Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0615

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.062.504
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof wijkt af van de door rechthebbende uitgesproken voorkeur voor de persoon van de mentor, nu het deze ongeschikt acht op de door hem nader aangegeven gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 november 2010

Zaaknummer 200.062.504

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam rechthebbende],

wonende te [woonplaats] thans verblijvende te [plaats],

appellante,

hierna ook wel genoemd: de rechthebbende,

advocaat mr. H. Gase, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[naam mentor],

werzkaam voor Mentoria Bureau voor professioneel Mentorschap,

gevestigd te Barneveld,

geïntimeerde,

hierna ook wel genoemd: de mentor;

Belanghebbende:

[naam moeder];

wonende te [woonplaats],

hierna ook wel genoemd: de moeder.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 6 januari 2010, uitvoerbaar bij voorraad, heeft de kantonrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, een mentorschap ingesteld ten behoeve van de [rechthebbende] met benoeming van [naam mentor] tot mentor.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 6 april 2010, heeft de rechthebbende verzocht de beschikking van 6 januari 2010 te vernietigen voor zover daarbij [naam mentor] tot mentor is benoemd en opnieuw beslissende de moeder tot mentor te benoemen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 31 mei 2010, heeft de mentor het verzoek bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan.

Ter zitting van 18 oktober 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn:

- de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat;

- de mentor;

- de woonbegeleidster van [rechthebbende], [naam]; en

- de moeder.

De beoordeling

1. Op grond van artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten

2. De rechthebbende, geboren op 11 november 1979, is een vrouw met medische beperkingen waaronder een verstandelijke. Rechthebbende heeft meerdere keren bij de zorginstelling Triade in Lelystad gewoond.

3. Op 30 september 2009 heeft de rechthebbende tezamen met Triade een verzoek ingediend bij de rechtbank tot, voor zover van belang, het instellen van een mentorschap als bedoeld in artikel 1:450 lid 1 BW, met benoeming van [naam mentor] tot mentor. Aan het verzoek is onder meer ten grondslag gelegd dat de rechthebbende, die op dat moment bij Triade woonde, al geruime tijde bezig was met de vraag of ze al dan niet bij haar ouders wil blijven wonen. De rechthebbende heeft wisselend bij haar ouders en dan weer bij Triade gewoond. Niet zelden kwam rechthebbende met blauwe plekken op de dagbesteding van Triade. Er zijn diverse meldingen geweest dat zij in de thuissituatie bij de ouders is geschopt en uitgescholden.

4. Bij de bestreden beschikking is omtrent het verzoek besloten als hiervoor weergegeven onder het kopje "Het geding in eerste aanleg".

5. Hoewel de rechthebbende de voorkeur voor de benoeming van haar moeder als mentor heeft uitgesproken, ziet het hof in het onderhavige geval gegronde redenen om die voorkeur niet te volgen. Die gegronde redenen zijn naar het oordeel van het hof met name gelegen in de ongeschiktheid van de moeder als mentor en de complexe relatie tussen de rechthebbende en haar ouders.

6. Het hof ziet in dit verband geen aanleiding te twijfelen aan de onheuse bejegening van de rechthebbende in de thuissituatie bij de ouders, mede omdat de moeder ter zitting van het hof - na dit eerst ontkend te hebben - heeft toegegeven dat [rechthebbende] wel eens een tik (terug) kreeg van een lid van het gezin. Sinds eind juli 2010 heeft de rechthebbende weer bij Triade haar intrek genomen, alwaar zij rustiger is, meer uitgerust en beter verzorgd.

7. Voorts is het hof gebleken dat de moeder niet altijd in het belang van de rechthebbende handelt. Zo heeft zij zich op ontoelaatbare wijze bemoeid met de medische verzorging en medicatie van de rechthebbende. De mentor heeft in dit verband aangegeven dat zij in haar taak als mentor is gehinderd doordat de ouders van de rechthebbende, zonder enig overleg, de arts en een specialist van de rechthebbende hebben bezocht en zelfs zonder overleg met een arts de medicatie van [rechthebbende] naar eigen inzicht hebben aangepast, met alle medische risico's voor de rechthebbende van dien. Verder heeft de moeder de mentor geen toegang tot haar woning gegeven en is zij moeilijk of niet telefonisch te bereiken. Het hof ziet geen aanleiding aan deze door de (professionele) mentor geschetste gang van zaken te twijfelen, mede omdat de arts en de groepsleiding van Triade dit hebben bevestigd. Daarnaast zet het hof met de mentor en de woonbegeleidster vraagtekens bij de bemoeienis van de moeder met de geldzaken van [rechthebbende].

8. Een en ander in onderlinge samenhang bezien leidt tot de conclusie dat de moeder niet in staat kan worden geacht om de taak van mentor op adequate wijze uit te voeren, zodat het hof de voorkeur van de rechthebbende in dit geval niet volgt. Het hof kan zich voorts niet aan de indruk onttrekken dat de voorkeur van de rechthebbende voornamelijk is ingegeven door haar loyaliteit aan de moeder.

De slotsom

9. Het voorgaande betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 6 januari 2010 waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, R. Feunekes en H.J. de Ruijter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 23 november 2010 in bijzijn van de griffier.