Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO6172

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
10-00078
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BT7458, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Belanghebbende is zowel naar Nederlands nationaal recht als voor de toepassing van de BRK in Nederland woonachtig. Geen aftrek hypotheekrente voor woning op Bonaire.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011/78 met annotatie van Koerts
FutD 2010-2844
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00078

uitspraakdatum: 16 november 2010

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2010, nummer AWB 07/2799, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.602. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.971.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 12 januari 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2010 te Arnhem. Daarbij is de Inspecteur verschenen en gehoord. Gelijktijdig behandeld is de zaak van belanghebbende met het hofkenmerk 10/00077.

1.7 Belanghebbende heeft in zijn op 20 februari 2010 per faxbericht ingediende hogerberoepschrift vermeld dat hij domicilie heeft gekozen op het correspondentie-adres postbus 1, 1234 AA te Z. De uitnodiging voor de mondelinge behandeling op 29 juni 2010 bij aangetekende brief van 31 mei 2010 is naar dat adres verzonden. Nadat deze aangetekende (met handtekening retourkaart) brief op 15 juni 2010 retour is ontvangen heeft de griffier deze brief nogmaals met de woorden “AANGETEKEND met handtekening retour” op 15 juni 2010 aangetekend (zonder handtekening retourkaart) naar voormeld correspondentie-adres verzonden. Belanghebbende heeft per faxbericht van 28 juni 2010 (16.49 uur) aangegeven de uitnodiging pas op die dag te hebben opgehaald en zich niet adequaat te hebben kunnen voorbereiden. Voorts vraagt belanghebbende om een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling vast te stellen. Het Hof heeft dit verzoek niet gehonoreerd en de zitting doorgang laten vinden. Belanghebbende is niet verschenen.

1.8 Met zijn op 3 augustus 2010 aan het Hof gerichte faxbericht klaagt belanghebbende er over op zijn faxbericht van 28 juni 2010 geen reactie te hebben ontvangen en herhaalt hij zijn verzoek om een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling vast te stellen.

1.9 In haar brief van 11 augustus 2010 heeft de griffier van het Hof belanghebbende

medegedeeld dat de mondelinge behandeling op 29 juni 2010 doorgang heeft gevonden en dat deze beslissing in de uitspraak van het Hof zal worden gemotiveerd. Voorts heeft zij aangegeven dat het Hof zal beoordelen of het faxbericht van 3 augustus 2010 aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen en dat, wanneer dat niet het geval is, dat in de uitspraak zal worden opgenomen.

1.10 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak

is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. In het onderdeel “2. Feiten” van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiser dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur):

“Eiser heeft verweerder in 1999 verzocht om toezending van een C-biljet en om een woonplaatsverklaring. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de woonplaats van eiser. Eiser heeft in dat kader informatie verstrekt, waarna verweerder bij brief van 13 september 1999 Bonaire als woonplaats van eiser heeft geaccepteerd per 1 januari 1998.

Eiser heeft over het jaar 2002 aangifte IB/PVV gedaan als buitenlands belastingplichtige. Deze aangifte is op 3 maart 2003 door verweerder ontvangen.

Begin 2002 is een boekenonderzoek gestart bij een vennootschap van eiser, A B.V. Tijdens dat onderzoek rezen bij de controlerende ambtenaren sterke twijfels omtrent de woonplaats van eiser. De zaak is vervolgens in handen gegeven van de Belastingdienst/FIOD-ECD (hierna: FIOD).

Het proces-verbaal van het FIOD-onderzoek is door verweerder overgelegd als bijlage h bij zijn verweerschrift.

Het proces-verbaal van het FIOD-onderzoek bevat ondermeer de volgende verklaringen van eiser, alle afgelegd in april 2003:

- Op p. 25 onderaan, over het formulier vrijstelling loonbelasting, dat rond 12 november 1998 is ingevuld: “Het klopt dat ik op 16 december 1997 naar Bonaire ben vertrokken. Op het moment dat ik dit formulier invulde woonde ik echter al lang weer in Nederland. Ik heb geprobeerd een bepaalde voorstelling van zaken te geven die niet juist was. Dit heb ik eigenlijk vol gehouden tot hedenmiddag.”

- Op p. 26 halverwege: “De opgaaf informatie emigratie belanghebbenden heb ik ingevuld nadat ik al een contract bij de Rabobank heb getekend. De inhoud is dus ook pure onzin want ik wist al dat ik terug zou komen. Hier heb ik al ten onrechte geprobeerd de buitenlandse belastingplicht te verkrijgen. Het enige doel hiervan was de lage belastingdruk. Mijn eerder gedane verklaring dat ik mij wilde vestigingen op Bonaire en daar activiteiten wilde ontplooien trek ik bij deze in. Ik heb wel ooit die plannen gehad maar dat lag ver voor die datum.”

- Op p. 37, bovenaan: “Ik ben namelijk niet op Bonaire woonachtig maar in Nederland aan de a-straat 1 te Z” en “Toen ik de woonplaatsverklaring kreeg, had ik daar ook recht op omdat ik me op Bonaire had ingeschreven. Feitelijk had ik daar geen recht op omdat ik bij de Rabobank in Nederland werkzaam was en in Nederland woonde.”

- Op p. 50, onderaan, en p. 51, bovenaan: “Ik ben schuldig aan het feit dat ik de aangiften inkomstenbelasting over 1998 tot en met 2002 onjuist heb gedaan. Ik ben namelijk niet op Bonaire woonachtig maar in Nederland aan de a-straat 1 te Z (…)”

- En op p. 51: “Deze aangiften zijn niet juist ingevuld, omdat in deze aangiften als woonplaats steeds Bonaire is gepresenteerd, terwijl ik in werkelijkheid in Nederland woonde. Verder zijn de aangiften onjuist, omdat mijn inkomsten uit mijn dienstbetrekking bij de Rabobank ten onrechte niet zijn opgenomen in de aangiften.”

Op basis van de uitkomsten van het FIOD-onderzoek is eiser op 25 maart 2004 strafrechtelijk veroordeeld door de rechtbank in Arnhem voor (poging tot) oplichting, valsheid in geschrifte en het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte. De opgelegde straf bedraagt 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De veroordeling voor het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte betreft de periode van 14 januari 1998 tot en met 3 maart 2003.

Op grond van het proces-verbaal van de FIOD is door verweerder geconcludeerd dat de fiscale woonplaats van eiser in de jaren 1998 tot en met 2002 Nederland was en dat hij werkzaam was bij de Rabobank, vestiging Q, met als werkgebied R.

Bij brief van 14 oktober 2004 is meegedeeld dat zou worden afgeweken van de aangifte IB/PVV over 2002. De aanslag IB/PVV over 2002 is opgelegd op 28 oktober 2004.”

2.2 In aanvulling op het bovenstaande stelt het Hof de hierna volgende feiten vast.

2.3 Op 30 oktober 1998 heeft de voormalige echtgenote van belanghebbende, mevrouw X-Y, het landgoed B te Z gekocht. Op 11 maart 1999 heeft zij het landgoed aan C B.V. (hierna: C) verkocht en geleverd. Alle aandelen in C zijn tot 13-12-2002 door belanghebbende gehouden. Op deze dag heeft hij de aandelen verkocht en geleverd aan mevrouw X-Y.

2.4 De Minister van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit heeft het landgoed per 16 december 2002 aangemerkt als een landgoed als bedoeld in artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928.

2.5 Blijkens het eerder genoemde proces-verbaal van de FIOD, gesloten en getekend op 23 juli 2003, heeft getuige D (directeur Rabobank S), voor zover van belang, over belanghebbende verklaard (pagina 29):

“Hij heeft een zesendertig urige werkweek. Zijn standplaats is sinds ruim een jaar geleden S. Zijn werkgebied omvat deze regio.”

2.6 Mevrouw X-Y heeft blijkens het proces-verbaal van de FIOD (bladzijde 37) onder meer verklaard:

“(Verbalisanten: Bent u woonachtig geweest op b-straat 1, te T, Bonaire, en zo ja, welke periode(s)?)

“Ik heb daar even gewoond. Dit is in ieder geval langer dan 3 jaar geleden. Ik heb daar een paar maanden gewoond. (…) Ik heb me toen wel uit moeten laten schrijven dus het zou geregistreerd moeten staan.”

(Verbalisanten: Volgens uw aangifte inkomstenbelasting 2001 en daarbij behorende schriftelijke stukken, is uw hoofdverblijf vanaf 1 januari 2001 b-straat 1 te T, Bonaire. Wat is hierop uw reactie?)

“Dit klopt niet, want het is niet mijn hoofdverblijf. Ik woon hier in Nederland op de a-straat. Ik ben wel ongeveer 8 weken per jaar op Bonaire voor vakantie. X is er dan ook. (…) Bonaire, om precies te zijn het adres te zijn wat u noemde, is wel het hoofdverblijf van X. Hij is daar woonachtig. X is ongeveer 10 weken per jaar op Bonaire. De overige tijd is hij bij mij.”

2.7 Blijkens het proces-verbaal van de FIOD (pagina 51) heeft belanghebbende onder meer verklaard:

“Ook voor het jaar 2002 geldt hetzelfde. Ook deze heb ik opgesteld en ingevuld. Ook deze aangifte is niet juist omdat ik in Nederland woonde en van de Rabobank loon ontving.”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of onderhavige aanslag tot een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

1. is belanghebbende terecht als binnenlandse belastingplichtige aangemerkt?

2. mag in dat geval het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning verlaagd worden met een aftrek in verband met betaalde hypotheekrente, een aftrek in verband met fiscale transparantie van C en een aftrek van vrijwillig betaalde premies AOW/Anw?

3.2 Belanghebbende stelt dat hij in het onderhavige jaar op Bonaire woonde. Naar het Hof begrijpt stelt hij dat hij niet als binnenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt en dat het door de Inspecteur gecorrigeerde loon van de Rabobank ten onrechte in het belastbare inkomen uit werk en woning is begrepen. Voor het geval hij wel als binnenlandse belastingplichtige dient te worden aangemerkt is hij van mening dat het loon van de Rabobank terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend maar dat hij recht heeft op een aantal aftrekposten. Zoals blijkt uit zijn bij de Rechtbank overgelegde pleitnota met bijlagen wil belanghebbende dan een aftrek in verband met vrijwillig betaalde premies AOW/Anw ter grootte van, naar het Hof begrijpt, € 4.357, een hypotheekrenteaftrek in verband met een “eigen woning” ter grootte van, naar het Hof begrijpt, € 24.609 (€ 4.326 + € 6.307 + € 13.976) en een aftrekpost van ongeveer € 105.000 in verband met het bepaalde in artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB) waarbij de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van C worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van belanghebbende omdat hij aandeelhouder in C was.

3.3 De Inspecteur is van mening dat belanghebbende in het onderhavige jaar als inwoner van Nederland en als binnenlandse belastingplichtige dient te worden aangemerkt op grond waarvan het loon van de Rabobank terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend. De door belanghebbende geclaimde aftrekposten acht hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Voorts stelt de Inspecteur dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat daarom het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard omdat niet is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de aanslag.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Uitstelverzoek mondelinge behandeling hoger beroep

4.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 mei 2007, nr. 41429 (LJN BA4301) als volgt geoordeeld:

“De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat in geval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient in zijn uitspraak met redenen te worden omkleed.”

4.2 Belanghebbende is overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.37 en artikel 8.56 van de

Algemene wet bestuursrecht uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling van het onderhavige hoger beroep op 29 juni 2010 aanwezig te zijn. De uitnodiging is tweemaal naar het door belanghebbende opgegeven postbusadres gezonden alwaar belanghebbende deze brieven kennelijk pas daags voor de zitting heeft opgehaald.

4.3 Belanghebbende heeft er zelf voor gekozen een postbus te gebruiken als zijn postadres en hij heeft dit postadres ook in zijn correspondentie met de Rechtspraak als zodanig gebruikt. Nu niet gesteld danwel gebleken is dat belanghebbende niet in staat is geweest voornoemde brieven eerder dan daags voor de zitting op te halen, dient naar het oordeel van het Hof het risico dat niet tijdig kennis wordt genomen van een uitnodiging voor het bijwonen van de mondelinge behandeling van het ingestelde hoger beroep, voor belanghebbende te blijven. Het belang van een efficiënte procesvoering en het belang van de Inspecteur, die zich heeft moeten voorbereiden en die wel tijdig ter zitting is verschenen, dienen zwaarder te wegen dan het belang van belanghebbende om onder de geschetste omstandigheden uitstel van de mondelinge behandeling te krijgen. Vanwege het tijdstip van het verzoek om uitstel is het Hof niet meer in staat geweest belanghebbende voorafgaande aan de mondelinge behandeling van zijn beslissing op de hoogte te brengen, mede gelet op het feit dat van belanghebbende geen andere gegevens dan het postbusadres bekend waren. Ook dit dient naar het oordeel van het Hof voor belanghebbendes risico te blijven. Hetgeen belanghebbende vermeldt in zijn faxbericht van 3 augustus 2010 kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Het Hof ziet daarin ook geen aanleiding het onderzoek te heropenen.

Binnenlandse belastingplicht

4.4 De Inspecteur stelt dat belanghebbende in het onderhavige jaar inwoner van Nederland was en voert daarvoor met name belanghebbendes verklaringen aan die hij heeft afgelegd tijdens het FIOD-onderzoek. Belanghebbende bestrijdt dat eerdergenoemde verklaringen door hem in vrijheid zijn afgelegd en stelt dat ze niet met de werkelijke situatie overeenstemmen. Nu uit niets blijkt, ook niet uit het strafvonnis, dat aan (de verkrijging van) belanghebbendes verklaringen gebreken kleven en hij, behoudens de enkele formele inschrijving in de basisadministratie van Bonaire, onvoldoende in het geding heeft gebracht dat zijn stelling met betrekking tot de door hem voorgestane woonplaats op Bonaire zou kunnen onderbouwen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland (Z) woonachtig was. Gelet ook op het feit dat hij van de Rabobank loon heeft ontvangen en dat door de directeur van de Rabobank is bevestigd dat belanghebbende zijn werkgebied in Nederland had, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan moet worden geoordeeld dat belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het onderhavige jaar inwoner van Nederland was. Op grond van artikel 2.1 eerste lid, onderdeel a van de Wet IB is belanghebbende dan binnenlandse belastingplichtige en is zijn wereldinkomen in Nederland aan belastingheffing onderworpen.

4.5 Belanghebbende heeft in eerste aanleg een definitieve aanslag inkomstenbelasting alsmede een definitieve aanslag premie aov voor het jaar 2002 overgelegd die zijn uitgereikt door de (Ei)landsontvanger van Bonaire. Hieruit vloeit voort dat belanghebbende zowel in Nederland als in de Nederlandse Antillen in de belastingheffing is betrokken. Belanghebbendes stelling dat hij in de Nederlandse Antillen aan belastingheffing is onderworpen en derhalve slechts de Nederlandse Antillen over bronnen van inkomen mogen heffen, wordt verworpen. Zelfs indien ervan uitgegaan zou dienen te worden dat belanghebbende op Bonaire in het onderhavige jaar een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft gehad dan kan, gelet op de verklaringen van belanghebbende die tijdens het FIOD-onderzoek zijn afgelegd, slechts geconcludeerd worden dat hij zowel op de Nederlandse Antillen als in Nederland over een duurzaam tehuis heeft beschikt. Artikel 34, eerste lid, onderdeel a van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) brengt dan met zich mee dat indien belanghebbende in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, hij geacht wordt inwoner te zijn van het land waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van levensbelangen). Het Hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen in 4.4 is overwogen, belanghebbendes middelpunt van levensbelangen in Nederland heeft gelegen. Nu belanghebbende ook op grond van de BRK als inwoner van Nederland dient te worden aangemerkt staat geen bepaling in de BRK belastingheffing in Nederland over het loon van de Rabobank in de weg.

4.6 Voorzover ervan uitgegaan dient te worden dat belanghebbende in hoger beroep zijn overige stellingen zoals hij die in eerste aanleg met betrekking tot de woonplaats heeft aangevoerd heeft herhaald, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank ook ten aanzien van deze grieven op goede gronden de juiste beslissing heeft genomen en maakt deze tot de zijne.

Aftrek hypotheekrente

4.7 Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank blijkt dat de uit bijlage 9 bij de pleitnota in eerste aanleg blijkende rentebetalingen zien op een hypothecaire schuld in verband met de aanschaf van een stuk grond op Bonaire. Het Hof begrijpt belanghebbendes stellingen zo dat hij stelt op Bonaire over een eigen woning te hebben beschikt op grond waarvan hij voormelde rentebetalingen op grond van het bepaalde in artikel 3.120 van de Wet IB in aftrek wil brengen.

4.8 Aangezien belanghebbende tijdens het FIOD-onderzoek heeft verklaard dat hij niet op Bonaire maar in Nederland woonde en uit het proces-verbaal van de FIOD blijkt dat het appartement op Bonaire verhuurd is geweest aan derden, is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende op Bonaire een woning, zoals bedoeld in artikel 3.111 van de Wet IB, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan. In zoverre zijn dan ook renten van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van het appartement danwel van grond op Bonaire niet als aftrekbare kosten met betrekking tot een “eigen woning” aan te merken. Nu belanghebbende ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uit bijlage 9 van de pleitnota in eerste aanleg blijkende rentebetalingen zien op schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een “eigen woning”, kunnen deze niet als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aanmerking worden genomen.

Aftrek in verband met fiscale transparantie van C

4.9 Belanghebbende bepleit een aftrekpost van ongeveer € 105.000 in verband met het bepaalde in artikel 10.9 van de Wet IB, waarbij de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een rechtspersoon, waarvan de bezittingen worden aangemerkt als een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928, worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders. Belanghebbende heeft terzake van de gestelde aftrekpost geen bewijsstukken overgelegd.

4.10 Vaststaat dat de in artikel 10.9, tweede lid van de Wet IB bedoelde rangschikking van het

landgoed B op 16 december 2002 is ingegaan en dat belanghebbende tot 13 december 2002 aandeelhouder was in C. Aangezien belanghebbende derhalve op het moment van rangschikking geen aandeelhouder was in C kan het bepaalde in artikel 10.9 van de Wet IB op hem geen toepassing vinden. Voorzover belanghebbendes stelling zo moet worden begrepen dat door toepassing van het bepaalde in artikel 2.17 van de Wet IB hij alsnog kosten ten laste van zijn belastbare inkomen uit werk en woning mag brengen omdat zijn toenmalige echtgenote wel aandeelhouder was in de periode van 16 tot en met 31 december 2002, wordt deze door het Hof verworpen. Niet aannemelijk is namelijk gemaakt dat toepassing van artikel 10.9 van de Wet IB ten aanzien van belanghebbendes toenmalige echtgenote zou zien op gemeenschappelijke inkomensbestanddelen zoals bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid van de Wet IB. Voorts kan niet worden uitgesloten dat de door belanghebbende gewenste aftrek reeds ten laste van het belastbare inkomen uit werk en woning van zijn toenmalige echtgenote is gekomen terwijl de aan haar opgelegde aanslag, zoals de Inspecteur geloofwaardig heeft verklaard, reeds onherroepelijk vaststaat. Uit het besluit van 31 juli 2007, CPP 2007/538M volgt, dat toerekening van de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen op verzoek van beide partners kan worden gewijzigd - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 - wanneer de aanslag van één van beide partners onherroepelijk vaststaat. Van een dergelijk gezamenlijk verzoek is het Hof niets gebleken.

Aftrek van premies AOW/Anw

4.11 Belanghebbende bepleit een aftrek van vrijwillig betaalde premies AOW/Anw. Uit

bijlage 12 van de pleitnota in eerste aanleg blijkt dat belanghebbende een bedrag van € 4.357 over het jaar 2002 is verschuldigd en dat op 1 maart 2005 deze premies nog niet zijn voldaan. Aangezien de bedoelde premies Anw op grond van het bepaalde in artikel 3.124 van de Wet IB als uitgaven voor inkomensvoorzieningen dienen te worden aangemerkt zijn de premies aftrekbaar indien voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.147 van de Wet. Aangezien uit voormelde bijlage 12 blijkt dat de premie Anw in 2002 niet is betaald, noch gesteld of aannemelijk is geworden dat deze zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld danwel rentedragend zijn geworden, is er voor aftrek van de premie Anw in onderhavig jaar geen plaats. Nu de Wet IB voor de vrijwillig betaalde AOW-premies niet in een aftrekrecht voorziet, komt het totaal van de premies AOW/Anw niet voor aftrek in aanmerking.

Heffingsrente

4.12 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad

27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. E.C.C.M. Kemmeren, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Luggenhorst als griffier.

De beslissing is op 16 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Luggenhorst) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.