Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BP0106

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
200.053.259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Art 3:301 lid 2 BW, inschrijving van het ingestelde beroep in het rechtsmiddelenregister

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.053.259

(zaaknummer rechtbank 105190/KG ZA 09-275)

arrest in kort geding van de vierde civiele kamer van 20 april 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. K.J. Coenen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het in kort geding gewezen vonnis van 6 oktober 2009 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo tussen appellant (hierna ook te noemen: de man) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de vrouw) als eiseres heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De man heeft bij exploot van 2 november 2009, gevolgd door een herstelexploot van 11 december 2009, de vrouw aangezegd van dat vonnis van 6 oktober 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de vrouw voor dit hof.

2.2 De vrouw is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.3 Bij memorie van grieven heeft de man vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vrouw alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans die vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

2.4 Vervolgens heeft de man de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan vast de door de voorzieningenrechter onder 1 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De voorzieningenrechter heeft het volgende dictum uitgesproken:

“I. veroordeelt de man om binnen zeven dagen na datum betekening van dit vonnis, zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van het gehele onroerende goed, staande en gelegen aan de [adres], kadastraal aangeduid: [perceel 1] en [perceel 2], door gedaagde te verplichten de makelaar toestemming te geven en, voor zover nog door de makelaar vereist, opdracht te verstrekken tot verkoop over te gaan tegen een volgens de makelaar redelijk bedrag;

II. bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de hiervoor onder I gevorderde door aan de makelaar te verstrekken toestemming en opdracht;

III. bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de door de man voor het transport van de onder I genoemde onroerende goederen noodzakelijke zijnde ondertekening zijdens de man;

IV. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.

VI. wijst af het meer of anders gevorderde.”

4.2 Artikel 3:301 leden 1 en 2 BW luiden:

“1. Een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven, indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd veroordeeld, en

a. in kracht van gewijsde is gegaan, of

b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer als in de uitspraak is bepaald, sedert de betekening van de uitspraak is verstreken.

2. Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt.”

4.3 Het hof dient te beoordelen of het bestreden vonnis een uitspraak is waarop het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW van toepassing is, zodat de man zijn hoger beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid moet hebben ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Het hof zal de man in de gelegenheid stellen zich bij akte hieromtrent uit te laten, in het bijzonder over de vraag of, en in hoeverre hij in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof draagt de man op in voorkomend geval bewijsstukken ter zake in het geding te brengen.

4.4 Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verwijst de zaak naar de roldatum 4 mei 2010 voor het nemen van de onder 4.3 bedoelde akte en overlegging bewijsstukken door de man;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.M. Mens, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.H. Lieber en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2010.

---------------------------------------------------------------------------------------------

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.053.259

(zaaknummer rechtbank 105190/KG ZA 09-275)

arrest in kort geding van de vierde civiele kamer van 23 november 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. K.J. Coenen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 20 april 2010. Ingevolge dat tussenarrest heeft de man op 4 mei 2010 een akte genomen.

1.2 Vervolgens heeft de man op 19 oktober 2010 gefourneerd en arrest gevraagd.

1.3 Het hof heeft wederom arrest bepaald.

2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof neemt over en blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenarrest van 20 april 2010.

2.2 In de akte van 4 mei 2010 stelt de man dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep nu (samengevat weergegeven) het bestreden vonnis niet aan hem is betekend, niet is ingeschreven in de daartoe bestemde registers en ook niet in kracht van gewijsde is gegaan. Voorts is de in het bestreden vonnis gestelde voorwaarde (het niet voldoen aan de veroordeling onder I van het dictum van het bestreden vonnis) niet ingetreden, omdat hij aan de veroordeling heeft voldaan. De door artikel 3:301 lid 2 BW beschermde belangen zijn in casu op geen enkele wijze in het geding, aldus nog steeds de man. Hij erkent het rechtsmiddel niet te hebben ingeschreven in het daartoe bestemde rechtsmiddelenregister.

2.3 Het hof verwerpt het betoog van de man. Het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW dat het rechtsmiddel binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, strekt ertoe dat bij inschrijving van de uitspraak op de voet van artikel 3:89 lid 1 BW zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek geen rechtsmiddel is ingesteld. Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, bij de afgifte van de in artikel 25 Kadasterwet bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het rechtsmiddelenregister van artikel 433 Rv. Zulks is niet alleen van belang in de in artikel 25 lid 1 onder a en b Kadasterwet genoemde gevallen, maar ook in het geval waarin de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (vgl. voor een en ander HR 24 december 1999, NJ 2000, 495, LJN AA4005; HR 4 mei 2007, NJ 2008, 140 en NJ 2008, 141, LJN AZ7611 en AZ7615).

2.4 Het betoog van de man leidt ertoe dat de mogelijkheid bestaat dat in geval van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan na afloop van de beroepstermijn een verklaring als bedoeld in artikel 25 lid 1, onder a of b, Kadasterwet afgeeft aan de partij die - ondanks een door haar wederpartij ingesteld rechtsmiddel - om afgifte van die verklaring verzoekt voordat de uitspraak inschrijfbaar is (bijvoorbeeld zoals in dit geval omdat het vonnis nog niet is betekend), en dat die partij deze verklaring op de voet van artikel 25 Kadasterwet aan de bewaarder van de openbare registers aanbiedt tezamen met de in te schrijven uitspraak zodra deze laatste wél inschrijfbaar is. De mogelijkheid bestaat dat de bewaarder alsdan afgaat op een verklaring van de griffier die ten onrechte inhoudt dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of is ingesteld, omdat de griffier in een zodanig geval immers niet weet dat (tijdig) een rechtsmiddel tegen de uitspraak was ingesteld. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de wettelijke regeling van artikel 3:301 lid 2 BW die aldus ertoe strekt de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid zoveel mogelijk te waarborgen.

2.5 Bovendien miskent de man met zijn betoog dat zijn verzuim het rechtsmiddel in te schrijven niet kan worden geheeld door, zoals in dit geval, alsnog vrijwillig te voldoen aan het bestreden vonnis, ruim nadat de appeltermijn en de termijn van artikel 3:301 lid 2 BW zijn verstreken en met het betoog dat de door dat artikel beschermde belangen niet in het geding zijn. Bij het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW is geen plaats is voor onderzoek door de rechter naar de vraag of sprake is (geweest) van benadeling van derden of de wederpartij als gevolg van dit verzuim. Voorts doet het niet af aan het feit dat de man na het verstrijken van de appeltermijn en de termijn van artikel 3:301 lid 2 BW het rechtsmiddel niet had ingeschreven en aldus op dat moment niet-ontvankelijk was in zijn hoger beroep.

Acht dagen na het verstrijken van de beroepstermijn kon bij raadpleging van het rechtsmiddelenregister geen duidelijkheid worden verkregen omtrent de vraag of tegen de op de voet van artikel 3:89 BW ingeschreven uitspraak een gewoon rechtsmiddel is ingesteld, hetgeen niet strookt met de ratio van artikel 3:301 BW.

Het door de man bepleite doet dus afbreuk aan het wettelijke stelsel en de daarmee beoogde rechtszekerheid en betrouwbaarheid van de openbare registers. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW een eenvoudige formaliteit behelst, zodat de naleving daarvan voor de man niet bezwaarlijk is. De wetgever heeft de strenge sanctie van niet-ontvankelijkheid bij deze bepaling bewust opgenomen. Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval daarop een uitzondering, waarop de man aanstuurt, te maken.

2.6 Nu de man erkent dat hij het rechtsmiddel van hoger beroep niet heeft ingeschreven, zal de man niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep voor zover hij opkomt tegen het onder III bepaalde in het dictum van het bestreden vonnis (“bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de door de man voor het transport van de onder I genoemde onroerende goederen noodzakelijke zijnde ondertekening zijdens de man”).

2.7 De man betoogt terecht dat het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW in zoverre een beperkte strekking heeft, dat er onvoldoende grond is om de niet-ontvankelijkheid van het beroep mede te betrekken op klachten die zich niet richten tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte (HR 24 december 1999, NJ 2000, 495, LJN AA4005).

2.8 Het hof is echter van oordeel dat in het onderhavige geval een onlosmakelijk verband bestaat tussen het onder I en II van het dictum bepaalde en het onder III van dit dictum bepaalde. De veroordeling van de man om aan de makelaar toestemming te geven om tot verkoop over te gaan en voor zover nodig daartoe aan de makelaar een opdracht te verstrekken en het oordeel dat het vonnis daarvoor in de plaats zal treden (zie onder II), is onlosmakelijk verbonden aan de veroordeling van de man tot medewerking aan de levering van de onroerende zaken. Voor zover zijn grieven zijn gericht tegen het dictum onder I en II zal de man daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

2.9 Het hof overweegt ten overvloede dat, mocht de man al ontvankelijk zijn in zijn hoger beroep, hij geen belang meer heeft bij dat beroep. In de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten is de man wel ontvankelijk.

2.10 In zijn akte van 4 mei 2010 voert de man aan dat hij vrijwillig heeft meegewerkt aan de levering van de percelen [perceel 1] en [perceel 2], hetgeen ook blijkt uit de bij deze akte van 4 mei 2010 door hem overgelegde akte van levering van 1 maart 2010. Gesteld noch gebleken is dat de man met de inhoud van die akte niet akkoord is. Hiermee ontvalt de werking aan het bestreden vonnis en kan het bestreden vonnis niet meer ten uitvoer worden gelegd. Daarmee ontvalt tevens het belang van de man bij behandeling van zijn grieven, omdat de grieven erop gericht zijn het bestreden vonnis te vernietigen, behoudens voor zover hij veroordeling van de vrouw in de proceskosten vordert. Daarmee kan de vraag of sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening in het midden blijven.

2.11 Voor zover de man stelt dat hij nog belang heeft bij behandeling van zijn hoger beroep en vernietiging van het bestreden vonnis nu de financiële afwikkeling tussen hem en de vrouw naar aanleiding van de levering op 1 maart 2010 nog niet volledig is geschied, overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt het betoog van de man aldus dat nu het perceel [perceel 1] onderdeel uitmaakt van zijn onderneming, welke onderneming aan hem is toebedeeld bij de beschikking van 14 januari 2009 van de rechtbank Almelo (met zaaknummer 8450/ ES RK 07-212 en 87180 / ES RK 07-615), de voorzieningrechter het door de vrouw gevorderde niet had kunnen en mogen toewijzen en door toewijzing daarvan zich over de gerechtigheid op de verkoopopbrengst (indirect) heeft uitgesproken.

2.12 De man ziet voorbij aan het oordeel van de voorzieningrechter dat “het belang van de vrouw bij een spoedige verkoop van de woning met garage, gelet op de huidige financiële situatie van de vrouw, zwaarder dient te wegen dan het belang van de man om de garage niet te verkopen. (…) Indien de man er in een bodemprocedure in mocht slagen te bewijzen dat de garage tot de onderneming behoort en hem bij beschikking is toebedeeld komt de man een hogere opbrengst toe uit de verkoop en wordt hij door de verkoop van de woning met garage niet onevenredig benadeeld.” (rechtsoverweging 6 van het bestreden vonnis). De voorzieningenrechter heeft dus niet (onherroepelijk) geoordeeld dat de man geen aanspraak heeft op de opbrengst van het perceel [perceel 1], zoals de man lijkt te betogen. Overigens hebben noch de vrouw noch de man bijvoorbeeld bij wijze van een te geven verklaring voor recht gevorderd dat de voorzieningenrechter zich zou uitspreken over ieders deelgerechtigdheid in de opbrengst van de verkoop van de percelen [perceel 1] en [perceel 2]. Aldus kan hetgeen de man in deze procedure lijkt vastgesteld te willen zien, niet worden vastgesteld. Voorts is de beslissing van de voorzieningenrechter slechts een voorlopige beslissing in het kader van de gevorderde voorlopige voorziening. Op grond van artikel 257 Rv geldt dat deze beslissing geen nadeel toe brengt aan een beslissing in een bodemprocedure.

2.13 De door de man in hoger beroep gevraagde proceskostenveroordeling, in welke vordering hij wel ontvankelijk is, zal niet worden toegewezen. Het hof ziet termen aanwezig om gelet op de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn en het geschil hieruit voortvloeit, ook de kosten van het hoger beroep te compenseren.

2.14 Op grond van het voorgaande zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep en de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van [6 oktober 2009], behoudens in zijn vordering tot veroordeling van de vrouw tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg, de man in zoverre ontvankelijk verklarend;

wijst de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep af;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van [6 oktober 2009] wat betreft de compensatie van de kosten van de procedure in eerste aanleg;

compenseert de kosten in hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.M. Mens, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.H. Lieber en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010.