Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO7630

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
09-00374
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Navordering ter zake van ten onrechte geclaimde negatieve resultaten uit overige werkzaamheden is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/10.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00374

uitspraakdatum: 30 november 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 september 2009, nummer AWB 08/5417, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 aanvankelijk een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.554 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.086. Nadien is aan hem een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.797. Bij beschikking is aan heffingsrente een bedrag berekend van € 4.354. Tevens is bij beschikking een boete van € 1.823 opgelegd.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de heffingsrente gehandhaafd en de boete verminderd tot € 917.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 september 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.7. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1938, is directeur-grootaandeelhouder van X Houdstermaatschappij B.V. en haar dochtermaatschappij A B.V. Deze laatste B.V. houdt zich bezig met bouw- en exploitatiewerkzaamheden op het gebied van onroerende zaken.

2.2. Daarnaast is belanghebbende in het onderhavige jaar werkzaam geweest bij C B.V.

2.3. Vanaf 2002 is belanghebbende begonnen met het ontwikkelen van een nieuw landgoed (hierna: het landgoed). Belanghebbende had vóór 2002 reeds enige stukken grond in zijn bezit en heeft vanaf 2002 daar nog enige stukken grond bij gekocht.

2.4. De aangifte voor het jaar 2003 is opgesteld door D fiscaal-juristen en accountants. Zij hebben de (negatieve) inkomsten uit de ontwikkeling van het landgoed als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Met dagtekening 17 augustus 2006 is de definitieve aanslag IB/PVV voor 2003 opgelegd. Deze aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.

2.5. Naar aanleiding van de aangifte IB/PVV voor 2004 zijn aan belanghebbende vragen gesteld over de negatieve inkomsten uit resultaat uit overige werkzaamheden. Nadat die vragen door belanghebbende zijn beantwoord is bij hem een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2003 tot en met 2006.

2.6. Met dagtekening 13 februari 2008 is een rapport inzake het ingestelde boekenonderzoek opgesteld. Ten aanzien van het aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden is in dit rapport het volgende opgenomen:

‘Resultaat uit overige werkzaamheden

Zoals bij Werkzaamheden, zie punt 2.1, reeds is vermeld, is het ontwikkelen van een nieuw landgoed door de adviseur als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Argumenten daartoe zijn de ontwikkelwerkzaamheden en kennis /wetenschap van de heer X van de onroerend [goed] sector.

Ten laste van de inkomens 2003 tot en met 2006 zijn de volgende bedragen als financieringslasten als resultaat van overige werkzaamheden in aanmerking genomen:

2003 € 43.904; (…)

Van de activiteit dient eerst beoordeeld te worden of er sprake van één van de inkomensbronnen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.

Volgens verklaring van de heer X is hij met het ontwikkelen van het landgoed begonnen uit hobby / liefhebberij. Zelf is hij woonachtig op Landgoed E.

Bij het ontwikkelen van een landgoed wordt agrarische grond omgezet in natuurgrond. Dit leidt tot waardedaling van de grond.

Daar staat wel tegenover dat er een landhuis gebouwd mag worden.

Het exploiteren van een landgoed brengt extra uitgaven met zich mee, waar tegenover geen

opbrengsten staan. Mede daarom zijn er onder andere op fiscaal gebied een aantal wettelijke

regelingen om de belastingdruk tot een minimum te beperken.

Het is van de heer X niet de bedoeling om het ontwikkelde landgoed om de vrije markt te

verkopen. Doch het voornemen is om het landgoed binnen de familie te laten

verblijven. Naast de verklaring daaromtrent van de heer X blijkt dit ook uit het schetsplan van het landgoed.

Gezien het vorenstaande is er geen sprake van één van de inkomensbronnen als bedoeld is artikel

3.1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en dus ook geen resultaat uit overige

werkzaamheden.

De bezittingen betrekking hebbende op het landgoed behoren tot de heffingsgrondslag bij sparen en

beleggen.

Eventuele gerealiseerde waardemutaties met betrekking tot deze onroerende zaken behoren in

principe tot niet tot het inkomen.

(…)’

2.7. Naar aanleiding van het voornoemde boekenonderzoek is aan belanghebbende met dagtekening 20 maart 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.797, berekend als volgt :

Verzamelinkomen aangifte € 10.640

Bij:

- niet aangegeven privé gebruik auto € 11.509

- niet aftrekbare ontwikkelingskosten

van het landgoed € 43.904

- vervallen aftrek buitengewone uitgave € 2.830

€ 58.243

Af:

sparen en beleggen € 3.086

---------- € 55.157

-----------

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 65.797

2.8. Bij uitspraak op bezwaar is de boete bepaald op 25%.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de Inspecteur gerechtigd is de onderwerpelijke navorderingsaanslag op te leggen. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de Inspecteur beschikt over een zogenoemd nieuw feit. Belanghebbende verdedigt (primair) het standpunt dat de navorderingsaanslag niet in stand kan blijven, omdat de Inspecteur niet beschikt over een nieuw feit. De Inspecteur is daarentegen van mening dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Subsidiair bepleit belanghebbende de navorderingsaanslag te beperken tot de correctie wegens privé-gebruik auto. Belanghebbende verzet zich in dit subsidiaire standpunt, gelet op de gebezigde formulering, niet tegen de opgelegde boete en de berekende heffingsrente.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en van de navorderingsaanslag en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.353.en een dienovereenkomstig bepaald lager bedrag aan heffingsrente.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd op de voet van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Ingevolge die bepaling kan de inspecteur indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ambtelijk verzuim, nu de aangifte administratief is afgedaan, en er derhalve een nieuw feit ontbreekt.

Nieuw feit

4.2. Naar is geoordeeld in Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, BNB 2010/227, dient in gevallen als de onderhavige voorop gesteld te worden dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in en bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

4.3. De Inspecteur is een boekenonderzoek gestart om de juistheid van de aangiften IB/PVV 2003 tot en met 2006 te beoordelen. De bij het boekenonderzoek aan het licht gekomen feiten, kort gezegd het ten onrechte niet aangegeven privé-gebruik auto, alsmede het - in de ogen van de Inspecteur - ten onrechte opvoeren van financieringslasten ten behoeve van de ontwikkeling van het landgoed als negatief resultaat uit overige werkzaamheden, vormen naar het oordeel van het Hof feiten die de Inspecteur ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag voor het jaar 2003 redelijkerwijs niet bekend hadden kunnen zijn. Anders dan belanghebbende betoogt, staat het feit dat het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden (in het onderhavige jaar voor het eerst ) is vermeld in de aangifte en de daarbij gevoegde toelichting, aan deze conclusie niet in de weg, aangezien de vermelding geen licht werpt op de aard van de werkzaamheden en de Inspecteur mocht afgaan op de juistheid van de door belanghebbende bij de aangifte overgelegde gegevens. Nu eerst later door de bevindingen van het boekenonderzoek - in de ogen van de Inspecteur – is gebleken dat geen sprake is van een bron van inkomen, beschikte de Inspecteur over een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

4.4. Dit betekent dat de Inspecteur bij het regelen van de aanslag voor het jaar 2003 geen ambtelijk verzuim heeft begaan door de aangifte niet aan een nader onderzoek te onderwerpen zodat de Inspecteur bevoegd is over het jaar 2003 na te vorderen.

Resultaat uit overige werkzaamheden

4.5. In dat geval stelt belanghebbende vervolgens aan de orde of de (negatieve) opbrengsten van activiteiten van belanghebbende in de onroerendgoedsfeer door de Inspecteur terecht zijn geweigerd als (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende stelt daartoe dat hij zich vanaf 2002 heeft ingespannen om een bouwvergunning te verkrijgen en met inzet van zijn kennis en ervaring op dit gebied een landgoed te realiseren en dat die activiteit heeft plaatsgevonden in het economische verkeer. De Inspecteur wijst erop dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat belanghebbende de ontwikkeling en de exploitatie van het landgoed in de familiesfeer wilde houden. De exploitatie brengt volgens de Inspecteur extra uitgaven mee, tegenover welke uitgaven geen inkomsten staan. Het ligt in een dergelijk geval op de weg van belanghebbende om tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur aannemelijk te maken dat de arbeid besteed aan het landgoed plaatsvindt in het economische verkeer en dat met die arbeid voordeel wordt beoogd, althans dat daarvan redelijkerwijs voordeel kan worden verwacht. Belanghebbende heeft - mede gelet op zijn verklaring ter zitting dat het ontwikkelen van landgoederen niet winstgevend is - een en ander niet aannemelijk gemaakt.

Boete

4.6. De Inspecteur kan een boete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De grondslag voor de verhoging c.q. de boete wordt gevormd door het bedrag van de (navorderings-)aanslagen dat van de belastingplichtige als gevolg van opzet of grove schuld te weinig is geheven.

4.7. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat belanghebbende in dit geval geen (voorwaardelijk) opzet, maar grove schuld kan worden verweten en heeft daarop vervolgens de opgelegde boete verminderd tot 25% van de te weinig geheven belasting wegens het niet aangeven van het privégebruik auto. De aldus verlaagde boete is thans niet (meer) in geding.

4.8. Dit ontslaat het Hof evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting van de zaak. De berechting van de zaak heeft tot aan de uitspraak van de Rechtbank een totale duur belopen van één jaar en acht maanden ervan uitgaande dat het opleggen van de boete in ieder geval is meegedeeld in de eindrapportage van het boekenonderzoek van 13 februari 2008. Deze periode is niet zodanig lang dat gesproken zou moeten worden van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM. Het Hof ziet geen aanleiding de boete verder te verminderen.

Heffingsrente

4.9. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M.C.M. de Kroon, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 30 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 december 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.