Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO7561

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
24-002324-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Minderjarige verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde poging zware mishandeling, nu het hof niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte doelbewust op verbalisant is ingereden en (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Beroep op psychische overmacht verworpen.

Aan verdachte wordt ter zake het onder 2 bewezen verklaarde feit, te weten het verlaten van een plaats ongeval, geen straf of maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002324-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-420392-08

Parketnummer TUL: 07-420214-06

Arrest van 30 november 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde schuldig verklaard zonder oplegging van straf, heeft op vorderingen van benadeelde partijen beslist, een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen scooter en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair vijftig dagen jeugddetentie.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1], heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze vordering geheel zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van de Politie IJselland heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze vordering geheel zal worden toegewezen.

Tot slot heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging van 180 dagen jeugddetentie, zoals opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 mei 2007, de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gevorderd van zestig dagen jeugddetentie, om te zetten in een werkstraf van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen jeugddetentie.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [verbalisant 1], hoofdagent bij de Regiopolitie IJsselland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- als bestuurder van een bromfiets/snorfiets, rijdende over de weg, [straat], met een hoge, althans aanzienlijke snelheid en/of zonder (voldoende) snelheid te minderen en/of zonder (voldoende) te remmen (recht) en/of naar/op die [verbalisant 1] is toe/ingereden en/of

- (vervolgens) met die bromfiets/snorfiets tegen de dienstfiets van die [verbalisant 1] is aangereden en/of gebotst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2008 in de gemeente gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op [straat] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [verbalisant 1] en/of de Regiopolitie IJsselland) letsel en/of schade was toegebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging omdat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de politie zonder noodzaak geweld heeft toegepast bij de aanhouding van zijn cliënt en dat dit geweld disproportioneel was, met name gelet op de omstandigheid dat de medische toestand van zijn cliënt na het scooterongeval onduidelijk was.

De advocaat-generaal heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de aanhouding op correcte wijze is verlopen, nu verdachte zich probeerde te onttrekken aan de verbalisanten en zich verzet heeft gedurende de aanhouding. Voorts is de advocaat-generaal van mening dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering nu niet voldaan is aan het Zwolsman-criterium.

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende in dit verband van belang zijnde feiten vast.

Verdachte is op 14 oktober 2008 met zijn scooter ten val gekomen nadat hij in aanraking was gekomen met de dienstfiets van verbalisant [verbalisant 1] en een container heeft geraakt. Verdachte is uit zichzelf weer opgestaan en vervolgens weggerend. Uit de verklaring die verdachte tegenover de kinderrechter heeft afgelegd blijkt dat hij vervolgens uit zichzelf gestopt is met rennen en bij een bossage is gaan liggen. Terwijl verdachte daar ligt, wordt hij aangehouden door verbalisant [verbalisant 1].

Verbalisant [verbalisant 1] beveelt verdachte op te staan en zijn armen te spreiden. Verdachte voldoet niet aan dit bevel en steekt zijn beide handen in zijn jaszakken. [verbalisant 1] geeft verdachte hierop een low-kick. Nadat verdachte door [verbalisant 1] is geboeid, verzet hij zich tegen zijn aanhouding door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Verbalisant [verbalisant 2] geeft verdachte hierop een nekklem en een knietje in zijn maag. Verdachte staakt dientengevolge zijn verzet en is overgebracht naar het hoofdbureau van de politie in Zwolle.

De hiervoor vastgestelde gedragingen en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, leveren naar het oordeel van het hof onvoldoende grond op om het handelen van de verbalisanten als disproportioneel aan te merken. Gelet op de omstandigheid dat verdachte na het scooterongeluk fysiek in staat was om op te staan en vervolgens weg te rennen is het hof, in tegenstelling tot de raadsman, van oordeel dat de verbalisanten rond de aanhouding geen zodanige aanwijzingen hebben hoeven signaleren waaruit zij dienden af te leiden dat de verdachte medische aandacht nodig had. Daar komt bij dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij uit zichzelf was gestopt met rennen, maar niet omdat pijn aan zijn enkel het hem noodzakelijk maakte te stoppen.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat niet gebleken of aannemelijk geworden is dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De door de raadsman van de verdachte aangevoerde punten leveren afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, een vormverzuim op dat moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Vrijspraak ter zake het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat zijn cliënt vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat zijn cliënt niet opzettelijk op verbalisant [verbalisant 1] is ingereden dan wel dat hij geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De advocaat-generaal hanteert in haar uitdrukkelijk ingenomen standpunt ter zitting een ander uitgangspunt en stelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Ze heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte met hoge snelheid recht op verbalisant [verbalisant 1] is afgereden. Verdachte heeft [verbalisant 1] ruim op tijd in het vizier gehad. Verdachte heeft niet geremd, mogelijk kort het gas los gelaten, maar vervolgens gas bijgegeven en is opnieuw in de richting van [verbalisant 1] gereden.

Deze handelswijze is ingevolge de advocaat-generaal naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht op voltooiing van het delict van zware mishandeling dat het niet anders kan zijn dat verdachte de kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop heeft toegenomen.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Op 14 oktober 2008 rijdt verdachte zonder helm en met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan op zijn scooter in Zwolle. Verbalisant [verbalisant 1] ziet verdachte vanuit tegengestelde rijrichting aankomen, begeeft zich naar de weghelft waar verdachte op rijdt, blokkeert de weg met zijn dienstfiets en geeft verdachte een stopteken. Vervolgens ontstaat er een contact tussen verdachte en de dienstfiets van [verbalisant 1]. Verdachte weet door te rijden en komt vervolgens via een vuilniscontainer tegen een boom tot stilstand.

Het hof stelt vast dat er met de aangifte van verbalisant [verbalisant 1], de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] en het proces-verbaal van aanhouding voldoende wettig bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de verklaringen die verdachte ter terechtzittingen van de meervoudige kamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad en van het hof heeft afgelegd - inhoudende dat hij toen verbalisant [verbalisant 1] in zijn gezichtsveld kwam gas terugnam, vervolgens gas bij moest geven om de scooter in balans te houden en daaropvolgend tevergeefs een uitwijkmanoeuvre heeft verricht - heeft het hof, gelet op de omstandigheden van het geval, echter niet de overtuiging bekomen dat verdachte doelbewust op verbalisant [verbalisant 1] is ingereden en (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

2.

overtreding van artikel 7, eerste lid, onder A van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het onder 2 ten laste gelegde door de verdachte is begaan in een situatie van psychische overmacht.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat zijn cliënt door de klap van het ongeluk zodanig is geschrokken dat hij van schrik is weggerend en zijn ontlasting heeft laten lopen.

Het hof neemt aan dat verdachte geschrokken is van het scooterongeval. Dat daarmee voor verdachte ook een situatie is ontstaan waarin sprake was van dwang om het bewezen verklaarde feit te plegen, aan welke dwang hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden, is het hof niet gebleken, noch door de raadsman en verdachte aannemelijk gemaakt of geworden.

Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

Ook voor het overige worden strafuitsluitingsgronden niet aanwezig geacht. Verdachte is derhalve strafbaar.

Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht

Bij de keuze van de in deze zaak passende strafrechtelijke afdoening heeft het hof gelet op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Nadat verdachte op 14 oktober 2008 met zijn scooter in contact is geweest met de dienstfiets van een verbalisant, is verdachte er direct vandoor gegaan en heeft aldus de plaats van het ongeval verlaten. Hiermee heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële documentatie d.d. 7 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit de door de Raad voor de Kinderbescherming over de verdachte opgemaakte rapporten van 16 oktober 2008, 16 juni 2010 en 11 november 2010, uit de door de Jeugdreclassering opgemaakte rapporten van 27 mei 2009 en 28 juli 2009, en uit hetgeen ter terechtzitting van het hof door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Uit het meest recente rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 11 november 2010 blijkt dat sprake is van een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte. Verdachte lijkt op alle fronten beter de functioneren. Hij is gemotiveerd voor een nieuwe opleiding. Voorts is verdachte na het plegen van onderhavig delict, niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen.

Het hof ziet gelet op bovenstaande positieve ontwikkeling, de omstandigheden van het geval en de relatief geringe ernst van het verwijt - evenals de kinderrechter - aanleiding om te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Benadeelde partij [verbalisant 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [verbalisant 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat hij in zijn vordering niet-ontvankelijk is verklaard en dat hij zich in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte is vrijgesproken van het feit (feit 1) waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Het hof acht termen aanwezig te bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten zullen dragen van dit geding.

Benadeelde partij Politie IJsselland

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij Politie IJsselland zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zij in haar vordering niet-ontvankelijk is verklaard en dat zij zich in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte is vrijgesproken van het feit (feit 1) waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Het hof acht termen aanwezig te bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten zullen dragen van dit geding.

Beslag

Gelet op de omstandigheid dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken ter zake het onder 1 ten laste gelegde en zich daartegen geen strafvorderlijk belang verzet, zal het hof de teruggave aan verdachte gelasten van de in beslag genomen scooter.

Vordering tenuitvoerlegging

Nu in de hoofdzaak aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, ziet het hof daarin aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling, zoals vermeld in het vonnis d.d. 3 mei 2007 van de meervoudige kamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad, af te wijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan [verdachte] geen straf of maatregel wordt opgelegd;

gelast de teruggave aan verdachte van:

1 bromfiets APRILA TE 29FXT3;

verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 mei 2007.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. S.H. Wachter, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. Wachter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.