Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0551

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.068.479
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kinderbeschermingsmaatregel van de ondertoezichstelling en uithuisplaatsing zijn in de wet geregeld en in het belang van de minderjarige en niet in strijd met de artikelen 5 en 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 november 2010

Zaaknummer 200.068.479

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen mr. B. de Haan, kantoorhoudende te Apeldoorn,

thans mr. H.W.M. van den Heiligenberg, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: WSJ,

Belanghebbenden:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [de pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 18 maart 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, op verzoek van WSJ, namens BJZ, de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op 12 januari 2007 te Zaanstad, verlengd voor de termijn van een jaar, ingaande op 23 maart 2010 en tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1], met ingang van 23 maart 2010, verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 juni 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 18 maart 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende:

I. de verzoeken van de verzoekende partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoekende partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in eerste aanleg, althans de verzoeken van de verzoekende partij in eerste aanleg af te wijzen;

II. de verzoekende partij te veroordelen in de door de moeder gemaakte kosten van rechtsbijstand in deze procedure, zulks bij beschikking - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Bij verweerschrift, ingekomen bij de griffie op 6 augustus 2010, heeft WSJ het verzoek bestreden en verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 17 juni 2010 met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), een brief van 9 juli 2010 met bijlagen van mr. De Haan, een brief van

9 augustus 2010 met bijlage en een tweetal faxberichten van 7 oktober 2010 en 11 oktober 2010 beide met bijlagen van WSJ.

Ter zitting van 21 oktober 2010 is de zaak behandeld. De zaak is gelijktijdig behandeld met de hierna onder r.o. 2 vermelde zaak met het nummer 200.065.560. Verschenen zijn de moeder (tegen het einde van de zitting), bijgestaan door haar advocaat, mevrouw mr. C. Vrij en [naam] (gezinsvoogd) namens WSJ en de pleegouders. De vader is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet ter zitting verschenen. Namens de raad is [naam] verschenen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de vader en de moeder is [kind 1] geboren. De moeder is alleen belast met het gezag over [kind 1]. [kind 1] is na zijn geboorte in een crisispleeggezin geplaatst. Op 23 mei 2007 zijn de moeder en [kind 1] geplaatst in een 24-uurs begeleid Moeder&Kind unit te Hoorn. Op 25 juni 2007 is [kind 1] teruggeplaatst in het crisispleeggezin. Sinds 22 augustus 2007 verblijft [kind 1] in het huidige (perspectiefbiedend) pleeggezin.

2. Bij beschikking van 18 februari 2010 heeft de rechtbank het verzoek van de raad om de moeder te ontheffen van het gezag over [kind 1], afgewezen. De raad is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen. Deze zaak is bij dit hof bekend onder zaaknummer 200.065.560.

3. WSJ heeft de kinderrechter, namens BJZ, verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] te verlengen voor de duur van een jaar.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen.

De overwegingen

* t.a.v. de bevoegdheid van WSJ

5. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder de grieven omtrent de bevoegdheid van WSJ ingetrokken. De eerste en de tweede grief behoeven derhalve geen behandeling meer.

* t.a.v. de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing

6. Voor het antwoord op de vraag of de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige moet worden verlengd, dient te worden beoordeeld of de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

7. De moeder heeft in haar beroepschrift gesteld dat bij het verzoekschrift geen rechtsgeldig indicatiebesluit was overgelegd, waardoor het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet-ontvankelijk is althans WSJ niet-ontvankelijk is in het verzoek. Het hof volgt de moeder hierin niet en overweegt hiertoe als volgt. Het indicatiebesluit was geldig tot 9 februari 2010, waardoor deze geldig was op het moment dat het inleidend verzoek (te weten: 20 januari 2010) werd ingediend. Nadien is op 16 maart 2010 een nieuw indicatiebesluit ingediend dat geldig is tot 8 februari 2012. Het indicatiebesluit betreft een verlenging pleegzorg met terugwerkende kracht per 9 februari 2010 en is qua zorgvorm gelijkluidend aan het eerdere indicatiebesluit, zodat de nauwe band tussen het eerste indicatiebesluit en de gevraagde machtiging ook geldt voor het latere indicatiebesluit. Onder die omstandigheid is het hof van oordeel dat het latere indicatiebesluit ten grondslag kan worden gelegd aan het verzoek als bedoeld onder r.o. 3. De omstandigheid dat het (latere) indicatiebesluit summier is door de verwijzingen naar diverse bijlagen noopt niet tot de conclusie dat geen sprake is van een (rechtsgeldig) indicatiebesluit. De bijlagen maken immers deel uit van het besluit en gesteld noch gebleken is dat deze bijlagen bij de betrokkenen niet genoegzaam bekend zijn.

8. Uit het psychologisch onderzoek van juni 2010 verricht door drs. G.J. Douma-Palland en drs. L. van Asperen is gebleken dat bij de moeder sprake is van een posttraumatische stress stoornis en een persoonlijkheidsstoornis (kenmerken van borderline persoonlijkheidsstoornis en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis). De psychiatrische problematiek van de moeder resulteert volgens de gezinsvoogdij-instelling in onvoorspelbaar gedrag en onvermogen in de betrouwbaarheid in het contact met anderen en het dragen van verantwoordelijkheden. De moeder heeft bovendien weinig inzicht in de behoeften van [kind 1]. De raad heeft in zijn rapport van 2 juli 2009 aangegeven dat de moeder feitelijk niet in staat is om [kind 1] op te voeden. De moeder heeft, zo overweegt de raad, moeite om haar eigen leven te organiseren en kan daarbij niet ook nog belast worden met de zorg voor [kind 1].

9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] terecht heeft verlengd, aangezien aannemelijk is geworden dat de moeder niet in staat is om [kind 1] een veilige en stabiele opvoedingssituatie te bieden. Hoewel uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, betekent dit nog niet dat zij thans in staat is om de opvoeding en verzorging van [kind 1] op zich te nemen. De moeder heeft in hoger beroep aangegeven te begrijpen dat zij momenteel nog niet voor [kind 1] kan zorgen.

* t.a.v. de artikelen 5 en 8 EVRM

10. Zowel de maatregel van de ondertoezichtstelling als de maatregel van de uithuisplaatsing zijn bij wet geregeld. De ondertoezichtstelling is geregeld in artikel 1:254 BW, en de machtiging tot uithuisplaatsing is geregeld in artikel 1:261 BW. Beide maatregelen zijn bij wet voorzien en in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind 1] opgelegd en zijn daarom niet in strijd met het bepaalde in de artikelen 5 en 8 EVRM. Overigens is ook onvoldoende gesteld en/of anderszins gebleken dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het recht van vrijheid en veiligheid dan wel 'family life'. Ook deze grief kan derhalve niet slagen.

* t.a.v. de ontheffing van het gezag

11. De maatregel van ondertoezichtstelling is slechts mogelijk als het kind onder het gezag van een natuurlijke persoon staat. Aangezien de moeder heden bij beschikking onder zaaknummer 200.065.560 wordt ontheven uit het gezag over [kind 1] en BJZ als voogd wordt benoemd, zal de ondertoezichtstelling automatisch eindigen op de dag nadat de ontheffing is uitgesproken. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan nooit langer gelden dan voor de (resterende) looptijd van de ondertoezichtstelling, zodat ook automatisch de machtiging tot uithuisplaatsing zal eindigen op de dag nadat de ontheffing is uitgesproken.

Slotsom

12. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, voorzitter, G.M. van der Meer en E. Maan, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

30 november 2010 in bijzijn van de griffier.