Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0618

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
107.003.989
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht op de door hem aangevoerde gronden een uitzondering op de door de Hoge Raad geformuleerde strakke regel aanwezig en laat de verandering/vermeerdering van eis toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 november 2010

Zaaknummer 107.003.989

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F.E.J. Menkveld,

kantoorhoudende te Maarssen,

tegen

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.Y. Hofstra,

kantoorhoudende te Hilversum.

Het hof heeft op 24 augustus 2010 een tussenbeschikking gegeven en verwijst daarnaar.

Het verdere geding in hoger beroep

Na en ter uitvoering van het bepaalde in de tussenbeschikking is bij het hof binnengekomen een brief van 25 oktober 2010 van mr. Hofstra en een brief van 4 november 2010 van mr. Menkveld.

De verdere beoordeling

1. Bij schriftuur van 8 maart 2010, binnengekomen op de griffie op 9 maart 2010, heeft de man zijn stellingen aangepast en een (geheel) andere wijze van beoordeling van de zaak aan de orde gesteld dan tot toen toe door partijen -en in navolging van hen door de rechtbank en het hof- was gevolgd. Kort gezegd heeft de man gesteld dat er tot toen toe ten onrechte van is uitgegaan dat een aantal posten verrekend zouden moeten worden dan wel buiten de verrekening tussen partijen zouden moeten blijven, terwijl de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden daartoe in het geheel niet de ruimte bieden. Op grond van die gewijzigde stellingname heeft de man zijn verzoek gewijzigd in een nieuw primair en subsidiair verzoek, op basis van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, en handhaving van het eerdere verzoek als meer subsidiair.

2. In zijn tussenbeschikking van 24 augustus 2010 heeft het hof -alvorens definitief te beslissen omtrent de toelaatbaarheid- de vrouw in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de recente aanpassing van de stellingen van de man ten aanzien van de verrekening en verdeling en de daarmee gepaard gaande wijziging van zijn petitum.

3. De vrouw heeft bij brief van 25 oktober 2010 bezwaar gemaakt tegen de verandering van zowel het verzoek als de grondslag daarvan. Zij wijst er op dat de man de bijstand heeft (gehad) van een rechtsgeleerd raadsman en dat de wijzigingen eerder in het geding gebracht hadden kunnen en moeten worden, te weten bij het indienen van het beroepschrift, aangezien artikel 359 Rv voorschrijft dat hierin moet worden opgenomen een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop dit berust. De mogelijkheid om naderhand bij enig stuk dan wel mondeling aanvullende grieven in te dienen, ontbreekt behoudens geringe uitzonderingen die hier niet aanwezig zijn. De door de man gewenste wijzigingen komen er, aldus de vrouw, verder op neer dat feitelijk de gehele procedure opnieuw dient te worden gevoerd, en wel op een moment dat de zaak eigenlijk al voor uitspraak stond. De vrouw komt tot de conclusie dat de man niet in zijn wijzigingen kan worden ontvangen.

4. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen als grieven te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Als grief moet daarom ook worden aangemerkt een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep indien toewijzing daarvan zou meebrengen dat het dictum van het vonnis van de rechtbank door een ander moet worden vervangen zodat het vonnis vernietigd moet worden. Aan een grief moet de eis worden gesteld dat deze voor de wederpartij voldoende kenbaar in de procedure naar voren is gebracht.

5. Met betrekking tot het tijdstip waarop grieven dienen te worden aangevoerd of een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep dient plaats te vinden, geldt ook binnen een verzoekschriftprocedure op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad de in beginsel strakke regel dat de rechter geen acht mag slaan op grieven die pas worden aangevoerd na de door de wet daartoe aangewezen gelegenheid, te weten in principaal beroep bij het beroepschrift en in incidenteel beroep bij het verweerschrift. De regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium worden aangevoerd. Deze regel beperkt de -ingevolge artikel 130 lid 1 Rv, welke artikel in de verzoekschriftprocedure in artikel 283 Rv in verbinding met artikel 362 Rv van overeenkomstig toepassing is verklaard in geval van verandering of vermeerdering van het verzoek of de gronden- aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn verzoek en de gronden in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel deze niet later dan in zijn beroepschrift of het verweerschrift mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze verandering of vermeerdering niet als een grief moet worden aangemerkt.

6. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.

7. Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van het beroepschrift of het verweerschrift toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of de verandering of vermeerdering van het verzoek en/of de gronden ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat -indien dan nog mogelijk- een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de verandering of vermeerdering van het verzoek en/of de gronden niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.

8. De onderhavige vermeerdering c.q. wijziging van het verzoek aan de zijde van de man, neerkomende op een nieuw primair en subsidiair verzoek, behelst -in de kern- alsnog verrekening en afwikkeling van de destijds tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de tussen hen beiden bestaande eenvoudige gemeenschap en is tevens te beschouwen als het alsnog aanvoeren van een grond tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank en daarmee als grief. De grief strekt er naar het oordeel van het hof toe te voorkomen dat het geschil mogelijk zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens en om te voorkomen dat, in het bijzonder in verband met de door de man gestelde (collectieve) dwaling en/of zijn voorwaardelijke instemming met de overeenkomst bij gelegenheid van de zitting van 11 juli 2006 van de rechtbank, mogelijk een nieuwe procedure moet worden aangespannen. In het licht van een efficiënte beslechting van het geschil tussen partijen, acht het hof het gewenst dat het geschil in volle omvang in de onderhavige procedure aan de orde komt. Het hof acht een uitzondering op de strakke regel als hiervoor bedoeld aanwezig, hetgeen betekent dat de nieuw omschreven grief van de man toelaatbaar is.

9. Het hof is voorts van oordeel dat de toelating van de nieuwe grief c.q. de verandering en vermeerdering van het verzoek en de gronden niet in strijd komt met de eisen van een goede procesorde aangezien de zaak op het moment van wijziging nog niet in staat van wijzen was. De vrouw heeft de mogelijkheid gehad om ook haar inhoudelijke standpunt ten aanzien van de wijziging kenbaar te maken en zal daartoe nogmaals in de gelegenheid worden gesteld.

10. Het vorenstaande brengt mee dat het hof de door de man omschreven wijziging van zijn verzoek en de wijziging van het daaraan ten grondslag liggende standpunt toelaatbaar acht. Het hof zal naar het gewijzigd verzoek rechtdoen.

11. Het hof acht niet uitgesloten dat de vrouw niet inhoudelijk heeft willen reageren op de wijzigingen van de zijde van man om te voorkomen dat de indruk zou bestaan dat zij (ondubbelzinnig) toestemt met het alsnog in de rechtsstrijd betrekken van de nieuwe grief. Nu het hof de wijziging definitief toelaatbaar acht, zal het hof de vrouw daartoe nogmaals, voorafgaande aan de mondelinge behandeling, gelegenheid geven.

12. Het hof zal beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen acht weken na heden, dus uiterlijk op 14 januari 2011 aan het hof en de man haar schriftelijke reactie te doen toekomen op de gewijzigde stellingname en het gewijzigde verzoek van de man;

bepaalt dat een mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden op donderdag 27 januari 2011 te 9:30 uur;

stelt partijen in de gelegenheid om, in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.3. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, uiterlijk op donderdag 20 januari 2011 nadere stukken in het geding te brengen met het oog op de mondelinge behandeling, waarbij deze stukken in vijfvoud door het hof moeten zijn ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, G. Jonkman en J.G. Idsardi, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 november 2010 in het bijzijn van de griffier.