Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0574

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.065.675
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing van moeder om samen met de kinderen te verhuizen is te rechtvaardigen. Dat zou anders kunnen zijn wanneer daardoor de omgang met vader onmogelijk zou worden, hetgeen niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 november 2010

Zaaknummer 200.065.675

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.M. Wolff, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.L. van Os, kantoorhoudende te Tilburg.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 23 februari 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, bepaald dat de vader en de moeder het gezag over de [minderjarige 1], geboren op [2008] te [plaats], gezamenlijk uitoefenen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat het hoofdverblijf van de [minderjarige 2], geboren op

[2005] te [plaats] en [minderjarige 1], bij de moeder zal zijn. Voorts is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vastgesteld, inhoudende:

- eenmaal per 14 dagen, telkens gedurende één weekeinde, waarbij de vader en de moeder de omgangstijden in onderling overleg en tijdig met elkaar zullen afspreken;

- de helft van de vakanties, in onderling overleg door de vader en de moeder nader af te spreken;

- de helft van de feestdagen, in onderling overleg door de vader en de moeder nader af te spreken.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 18 mei 2010, heeft de vader verzocht de beschikking van 23 februari 2010 te vernietigen met instandhouding van de beslissing omtrent het gezamenlijk gezag van de jongste minderjarige, en, opnieuw beslissende de verzoeken van de vader alsnog toe te wijzen.

Bij verweerschrift, ingekomen bij de griffie op 8 juli 2010, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht het verzoek van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank in stand te laten.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van 17 september 2010 met bijlagen van mr. Wolff en een brief van 20 september 2010 met bijlage van mr. Van Os.

Ter zitting van 30 september 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader en de moeder, beiden bijgestaan door hun advocaat.

Zowel mr. Wolff als mr. Van Os hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van een door hun overgelegde pleitnotitie.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de - inmiddels verbroken - affectieve relatie tussen de vader en de moeder zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geboren. De ouders oefenden gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 2]. De vader heeft zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] erkend. De moeder was - tot de beschikking van de rechtbank van 23 februari 2010 - alleen belast met het gezag over [minderjarige 1]. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven bij de moeder.

2. De vader heeft de rechtbank, bij inleidend verzoekschrift van 23 augustus 2009, verzocht - kort gezegd - primair, te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader zal zijn en subsidiair, een substantiële omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en te bepalen dat het gezag over [minderjarige 1] door de vader en de moeder gezamenlijk wordt uitgeoefend.

3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de vader richt zich - met uitzondering van de beslissing omtrent het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] - tegen deze beslissing.

De overwegingen

4. Indien in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening tussen de ouders een geschil ontstaat, kan dat geschil op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Het hoofdverblijf

5. Bij het verbreken van de relatie tussen de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen over de kinderen, is een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het uitgangspunt. Dit kan echter anders zijn, indien één van de ouders gedurende de relatie hoofdzakelijk de zorg- en opvoedingstaken voor zijn of haar rekening nam. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat hij hoofdzakelijk de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor zijn rekening heeft genomen. De moeder heeft de stelling van de vader gemotiveerd weersproken met behulp van de door haar overgelegde stukken. De vader heeft zich hiertegen niet verweerd. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de moeder hoofdzakelijk de zorg had voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Dit wordt bovendien bevestigd door de periode na het uiteengaan van partijen. Immers, de moeder heeft gedurende een half jaar met de kinderen in de voormalig gezamenlijke woning gewoond, terwijl de vader uit de woning is vertrokken. De moeder is vervolgens met de kinderen naar [plaats] verhuisd. Het is, naar het oordeel van het hof, niet onbegrijpelijk dat de moeder heeft besloten om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen. Gebleken is dat de moeder verhuisd is naar de omgeving waar zij vandaan kwam en waar de ouders ook geruime tijd gezamenlijk hebben gewoond. Ook [minderjarige 2] is in de eerste jaren van haar nog jonge leventje in die omgeving opgegroeid. Bovendien woonden de ouders nog maar korte tijd in [plaats] en had de moeder aldaar geen sociaal netwerk. Voldoende is gebleken dat de verhuizing naar [plaats] in het belang was voor het welbevinden van de moeder, hetgeen zijn doorwerking heeft op de kinderen. Een dergelijke beslissing kan anders zijn indien de omgang van de vader met de kinderen door de verhuizing onmogelijk blijkt in combinatie met de werkzaamheden van de vader. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het werk van de vader de omgang onmogelijk maakt. Bij het hof bestaat bovendien de indruk dat de vader zich in dit kader enigszins onwelwillend opstelt. Het hof zal de beslissing van de rechtbank, inhoudende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, dan ook bekrachtigen.

De omgang

6. Per 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. Indien ouders gezamenlijk met het gezag zijn belast, wordt de term "omgangsregeling" vervangen door: "regeling betreffende de toedeling aan de ouders van zorg- en opvoedingstaken". Daar waar het hof hierna spreekt over zorgregeling of omgang heeft dit betrekking op deze regeling.

7. Aangezien het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder in [plaats] is en de vader woonachtig is in [plaats], is een zorgregeling waarbij de vader doordeweeks omgang heeft met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet goed mogelijk. Een dergelijke omgang is lastig uitvoerbaar omdat [minderjarige 2] doordeweeks naar school gaat. Het hof acht het bovendien niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat een gesplitste zorgregeling wordt vastgesteld. Daarom zal het hof de gebruikelijke zorgregeling vaststellen, waarbij omgang in het weekend zal plaatsvinden. Gelet op de afstand en de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ziet het hof aanleiding de rechtbank te volgen en een zorgregeling vast te stellen van één weekend per veertien dagen, en de helft van de vakanties en feestdagen.

Slotsom

8. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en

R. Feunekes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

30 november 2010 in bijzijn van de griffier.