Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0588

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.045.548
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gedrag van de vrouw (zij heeft daarvoor ook in hechtenis gezeten) is niet zodanig grievend dat daardoor de door het huwelijk ontstane lotsverbondenheid is komen te ontvallen en van de man in redelijkheid partneralimentatie niet meer gevergd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 november 2010

Zaaknummer 200.045.548

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.A.J. van Putten, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

voormalig advocaat mr. S. Flantua, kantoorhoudende te Lelystad,

thans mr. N.C. Milani, kantoorhoudende te Lelystad.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, van 15 juli 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud met ingang 4 september 2008 bepaald op € 375,- per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 14 oktober 2009, heeft de man verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen:

I. dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie met ingang van 1 februari 2008, danwel met ingang van een door het hof te bepalen datum, wordt afgewezen, zulks in ieder geval tot het moment dat de rechtbank thans de partneralimentatie heeft vastgelegd;

II. dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud op nihil wordt gesteld.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 25 november 2009, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 15 juli 2009 te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog haar inleidend verzoek toe te wijzen, dan wel de partneralimentatie op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum vast te stellen als hof juist acht, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 januari 2010, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van mr. Van Putten van 10 juni 2010, een faxbericht van mr. Milani van 11 juni 2010 (dat eveneens per gewone brief is ingebracht) en het faxbericht van mr. Milani van 17 juni 2010 (dat eveneens per gewone brief is ingebracht).

Ter zitting van 21 juni 2010 is de zaak behandeld. De man is daarbij verschenen bijgestaan door zijn advocaat mr. Van Putten. De vrouw is verschenen bijgestaan door mr. Milani.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 10 juni 1994 in de gemeente Enschede met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, namelijk [kind 1], geboren op

[1995], [kind 2], geboren op [1997] en [kind 3], geboren op [1999].

2. Bij beschikking van 24 oktober 2007 heeft de rechtbank op gemeenschappelijk verzoek de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidings- beschikking is op 21 november 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats bij de man.

4. De vrouw heeft bij verzoekschrift van 4 september 2008 de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2008 een bedrag van € 737,- per maand partneralimentatie aan haar dient te betalen, dan wel een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht. De man heeft zich tegen het verzoek verweerd.

5. Bij de hier bestreden beschikking van 15 juli 2009 heeft de rechtbank omtrent het alimentatieverzoek van de vrouw besloten als hiervoor weergegeven onder het kopje "Het geding in eerste aanleg".

De geschilpunten

6. De geschilpunten tussen partijen in hoger beroep betreffen:

- het (voort)bestaan van de alimentatieverplichting;

- de ingangsdatum van de alimentatieverplichting;

- de behoefte dan wel de behoeftigheid van de vrouw; en

- de draagkracht van de man op het punt van zijn schulden en kosten

kinderopvang.

Het (voort)bestaan van de alimentatieverplichting

7. Het hof overweegt dat een onderhoudsverplichting als de onderhavige, bedoeld in artikel 1:157 BW, zijn grondslag vindt in de lotsverbondenheid (in de bestreden beschikking omschreven als levensgemeenschap), die door het huwelijk in het leven is geroepen.

8. In exceptionele gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door de ander niet langer kan worden gevergd.

9. Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet past de rechter terughoudendheid, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo'n beëindiging. Voorts dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties.

10. In het onderhavige geval heeft de man betoogd, en de vrouw bestreden, dat de vrouw zich zodanig jegens hem en de kinderen heeft gedragen dat een einde is gekomen aan de hier bedoelde lotsverbondenheid. De man heeft in dit verband een uiteenzetting gegeven van hetgeen er in zijn beleving zoal is voorgevallen.

11. Het hof acht aannemelijk dat de vrouw zich jegens de man, zowel tijdens als na het huwelijk, schuldig heeft gemaakt aan weinig verheffend gedrag bestaande uit onder meer bedreigingen per e-mail (gericht tegen het leven) en ander intimiderend gedrag zoals onaangekondigde bezoeken en belaging. Gebleken is dat de vrouw hiervoor strafrechtelijk wordt vervolgd en dat haar voorlopige hechtenis onder strikte voorwaarden is geschorst. De vrouw heeft de haar door de man verweten gedragingen grotendeels ook niet bestreden. Zo heeft haar advocaat ter zitting van het hof aangegeven dat zij (deels) bekennende verdachte is in de strafzaak.

12. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof met haar intimiderend gedrag jegens de man en de kinderen de grenzen van het toelaatbare verre overschreden. De emoties vanwege de scheiding - die het gedrag mogelijkerwijs hebben geluxeerd bij de vrouw - vormen daarvoor geen rechtvaardiging. Niet is namelijk gebleken dat de vrouw niet in staat was om hulp in te roepen ter voorkoming van het hierbedoelde laakbare gedrag. Het gedrag van de vrouw heeft voorts de nodige impact gehad op het dagelijks leven en de gemoedsrust van de man en de kinderen. Ter zitting heeft de man in dit verband opgemerkt dat hij aan het eind van zijn latijn is. Daarnaast is de relatie tussen de vrouw en de kinderen verstoord, hetgeen zeer valt te betreuren.

13. Anders dan de man is het hof evenwel van oordeel dat het gedrag van de vrouw niet zodanig grievend is dat in redelijkheid niet meer van de man kan worden gevergd om nog bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Het hof acht van belang dat het gedrag van de vrouw blijkens de stukken verband houdt met haar borderline persoonlijkheidsstoornis en dat deze stoornis ook reeds tijdens het huwelijk bestond. Tot op zekere hoogte maakt de persoonlijkheidsstoornis dus onderdeel uit van het gezamenlijk verleden van partijen. Ook op zichzelf beschouwd acht het hof de aan de vrouw verweten gedragingen niet ernstig genoeg om aan te nemen dat een einde is gekomen aan de hier bedoelde lotsverbondenheid. Dit alles neemt niet weg dat tot een ander oordeel kan worden gekomen indien de vrouw volhardt in het intimiderend gedrag of mocht blijken dat aan de zijde van de man onaanvaardbare gevolgen optreden. Op dit moment acht het hof een dergelijke conclusie echter te ver strekkend.

14. Het hof komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aanspraken van de vrouw op een bijdrage van de man in haar levensonderhoud, welke worden begrensd door de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht.

De behoefte dan wel de behoeftigheid van de vrouw

15. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

16. Doorgaans betekent dit dat de behoefte gelijkgesteld wordt aan 60 % van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, zonder rekening te houden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en dergelijke, maar verminderd met de kosten van de (minderjarige) kinderen en rekening houdend met de huidige inkomsten van de onderhoudsgerechtigde. Daarbij geldt dat de eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde of de in redelijkheid te verwerven inkomsten, de behoefte verminderen. De onderhoudsgerechtigde heeft in zo'n geval nog wel "behoefte" maar is niet meer (ten volle) "behoeftig".

17. De rechtbank heeft in dit verband de behoeftigheid van de vrouw, rekening houdend met het eigen inkomen van de vrouw, berekend op € 472,- per maand en de bruto behoeftigheid (rekening houdend met de heffing inkomstenbelasting aan de zijde van de vrouw) op € 675,- per maand.

18. Het hof volgt de man niet in zijn betoog dat de vrouw in staat is haar werkzaamheden volledig uit te voeren en zodoende een hoger inkomen te genereren. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat op dit moment in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd haar werkzaamheden uit te breiden. De belemmeringen voor uitbreiding van de werkzaamheden blijken voldoende uit de stukken, waarbij het hof met name het oog heeft op de psychische beperkingen en kwetsbaarheid van de vrouw. De vrouw is daarnaast ook bij de huidige urenomvang meermaals aangewezen op de Ziektewet, hetgeen de belemmeringen voor uitbreiding van de werkzaamheden bevestigt.

19. Nu voor het overige geen grief is gericht tegen de berekening van de behoeftigheid in de bestreden beschikking, zal het hof uitgaan van een bruto behoeftigheid aan de zijde van de vrouw van € 675,- per maand.

De ingangsdatum

20. Tussen partijen is de ingangsdatum van de partneralimentatie in geschil. De vrouw heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft gekozen voor de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. De man is van mening dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een andere ingangsdatum rechtvaardigen.

21. Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Doorgaans wordt de ingangsdatum, gebruik makend van deze vrijheid, door de rechter gesteld op de dag van indiening van het verzoekschrift omdat de onderhoudsplichtige in ieder geval vanaf dat moment serieus rekening dient te houden met de financiële gevolgen van de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde. Van de bevoegdheid tot het vaststellen of wijzigen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud over een periode in het verleden, dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt.

22. In het onderhavige geval ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige dat de ingangsdatum wordt bepaald op de dag van indiening van het verzoek. Voor zover de vrouw een eerdere ingangsdatum heeft bepleit omdat de man weigerachtig is geweest financiële gegevens te overleggen, overweegt het hof dat zij eerder haar verzoek had kunnen indienen. Hieraan doet niet af dat ook buiten rechte is getracht tot overeenstemming omtrent de partneralimentatie te komen. Overigens heeft de man ontkend dat hij weigerachtig is geweest bij het aanleveren van gegevens.

De draagkracht van de man

* de schulden

23. De man heeft in zijn in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening een bedrag van € 330,- per maand opgenomen onder de noemer "aflossing van schulden". De rechtbank heeft die last niet overgenomen in haar draagkrachtberekening onder de overweging dat de man niet heeft aangetoond dat het gaat om huwelijkse schulden en ook niet heeft aangetoond dat de schulden noodzakelijk waren, nu onweersproken door de vrouw is gesteld dat partijen ten tijde van hun huwelijk vermogen hadden opgebouwd.

24. De man stelt zich in zijn beroepschrift en toegelicht ter zitting op het standpunt dat deze last alsnog mee moet worden genomen. De overwaarde uit de verkoop van de echtelijke woning heeft de man in zijn nieuwe woning gestoken en ander vermogen was er volgens de man niet. Aangezien de vrouw een gelijk aandeel in de verdeling van de huwelijkse gemeenschap heeft gehad is de man van mening dat hij niet gehouden was om zijn deel van de overwaarde aan te wenden voor kosten voortvloeiende uit de echtscheiding. De man heeft op 1 juni 2007 een lening af moeten sluiten bij zijn ouders ter hoogte van € 35.000,- die noodzakelijk was voor onder meer het voldoen van gezamenlijke rekeningen, herinrichting van de nieuwe woning en huur van tijdelijke woonruimte, alsmede voor advocaatkosten. Nu eveneens de aflossing van € 330,- per maand is aangetoond acht de man het alleszins redelijk om daarmee rekening te houden.

25. De vrouw is, kort samengevat, van mening dat de rechtbank terecht geen rekening heeft gehouden met deze post. Zij acht de noodzakelijkheid van de lening niet aangetoond en betwist onder meer dat de man gezamenlijke rekeningen uit de huwelijkse periode heeft moeten betalen.

26. Het hof stelt voorop dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en dat hieraan niet af doet dat een schuld is aangegaan na het verbreken van de samenwoning of echtscheiding dan wel is aangegaan om schulden die stammen uit de periode van samenwoning dan wel huwelijkse periode af te lossen. Voor schulden aangegaan na de huwelijkse periode zal evenwel de noodzakelijkheid beoordeeld moeten worden.

27. Het vermogen verkregen uit de verdeling van de huwelijkse gemeenschap staat naar het oordeel van het hof op zichzelf niet in de weg aan de noodzakelijkheid van de onderhavige schuld. Het hof kan de man in dit verband volgen in zijn standpunt dat de vrouw haar deel van de gemeenschap ook heeft gehad, zodat het redelijk is om het betreffende vermogen, voornamelijk voortvloeiende uit de verkoop van de echtelijke woning, buiten beschouwing te laten.

28. Voor zover de man stelt dat de lening is aangewend ter voldoening van gezamenlijke rekeningen, is het hof met de vrouw van oordeel dat zulks niet is aangetoond door de man. In bijzonder is door de man niet aangetoond dat hij ten faveure van de vrouw betalingsverplichtingen voor zijn rekening heeft genomen uit de huwelijkse periode. Voor zover de lening is aangewend voor herinrichtingskosten overweegt het hof dat de man die kosten van herinrichting niet voldoende inzichtelijk en gestructureerd heeft onderbouwd. Het enkel inbrengen van (een grote hoeveelheid) kassabonnen van zaken als Hema en Praxis volstaat niet, reeds omdat daarmee geen inzage wordt geboden in de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten.

29. Het hof zal rekening houden met de advocaatkosten nu deze voldoende zijn aangetoond evenals de noodzakelijkheid ervan. Weliswaar gaat het hier niet om advocaatkosten gemaakt in een echtscheidingsprocedure maar aangezien het wel gaat om een eerste vaststelling van partneralimentatie acht het hof het redelijk om daarmee rekening te houden. Overeenkomstig de Trema-normen zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man voor een periode van maximaal een jaar rekening houden met een bedrag van € 114,- per maand voor deze kosten.

30. Gebleken is voorts dat een belangrijk deel van de lening ziet op de aanschaf van een auto. De man heeft een factuur overgelegd waaruit blijkt dat hij een Toyota heeft aangeschaft voor € 20.500,-. Het hof acht aannemelijk dat de man een auto nodig heeft, mede omdat hij de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft waardoor hij op tijd thuis moet kunnen zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de man echter niet aangetoond dat een goedkopere auto niet had volstaan. Het hof zal daarom naar redelijkheid uitgaan van een last met betrekking tot de aanschaf van een auto van een derde van het door de man opgevoerde aflossingsbedrag van

€ 330,- per maand oftewel € 110,- per maand.

* de kosten van kinderopvang

31. De rechtbank heeft in eerste aanleg bij de post kosten kinderopvang een bedrag van € 124,- per maand meegenomen, naar de vrouw klaagt ten onrechte.

32. Het hof kan de vrouw niet volgen in haar standpunt dat met deze kosten geen rekening moet worden gehouden in de draagkrachtberekening van de man. De man heeft het bestaan van deze last, alsmede de noodzakelijkheid ervan, naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en is niet gehouden deze kosten uit zijn alimentatievrije voet of anderszins te voldoen.

De draagkrachtberekeningen

33. Al hetgeen hier vóór is overwogen omtrent de draagkracht van de man en mede in aanmerking genomen de niet betwist posten in de draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

34. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode vanaf de ingangsdatum 4 september 2008 tot 4 september 2009, blijkt dat de man € 156,- per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie en rekening houdend met fiscaal voordeel € 269,- per maand. Dit is lager dan de behoeftigheid van de vrouw (maar de onderhoudsverplichting wordt mede begrensd door de draagkracht van de onderhoudsplichtige), zodat dit bedrag zal worden opgelegd.

35. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode vanaf 4 september 2009, waarin niet langer met de advocaatkosten rekening wordt gehouden, blijkt dat de man € 224,- per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie en rekening houdend met fiscaal voordeel € 384,- per maand. Ook dit bedrag is lager dan de behoeftigheid van de vrouw (maar de onderhoudsverplichting wordt mede begrensd door de draagkracht), zodat dit bedrag zal worden opgelegd.

De slotsom

36. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het hof opnieuw zal beslissen als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 15 juli 2009, waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 4 september 2008 tot 4 september 2009 op € 269,- per maand en met ingang van 4 september 2009 op € 384,- per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en J.A.A.M. van Veen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op

30 november 2010 in bijzijn van de griffier.