Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO6167

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
08-00047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenbelasting.

Aan samenwerkingsverband van aantal gemeenten opgelegde aanslag ter zake van saneren stortplaats is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2794
V-N 2011/4.22 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2011/317
FutD 2010-2848
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 08/00047

Uitspraakdatum: 9 november 2010

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van

HET OPENBAAR LICHAAM REGIO ACHTERHOEK te Doetinchem (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 21 december 2007, nummer AWB 06/6009, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 2003 een aan-slag in de afvalstoffenbelasting van € 2.916.311 opgelegd. Aan heffingsrente is € 244.362 berekend.

1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur van 7 november 2006 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3. Op het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag verminderd tot € 746.805.

1.4. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld. Tot de stukken van het geding behoren het ver-weerschrift in hoger beroep met bijlagen. Daarbij heeft belanghebbende incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord op 3 juni 2008.

1.5. Bij het onderzoek ter zitting op 24 juni 2009 te Arnhem zijn gehoord belanghebbendes ge-machtigde alsmede de Inspecteur.

1.6. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een samenwerkingsverband van een aantal gemeenten uit de Achterhoek.

2.2. Belanghebbende heeft in het verleden de stortplaats De Langenberg (hierna: de stortplaats) in Zelhem geëxploiteerd. Het betrof een stortplaats voor huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafval-stoffen afkomstig uit de regio Achterhoek.

2.3. Sinds 4 september 1996 is de stortplaats volgestort en gesloten. Tot halverwege 1999 hebben er nog overslagactiviteiten op de stortplaats plaatsgevonden.

2.4. Bij beschikking van 2 november 1999 hebben gedeputeerde staten van Gelderland aan be-langhebbende, op zijn verzoek, vergunning verleend voor het afwerken en saneren van de stortplaats.

2.5. In de vergunning is onder meer bepaald dat er op de stortplaats een bovenafdichting moet worden aangebracht.

2.6. In het kader van het aanbrengen van deze bovenafdichting zijn er in 2003 diverse hoeveelhe-den asbesthoudende grond, puin en baggerspecie op de stortplaats aangevoerd. Deze stoffen zijn gebruikt in de steunlaag van de bovenafdichting.

2.7. In de aangifte afvalstoffenbelasting voor het onderhavige tijdvak is belanghebbende ervan uitgegaan dat voor de stoffen die zijn toegepast in de steunlaag op grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst-2003; hierna: Wbm) geen afvalstoffenbelasting was verschuldigd omdat de steunlaag volgens belanghebbende tot de eindafdichtingsconstructie behoort als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieu-grondslag (tekst-2002-2004; verder: Ubbm).

2.8. Verder is belanghebbende bij het bepalen van de volumieke massa uitgegaan van de zoge-naamde waterinhoud van de laadbakken die zijn gebruikt voor het aanvoeren van genoemde stoffen.

2.9. De Inspecteur heeft bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van belanghebbendes aangifte voor de afvalstoffenbelasting. De bevindingen tijdens dit onderzoek zijn vastgelegd in een op 30 november 2005 gedagtekend controlerapport.

2.10. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek is de onderhavige nahef-fingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is als volgt opgebouwd:

gewicht tarief Naheffing

Soort stoffen (×1000 kg) (€/1.000 kg) €

Niet aangegeven baggerspecie 1.378,10 13,47 18.563

Verschil weegbestand 33,76 13,47 454

Astbesthoudende grond en puin Hutten Zuid 13.904,04 81,65 1.135.265

10.092,41 13,47 135.944

Astbesthoudende grond Hutten Noord 16.770,60 81,65 1.369.319

9.310,67 13,47 125.415

Astbesthoudende puin van diverse locaties 2.124,54 13,47 28.617

Astbesthoudende baggerspecie 1.222,64 81,65 99.828

215,72 13,47 2.906

Totaal 55.052,48 2.916.311

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt in hoger beroep verdeeld,

3.1.1. of belanghebbende houder is van een belastingplichtige inrichting;

3.1.2. of in het tijdvak van naheffing zich het belastbare feit heeft voorgedaan;

3.1.3. of de belasting naar de juiste maatstaf is nageheven;

3.1.4. of de naheffingsaanslag aan belanghebbende kon worden opgelegd.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. De Inspecteur concludeert in het principale hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep tegen zijn uitspraak op bezwaar.

3.5. In het incidentele hoger beroep concludeert belanghebbende tot vernietiging van de nahef-fingsaanslag, dan wel tot vermindering ervan tot € 744.114.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De vragen ?3.1.1 en ?3.1.2 zijn door de Rechtbank terecht en op goede gronden bevestigend beantwoord. Hieraan doet niet af, dat de stortplaats De Langenberg in augustus 1996 is gesloten. Zoals besloten ligt in de wederzijdse stellingen van partijen en in de feiten die door de Rechtbank zijn vastgesteld en in hoger beroep niet zijn betwist (zie ?2.6), was in 2003 de eindafdichting van die stortplaats nog niet voltooid en zijn met het oog daarop nog afvalstoffen gestort om te worden gebruikt in de steunlaag voor de bovenafdichting. Die stoffen worden geacht te zijn afgegeven voor verwijdering, zoals artikel 13, lid 2, van de Wbm bij wijze van onweerlegbaar rechtsver-moeden bepaalt. De stortplaats is dus in het tijdvak van naheffing een inrichting gebleven waarin afvalstoffen definitief worden verwijderd en bijgevolg geen werk, een en ander in de zin van artikel 12, lid 1, onderdeel c, Wbm.

4.2. De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de steunlaag voor een bovenafdichtingsconstructie niet tot die constructie zelf behoort.

4.3. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, heeft het begrip ‘bovenafdichtingsconstruc-tie zoals verlangd in het Stortbesluit bodembescherming’ in de zin van in artikel 5, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (tekst-2002-2004; verder: Ubbm) geen nadere inhoud gekregen door voorschriften die zijn verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming. Voor een dergelijke delega-tie van regelgeving biedt artikel 12, lid 2, Wbm, immers geen grondslag, nu dit spreekt over ‘bij algemene maatregel van bestuur’ en niet over ‘bij of krachtens algemene maatregel van bestuur'. Die nadere inhoud kan evenmin voortvloeien uit de door belanghebbende bedoelde provinciale milieuverordeningen.

4.4. Hierop stuiten belanghebbendes primaire, subsidiaire en meer subsidiaire standpunten in het incidentele hoger beroep af.

4.5. Vraag ?3.1.3 wordt opgeworpen in het hoger beroep van de Inspecteur en in het nog meer subsidiaire standpunt van belanghebbende. Bij de beantwoording heeft het volgende als uit-gangspunt te gelden. Artikel 12, lid 1, Wbm omschrijft wat onder volumieke massa wordt ver-staan: het gewicht per volume-eenheid, uitgedrukt in kilogram per kubieke meter (kg/m³). Vol-gens artikel 18, lid 2, Wbm kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het verlaagde tarief voor het storten van onder meer afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1.100. Noch artikel 12 noch artikel 18 Wbm delegeert aan de Kroon of aan de minister de bevoegdheid nader te regelen wat onder volumieke massa is te verstaan en hoe deze moet worden bepaald. De voorwaarden voor de toepassing van art. 18, lid 2, zijn gesteld in de artikelen 5a tot en met 5e Ubbm, met uitzondering evenwel van artikel 5c, lid 2, Ubbm, dat geen (nadere) voorwaarde behelst doch een bepaalde berekening voorschrijft van het volume van aangevoerde hoeveelheden afvalstoffen. Die berekening kan ertoe leiden dat grotere hoeveelheden afvalstoffen in aanmerking worden genomen dan werkelijk worden aangevoerd.

4.6. Artikel 5, lid 4, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag zoals dit in 2003 luidde (hierna: Urbm) regelt dat de volumieke massa van de aangevoerde afvalstoffen wordt bepaald door het gewicht van de afvalstoffen te delen door ‘het met het registratienummer van de container, kipwagen of het vaartuig corresponderende volume’. Dit volume is de inhoud als bedoeld in artikel 5c, lid 3, Ubbm, te weten die welke is vermeld op een plaat die nagelvast is aangebracht aan de buitenzijde van de container, de laadbak van een kipwagen of het laadruim van een vaartuig. Het volgens deze voorschriften verkregen quotiënt kan evenwel lager zijn dan de volumieke massa als bedoeld in artikel 12, lid 1, Wbm indien de laadbakken niet rechthoekig van vorm zijn en bijgevolg niet overal dezelfde lengte, breedte of hoogte hebben. In dat geval wordt volgens de laatste zinsnede van artikel 5c, lid 2, steeds de grootste lengte , breedte en hoogtemaat in aanmerking genomen.

4.7. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat belang-hebbende had moeten weten dat de op de platen vermelde inhoud niet juist was, omdat daarop de zogenoemde waterinhoud was vermeld en niet de inhoud berekend overeenkomstig artikel 5c, lid 2, Ubbm. Belanghebbende bevestigt in zijn verweerschrift in hoger beroep onder 2.2 (I, bladzij-den 4-5) dat tijdens de zitting van de Rechtbank door hem is gesteld dat hij bij het vaststellen van de inhoud is afgegaan op de platen die op de container zijn aangebracht. De Inspecteur acht het onwaarschijnlijk dat belanghebbende telkens heeft gelet op de plaat van elke vrachtwagen die aan de poort kwam. Hiertegenover beschrijft belanghebbende de gang van zaken bij de aanlevering van de afvalstromen, welke noch onverenigbaar is met de bevindingen naar aanleiding van de controle zoals weergegeven in bijlage 1 van het verweerschrift in eerste aanleg onder 3 noch met de overige feitelijke stellingen van de Inspecteur. Die beschrijving komt het Hof op zichzelf aannemelijk voor. Hieruit volgt dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat belangheb-bende terecht is afgegaan op de inhoudsvermeldingen op de platen en dat daaraan, mede gezien het dwingende voorschrift van artikel 5e Ubbm, niet afdoet dat in de praktijk niet is gewerkt met geijkte containers.

4.8. Het zo-even gegeven oordeel brengt mee dat ook het nog meer subsidiaire standpunt van belanghebbende in diens incidentele hoger beroep wordt verworpen.

4.9. Voor de verdere beoordeling van vraag ?3.1.3 is het navolgende van belang.

4.10. De Inspecteur betwist dat de in geding zijnde afvalstoffen een volumieke massa hebben van meer dan 1.100, omdat de volumieke massa niet te kennen valt zonder dat het juiste gewicht van een vracht en het correcte volume vaststaan. Uit de gegevens die zijn vermeld in bijlage 2 van het bezwaarschrift (bijlage 4 van het verweerschrift in eerste aanleg) en door de Inspecteur op zichzelf niet zijn weersproken, blijkt dat de losse grond die voor de genoemde steunlaag in vrachtauto’s is aangevoerd 1.386 kg/m³ heeft gewogen en dus een volumieke massa heeft van meer dan 1.100. Die gegevens kunnen voor dit geding als vaststaand worden aanvaard.

4.11. Bijgevolg is op de in geding zijnde afvalstoffen, met uitzondering van twee vrachten onder afvalstroomnummer 05WU50000065 en één onder afvalstroomnummer 05WU50000067 met een gezamenlijk gewicht van 76.980 kg, het tarief van € 13,47 per 1.000 kg genoemd in artikel 18, lid 2, Wbm toepasselijk. Het andersluidende standpunt van de Inspecteur wordt verworpen.

4.12. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de Rechtbank tevens terecht heeft geoordeeld dat de vraag of onder nadere regels omtrent de wijze waarop het gewicht van de afvalstoffen wordt bepaald ook nadere regels omtrent de wijze van vaststellen van de volumieke massa kunnen worden begrepen, in dit geding geen beantwoording behoeft. Evenmin behoeft te worden beoor-deeld of de asbesthoudende baggerspecie die afkomstig is van het waterschap Rijn en IJssel voldoet aan de kwalificatie van baggerspecie in artikel 18, lid 2, onderdeel d, Wbm, nu daarop reeds krachtens onderdeel c het tarief van € 13,47 toepasselijk is.

4.13. Het onder ?3.1.4 geformuleerde geschilpunt is door de Rechtbank aldus begrepen dat het verschil tussen het tarief van artikel 18, lid 1, en dat van artikel 18, lid 2, Wbm zou moeten worden geheven van een ander dan belanghebbende, te weten de aanbieder van de afvalstoffen. Dit geschilpunt is door de Rechtbank niet behandeld, omdat zij slechts – behoudens op de onder ?4.10 genoemde 76.980 kg – het tarief van € 13,47 toepasselijk heeft geoordeeld. Nu dat oordeel in hoger beroep stand houdt en belanghebbende daartegen in het incidentele hoger beroep niet is opgekomen, behoeft vraag ?3.1.4 geen beantwoording.

4.14. Tegen de berekende heffingsrente heeft belanghebbende noch in bezwaar, noch in eerste aanleg noch in het incidentele hoger beroep zelfstandige grieven ingebracht. Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2009, nr. 07/13621 (LJN: BJ7907, BNB 2010/52c*), vult het Hof de beslissing van de Rechtbank ambtshalve aldus aan dat de heffingsrente overeen-komstig de vermindering van de naheffingsaanslag zal worden verminderd.

5. Slotsom

Het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende zijn ongegrond.

6. Kosten

De proceskosten van belanghebbende in hoger beroep zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (2 [verweerschrift en verschijnen ter zitting à 1 punt] ?€ 322?1,5 [wegingsfactor gewicht]=) € 966 aan kosten van door een derde beroepsmatig ver-leende rechtsbijstand.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

– vermindert de berekende heffingsrente overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaan-slag waartoe de Rechtbank heeft beslist;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 966;

– bepaalt dan van de Staat een griffierecht van € 448 zal worden geheven.

Aldus gedaan te Arnhem door mr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J.H. van Suilen in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2010.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 november 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassa-tie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.