatroon in diezelfde periode. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat de echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. Daarbij gaat het niet alleen om consumptieve bestedingen. De welstand van partijen tijdens het huwelijk wordt mede bepaald door het gedeelte van het inkomen dat is gespaard, belegd of in duurzame goederen is geïnvesteerd.

10. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële kosten van levensonderhoud worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en overige, vaak globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals op vorenbedoelde wijze vastgesteld.

11. Partijen verschillen van mening over het moment waarop zij feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De man stelt dat dit in 1998 is gebeurd, aangezien hij in dat jaar (voor het eerst) de echtelijke woning heeft verlaten. Hij is van mening dat de behoefte van de vrouw gerelateerd dient te worden aan de welstand van partijen in 1998. De vrouw vindt dat partijen in 2007 feitelijk zijn gescheiden, omdat de man toen pas definitief is weggegaan. Zij stelt dat haar behoefte mede bepaald moet worden aan de hand van het huidige inkomen van de man.

12. Tussen partijen staat vast dat zij sinds 1998 nauwelijks hebben samengeleefd. Ook had de man tijdens het huwelijk van partijen al een andere partner. Toch hebben zowel de man als de vrouw om hen moverende redenen tot eind 2008 niet willen scheiden en hebben zij het huwelijk dus in stand gelaten. Daardoor heeft de huwelijkse onderhoudsplicht gewoon voortgeduurd. Ter uitvoering van die plicht heeft de man sinds 1998 maandelijks bedragen overgemaakt op de in stand gehouden en/of rekening van partijen.

13. Anders dan mr. Soytekin heeft gesteld, te weten dat de man de afgelopen elf jaren maandelijks gemiddeld € 700,- heeft betaald aan de vrouw, heeft de man ter zitting aangegeven dat hij altijd gemiddeld € 1.200,- à € 1.300,- per maand heeft overgemaakt op de en/of rekening van partijen. Dit blijkt ook uit de door de man overgelegde bankafschriften van de Rabobank, rekeningnummer 3376.23.759, waarvan de eerste dateert van 1 oktober 2001 en de laatste van 29 februari 2008. Ook de door partijen met ingang van 1 november 2008 als voorlopige voorziening overeengekomen partneralimentatie van € 1.300,- per maand bevestigt dit.

Hoewel bij deze voorlopige voorziening de term partneralimentatie is gebruikt, zijn de door de man aan de vrouw overgemaakte bedragen van (€ 1.200,- à)

€ 1.300,- per maand (of het equivalent daarvan in guldens) kennelijk niet alleen besteed aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw, maar ook aan de kosten van verzorging en opvoeding van de (minderjarige) kinderen van partijen, zoals de man onbetwist heeft gesteld. Dit lijkt ook te worden bevestigt doordat partijen beiden spreken over "huishoudgeld". Ingevolge artikel 1:84 BW worden de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen begrepen onder de kosten van de huishouding. Op grond van het vorenstaande zal het hof ervan uitgaan dat de man met ingang van 1998 gemiddeld steeds ƒ 2.755,-/€ 1.250,- per maand heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw èn in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen tezamen.

14. In beginsel is het redelijk om voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw uit te gaan van de gezinsinkomsten ten tijde van de daadwerkelijke huwelijkse samenleving, in casu 1998. In de bijzondere omstandigheid dat partijen ruim tien jaar al niet meer duurzaam hebben samengewoond en ook financieel geen gezamenlijke huishouding meer hebben gevoerd, ziet het hof echter aanleiding af te wijken van hetgeen gebruikelijk is. In het onderhavige geval wordt het redelijk geacht om voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw aan te sluiten bij datgene waarvan zij de laatste (vijf) jaren feitelijk heeft geleefd. Kennelijk heeft (hebben) de vrouw (en de kinderen) sinds 1998 kunnen rondkomen van de betalingen van de man, waar sinds 1 juni 2005 een klein arbeidsinkomen van de vrouw is bijgekomen. Hoogte en aard van zowel inkomsten als uitgaven van de vrouw sinds 1 juni 2005, geven naar het oordeel van het hof de beste indicatie ter bepaling van de behoefte van de vrouw en dus ook waarop de vrouw na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat de man in de afgelopen jaren vermogen heeft opgebouwd dat de vrouw mede ten goede komt.

15. Toen de man in 1998 vertrok woonden alle zes kinderen van partijen nog thuis. Daarvan waren op dat moment in ieder geval nog vier minderjarig. Van de oudste twee zijn de geboortedata het hof niet bekend. Daarom zal slechts rekening worden gehouden met de kosten van de vier jongste kinderen. Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten van zes kinderen niet veel hoger zullen zijn dan de kosten van vier kinderen, aangezien de gemiddelde kosten per kind dalen naarmate er meer kinderen in een gezin zijn. In de periode van 1998 tot 1 juni 2005 werd het gezinsinkomen van de vrouw en de kinderen uitsluitend gevormd door de bijdrage van de man van ƒ 2.755,-/ € 1.250,- per maand. Per 1 juni 2005 kwam daar het arbeidsinkomen van de vrouw van € 530,- per maand bij. Zoals hiervoor onder 14 is overwogen wordt slechts de periode na 1 juni 2005 redengevend geacht voor het niveau waarop de vrouw na de echtscheiding wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Uitgaande van de CBS-Nibud tabel met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van de kinderen, de leeftijd van de (vier jongste) kinderen en het gezinsinkomen, raamt het hof de totale behoefte van de minderjarige kinderen met ingang van 1 juni 2005 op in totaal € 410,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen resteert voor de vrouw sinds 1 juni 2005 een netto behoefte van

€ 1.370,- per maand. Na indexering bedraagt haar behoefte per 1 januari 2010 (afgerond) € 1.530,- netto per maand.

16. De vrouw heeft aangevoerd dat zij de afgelopen jaren heeft kunnen rondkomen van een relatief laag bedrag, omdat haar aan de voormalig echtelijke woning gekoppelde hypothecaire lasten zeer beperkt zijn. Haar behoefte van de afgelopen jaren kan daarom niet bepalend zijn voor haar toekomstige behoefte. Haar woonlasten zullen hoe dan ook stijgen. Of zij dient de man uit te kopen of zij dient andere woonruimte te zoeken. In beide situaties zullen haar woonlasten het bedrag van € 270,- per maand dat zij thans aan hypotheek betaalt overstijgen, aldus de vrouw.

17. Het hof acht de door de vrouw aangevoerde stijging van haar woonlasten een toekomstige omstandigheid waarmee thans, vanwege het onzekere karakter daarvan, geen rekening zal worden gehouden. Zolang de vrouw in de voormalige echtelijke woning aan de [adres] woont wordt zij in staat geacht om van voormeld bedrag van € 1.530,- per maand te leven, welk bedrag in ieder geval boven de voor haar geldende bijstandsnorm ligt. Tegen de tijd dat zich een wijziging in de woonlasten van de vrouw voordoet, staat het haar vrij op die grond wijziging van de onderhoudsbijdrage wegens gewijzigde omstandigheden te verzoeken.

18. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

19. De werkelijke of fictieve (dit is: in redelijkheid te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal leiden tot een nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.

20. Sinds 1 juni 2005 werkt de vrouw als interieurverzorgster bij Seafood Connection B.V. te Urk. Zij verdient daar € 530,- netto per maand inclusief vakantiegeld. De man heeft een beroep gedaan op de verdiencapaciteit van de vrouw. Hij is van mening dat zij geheel in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien.

21. De vrouw heeft de stelling van de man voldoende gemotiveerd weersproken. In het jaar 2000 is darmkanker bij haar geconstateerd. Zij heeft daarvoor een zware operatie moeten ondergaan waarbij een stoma is aangebracht. Verder heeft de vrouw chemotherapie moeten volgen en bestralingen gehad. Kort na haar herstel van kanker is de vrouw gevallen. Sindsdien is bekend geworden dat zij lijdt aan botontkalking. Als gevolg daarvan heeft zij nu een metalen plaat in haar arm.

22. Op grond van het vorenstaande, mede gelet op het feit dat de vrouw thans 55 jaar oud is en dat partijen een traditioneel huwelijk hadden, waarbij de man kostwinner was en de vrouw de verzorging en opvoeding van zes kinderen voor haar rekening nam, is het hof van oordeel dat de vrouw zich voldoende inspant om de voor haar resterende verdiencapaciteit te benutten. Vanaf het moment dat het jongste kind van partijen naar de middelbare school ging is zij buitenshuis gaan werken. De vrouw heeft een aanstelling van 20% bij haar werkgever. Zij verspreidt haar te werken uren (gemiddeld 8 à 9 uur) over de week; anders kan ze het fysiek niet volhouden. Gelet op haar gezondheidsproblemen, is het niet aannemelijk dat de vrouw in staat is door arbeid meer inkomsten te verwerven dan zij thans doet. Derhalve kan zij in alle redelijkheid niet geacht worden (op termijn) in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

23. Na aftrek van de eigen inkomsten van de vrouw resteert een behoefte aan een bijdrage van de man van € 1.000,- netto per maand. Uitgaande van een belastingdruk van deels 33,45% (schijf I) en deels 41,95% (schijf II) in 2010 bedraagt de bruto behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man met ingang van 13 januari 2010 (afgerond) € 1.580,- per maand.

24. Anders dan de man ingang wil doen vinden, zal het hof het door de bij de vrouw inwonende kinderen betaalde kostgeld buiten beschouwing laten. Dit kostgeld beïnvloedt de behoefte van de vrouw niet omdat de ertegenover staande werkelijke kosten tenminste op dat niveau zullen liggen.

De draagkracht van de man en wel op het punt van de woonlasten

25. De man woont samen met een nieuwe partner in [woonplaats]. De (bruto) hypotheeklasten van deze woning bedragen € 318,75 (96.39.66.049) en € 425,- (96.39.69.196) per maand.

26. De nieuwe partner van de man is in staat in eigen levensonderhoud te voorzien. Derhalve wordt zij geacht de helft van de woonlasten voor haar rekening te nemen, zodat de andere helft voor de man resteert.

27. Aangezien de exacte bruto/netto woonlasten van de man onbekend zijn gebleven, maar het aannemelijk is dat de nieuwe partner van de man fiscaal voordeel kan genieten over de op haar naam staande woning, zal worden uitgegaan van dezelfde netto woonlasten als de rechtbank heeft gedaan. Immers, van een bruto hypotheeklast van (€ 318,75 + € 425,- : 2 =) € 372,- per maand zal na belastingteruggave in ieder geval niet meer dan € 360,- per maand overblijven.

28. Overigens maakt een hogere netto woonlast, zoals de man wenst, geen enkel verschil voor de uitkomst van de onderhavige zaak. Ook indien wordt uitgegaan van de door de man gesteld netto woonlast van € 419,50 per maand is zijn draagkracht ruimschoots voldoende om in de resterende behoefte van de vrouw te voorzien.

De vaststelling van de alimentatie

29. Gelet op het vorenstaande en voorts uitgaande van de overige niet betwiste gegevens waaronder die in de beschikking waarvan beroep zal het hof de door de rechtbank berekende draagkrachtruimte van de man voor het betalen van partneralimentatie overnemen, zijnde € 2.175,- per maand.

30. Deze ruimte gaat de behoefte van de vrouw te boven, zodat de door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage wordt bepaald door haar behoefte van

€ 1.580,- per maand.

De kwijtschelding van achterstand

31. Ter zitting heeft de man medegedeeld dat hij, ook na de beschikking waarvan beroep, steeds maximaal € 1.300,- per maand aan de vrouw heeft betaald, zodat waarschijnlijk een forse betalingsachterstand is ontstaan. Het hof acht dit geenszins uitgesloten, maar acht geen termen aanwezig het verzoek van de man tot kwijtschelding te honoreren.

De limitering van de alimentatie

32. Bij de regeling betreffende de limitering van de onderhoudsverplichting in artikel

1:157 BW heeft de wetgever als uitgangspunt voor de duur van de onderhoudsverplichting een termijn van 12 jaar vastgesteld. Het limiteringsverzoek van de man is gegrond op de omstandigheid dat partijen in 1998 reeds feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Daarom vindt de man het (primair) redelijk om de partneralimentatie 12 jaar na 1 januari 1999 te limiteren, te weten tot 1 januari 2011.

33. Ingevolge artikel 1: 157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van 12 jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Na ommekomst van deze termijn heeft het eindigen van de alimentatieplicht een in beginsel definitief karakter. In verband met dit ingrijpende gevolg is het van groot belang dat het aanvangsmoment van de termijn van 12 jaar op eenvoudige wijze is vast te stellen. Aan dit vereiste is niet voldaan indien het aanvangstijdstip gerelateerd zou worden aan een situatie dat echtgenoten hun samenleving feitelijk hebben verbroken, maar niet (formeel) van tafel en bed gescheiden zijn. Het is immers geheel afhankelijk van een niet of nauwelijks te objectiveren, feitelijke beoordeling van de wijze waarop partijen hun huwelijk hebben ingericht, vanaf welk moment geoordeeld zou moeten worden dat de feitelijke situatie overeenstemt met de situatie na een (formele) scheiding van tafel en bed. Het limiteringsverzoek van de man dient daarom te worden afgewezen.

34. Subsidiair wenst de man een gefaseerde afbouw van de partneralimentatie, omdat het uitblijven van een (hoger) eigen inkomen van de vrouw niet langer op hem mag worden afgewenteld. De vrouw profiteert in de ogen van de man al voldoende van de latere formele scheiding, aangezien zij aanspraak kan maken op een deel van het door hem in de afgelopen 11 jaar opgebouwde pensioen, terwijl zijn nieuwe partner en niet de vrouw aan de daaraan ten grondslag liggende carrièreopbouw heeft bijgedragen.

35. Het hof leest het subsidiaire verzoek van de man als een verzoek de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw toe te kennen onder vaststelling van een termijn zoals bedoeld in artikel 1: 157 lid 3 BW. Bij de beoordeling van dit verzoek acht het hof de volgende omstandigheden van belang. Partijen zijn ruim 30 jaar getrouwd geweest. Er was (in ieder geval tot 1998) sprake van een traditioneel huwelijk waarbij de man kostwinner was en de vrouw de verzorging en opvoeding van zes kinderen voor haar rekening nam. Naarmate de kinderen ouder werden en de vrouw dientengevolge meer ruimte kreeg om een inkomen buitenshuis te gaan verwerven, is zij ernstig ziek geworden. Sindsdien heeft zij zich naar het oordeel van het hof voldoende ingespannen om te doen wat zij (nog) kan, zoals reeds onder 22 overwogen. Niet te verwachten valt dat de vrouw op termijn in haar volledige levensonderhoud kan voorzien door (meer) te gaan werken. Gelet op deze omstandigheden ziet het hof geen reden enige termijn te stellen.

Slotsom

36. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de op 28 oktober 2009 verbeterde beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een beslissing over de partneralimentatie is genomen;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 13 januari 2010 op € 1.580,- per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. Van Veen, voorzitter, Idsardi en Maan, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 september 2010 in het bijzijn van de griffier.