Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO5140

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
200.053.008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ex-samenwoners die geen samenlevingscontract hadden strijden over (de waarde van) een chalet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.053.008

(zaaknummer rechtbank 84803 HA ZA 07-270)

arrest van de vierde civiele kamer van 9 november 2010

(bij vervroeging)

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. L. Bezoen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A.A.M. Rupert.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 mei 2007, 12 september 2007, 16 januari 2008, 3 september 2008, 18 maart 2009 en 16 december 2009 die de rechtbank Almelo tussen appellant (hierna ook te noemen: de man) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de vrouw) als eiseres heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De man heeft bij exploot van 23 december 2009 de vrouw aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de vrouw voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft de man tien grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, nieuwe producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

I. de vorderingen van de vrouw zal afwijzen, hetzij door de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren hetzij door de vrouw haar vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van die bedragen die zij alsdan reeds onverschuldigd van de man heeft ontvangen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data der onverschuldigde betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

II. met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties, met veroordeling van de vrouw in de wettelijke rente over de uit te spreken kostenveroordeling indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest heeft plaatsgevonden.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

1. de man in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem deze als zijnde ongegrond zal ontzeggen, althans deze af te wijzen;

2. de man zal veroordelen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2.5 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast:

3.2 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond, aanvankelijk in [plaatsnaam] en vanaf 2001 in een chalet op park [adres] in [woonplaats].

3.3 Het chalet is op of omstreeks 13 september 2000 gekocht van Arrow Caravans.

3.4 Partijen hebben op 4 november 1999 een persoonlijke lening afgesloten bij de ING-bank ten bedrage van fl. 55.000,-, af te betalen in 120 maandelijkse termijnen.

Op 15 september 2000 is van een rekening van de man een bedrag van fl. 55.000,- gestort op de rekening van de heer [A.], handelende onder de naam Arrow Caravan Services. De man heeft alle periodieke rentebetalingen en aflossingen op de lening gedaan en heeft het restant van de hoofdsom afgelost uit een hypotheeklening op zijn naam.

3.5 Partijen hebben op of omstreeks 1 maart 2004 de relatie en de samenwoning beëindigd. Het chalet wordt nu bewoond door de man.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep/in het incident

4.1 Tegen het tussenvonnis van 23 mei 2007 zijn geen grieven aangevoerd, zodat de man in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

4.2 De zaak gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, over het volgende. Partijen hebben, zonder samenlevingscontract, samengewoond, laatstelijk in het chalet. De vrouw heeft in eerste aanleg aanspraak gemaakt op de helft van de waarde van het chalet en in dat verband een bedrag van € 70.000,- met rente gevorderd. Aanvankelijk heeft de vrouw zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij samen met de man eigenaar is van het chalet. De rechtbank heeft overwogen dat de stelling van de vrouw dat zij eigenaar is van het chalet niet de grondslag kan zijn voor toewijzing van een geldbedrag, maar heeft de vordering van de vrouw opgevat als een vordering tot nakoming van een stilzwijgende afspraak tussen ongehuwde samenwoners, die inhoudt dat bij verbreking van de samenwoning de waarde van een zaak, waarin beide partijen investeringen hebben gedaan, tussen hen moet worden gedeeld. De rechtbank heeft na comparitie en tussenvonnis geoordeeld dat de vrouw haar stellingen dienovereenkomstig heeft aangepast. Na bewijslevering en deskundigenberichten heeft de rechtbank bepaald dat de onderhandse verkoopwaarde van het chalet op 1 maart 2004, ten tijde van het uiteengaan van partijen, € 60.000,- was. Na aftrek van het door de man afgeloste bedrag van € 15.122,- heeft de rechtbank bij het bestreden eindvonnis, voor zover van belang, de man veroordeeld om de vrouw € 22.439,-, zijnde de helft van de overwaarde, te betalen.

4.3 Uitgangspunt voor het hof is dat een expliciete overeenkomst tussen partijen ontbreekt. De vrouw stelt evenwel thans, zo begrijpt het hof haar standpunt (memorie van antwoord, in het bijzonder sub 3, 7, 9, 12, 14 en 23), - zulks kennelijk in navolging van hetgeen de rechtbank in het vonnis van 16 januari 2008 in de rechtsoverwegingen 6 en 7, in het vonnis van 3 september 2008 in rechtsoverweging 2 en in het vonnis van 16 december 2009 in rechtsoverweging 7 heeft overwogen - dat sprake is van een stilzwijgende afspraak tussen ongehuwde samenwoners welke afspraak inhoudt dat bij verbreking van de samenwoning de overwaarde van de onderhavige zaak, het chalet, waarin beide partijen investeringen hebben gedaan, tussen hen bij helfte moet worden gedeeld.

4.4 De man heeft in hoger beroep allereerst aangevoerd dat de rechtbank buiten de rechtstrijd is getreden door de vordering van de vrouw op te vatten als een vordering tot nakoming van een stilzwijgende afspraak tussen ongehuwde samenwoners. Wat daarvan zij, het hoger beroep heeft een herkansings- en herstelfunctie. Nu zoals hiervoor is overwogen de vrouw zich blijkens de memorie van antwoord verenigt met de vonnissen van de rechtbank en de gronden waarop deze zijn gewezen, ligt in hoger beroep aldus een dienovereenkomstig door de vrouw gewijzigde vordering ter beoordeling voor. Of de rechtbank al dan niet buiten de rechtsstrijd is getreden kan daarmee in het midden blijven. Voor zover de grieven, in het bijzonder de grieven II, III, VI en VII, hierover klagen kunnen zij niet leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen.

4.5 De in dit geding te beantwoorden vraag is of sprake is van een stilzwijgende overeenkomst tot verrekening van de helft van de overwaarde van het chalet zoals de vrouw heeft gesteld, dan wel of deze verrekening uit de redelijkheid en billijkheid zou voortvloeien. Op de vrouw rust de stelplicht en de bewijslast van haar stellingen.

4.6 De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd dat zij het chalet samen met de man heeft gekocht en gefinancierd, in die zin dat zij te dien behoeve samen een krediet ad fl. 55.000,- hebben afgesloten, alsmede dat partijen het restantbedrag van fl 15.500,-, na aftrek vanwege de inruil van de oude caravan, contant hebben voldaan.

Voorts heeft de vrouw gesteld dat partijen hebben afgesproken dat zij de huishoudelijke kosten alsmede de kosten van de jaarplaats zou voldoen (inleidende dagvaarding sub 3 en 4, memorie van antwoord sub 5, 7, 17 en 21).

4.7 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hieruit niet een stilzwijgende afspraak als door de vrouw is gesteld, kan worden afgeleid.

4.8 Wat betreft de aankoop van het chalet overweegt het hof als volgt. Voorop wordt gesteld dat de vrouw bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 10 april 2008 heeft verklaard dat ervan kan worden uitgegaan dat de man eigenaar is van het chalet. Weliswaar is de stelling van de vrouw dat de overeenkomst tot geldlening, aangegaan ten behoeve van de aanschaf van het chalet, door beide partijen is gesloten, juist maar daaruit volgt niet zonder meer dat de vrouw daadwerkelijk geheel of gedeeltelijk de lasten van de financiering heeft gedragen. De man heeft reeds in eerste aanleg gesteld dat hij de verplichtingen uit hoofde van deze lening volledig heeft betaald. De vrouw heeft dit op de comparitie van partijen van 12 juli 2007 erkend. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 12 september 2007 dan ook, naar het hof begrijpt, als feit vastgesteld dat de man alle periodieke rentebetalingen en aflossingen op de lening heeft gedaan en dat hij het restant van de hoofdsom heeft afgelost uit een hypotheeklening op zijn naam. De man heeft deze stellingen in hoger beroep herhaald. De vrouw heeft dit onvoldoende betwist. Daarmee staat vast dat de man in elk geval fl. 55.000,- aan de koopprijs van het chalet heeft bijgedragen.

4.9 De man heeft gesteld dat hij daarnaast ten behoeve van de aanschaf van het chalet een bedrag van fl. 15.500,- contant heeft betaald. De vrouw heeft gesteld dat het bedrag betaald is van het spaargeld van partijen, maar zij heeft bij gelegenheid van de comparitie van 12 juli 2007 verklaard dat zij niet kan zeggen van welke rekening dat komt. Zij heeft bankafschriften overgelegd. De rechtbank heeft in dat verband overwogen (tussenvonnis 3 september 2008, rechtsoverweging 5): “dat uit de door de vrouw overgelegde bescheiden blijkt dat de vrouw op 14 september 2000 van de bankrekening met nummer [nummer 1] f 5.500,- en van de bankrekening met nummer [nummer 2] f 4.500,- heeft opgenomen. Het bedrag dat zij van de bankrekening met nummer [nummer 1] heeft opgenomen was grotendeels afkomstig van de op naam van de vrouw staande zogenaamde plusrekening, een spaarrekening, bij de Postbank. Uit de factuur van Arrow caravan d.d. 13 september 2000 (productie 2 bij conclusie van antwoord) blijkt dat op 15 september 2000 een bedrag van f 15.500,- is voldaan. In onderlinge samenhang bezien komt de rechtbank tot de conclusie dat een deel van de spaargelden van de vrouw zijn aangewend om het chalet te kopen.”.

Met grief VII komt de man onder meer op tegen dit oordeel. Ter toelichting (memorie van grieven onder 35) heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de voormelde redenering van de rechtbank onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de vrouw een deel van haar spaargelden ad fl. 10.000,- heeft aangewend voor de aankoop van het chalet. Weliswaar blijkt uit de geldopnames zelf niet van de bestemming van de gelden, zoals de man heeft aangevoerd, maar het hof is van oordeel dat de man aldus zijn verweer onvoldoende heeft gemotiveerd en dat dit verweer daarom moet worden gepasseerd. De man heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen met welk doel de opnames door de vrouw zijn gedaan, zo kort voor de aankoop en contante betaling van het chalet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de chronologische gang van zaken dient te worden afgeleid dat de vrouw fl. 10.000,- heeft aangewend voor de aankoop van het chalet. Dit oordeel impliceert, nu de vrouw over het restant niets naders heeft gesteld, dat de stelling van de man dat hij een contante betaling heeft verricht ten behoeve van de aankoop van het chalet voor zover het betreft een bedrag van fl. 5.500,- als juist moet worden aanvaard.

4.10 De man heeft in eerste aanleg voorts gesteld dat hij bij de aankoop van het chalet, het hof begrijpt naast de voormelde bedragen van fl. 55.000,- en fl. 5.500,-, een bedrag van fl. 28.500,- in contanten betaald heeft en dit als zodanig onder de noemer "inruil caravan” op de factuur is opgenomen. De vrouw heeft in dit verband volstaan met haar verklaring bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 12 juli 2007 dat bij de aankoop van het chalet de caravan is ingeruild, dat deze caravan ook van hen samen was en dat deze betaald is van gezamenlijk geld. Zij is op dat moment noch later ingegaan op de stelling van de man dat hij een bedrag van fl. 28.500,- contant heeft betaald. De man heeft als getuige verklaard dat ten behoeve van het chalet en het bouwen daarvan een voorschot moest worden betaald van fl. 25.000,-, hetgeen gebruikelijk was. Getuige [B.] heeft verklaard dat toen hij bij Arrow Caravan een chalet kocht, hij ongeveer fl. 25.000,- a fl. 30.000,- moest aanbetalen en dat volgens hem de man ook fl. 25.000,- heeft aanbetaald. De getuige heeft verklaard dat de man dat geld bij zich had en dat ze toen samen naar het bedrijf van Arrow Caravan zijn geweest. De vrouw heeft deze verklaringen in eerste aanleg en in hoger beroep in zoverre niet weersproken. In hoger beroep heeft de man, zo begrijpt het hof, gesteld dat hij een bedrag van fl. 25.000,- als voorschot aan Arrow Caravans heeft betaald en fl. 3.500,- als inruilwaarde van de oude caravan onder de noemer "inruil caravan” op de factuur is opgenomen. De vrouw heeft deze nader uitgewerkte stelling van de man in hoger beroep wederom niet weersproken. Het hof gaat daarom bij gebreke van genoegzame betwisting aan de zijde van de vrouw ervan uit dat de man een bedrag van fl. 25.000,- heeft betaald ten behoeve van de aankoop van het chalet. Gelet op het vorenstaande slaagt grief VII in zoverre deels en faalt zij voor het overige.

4.11 Met grief IX komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat de man niet geslaagd is in het bewijs dat de caravan die destijds is ingeruild, zoals vermeld op de factuur van Arrow Caravans van 13 september 2000, in eigendom aan de man toebehoorde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat met de drie getuigenverklaringen die in eerste aanleg zijn afgelegd de man dit bewijs niet heeft geleverd. Hetgeen de rechtbank in het vonnis van 18 maart 2009 heeft overwogen in rechtsoverweging 2 maakt het hof tot zijn oordeel. De man heeft in hoger beroep geen nader bewijs geleverd of op dit punt concreet aangeboden. Hiermee faalt deze grief. Het hof gaat er daarmee van uit dat deze caravan van partijen gemeenschappelijk was.

4.12 Het vorenstaande brengt met zich mee dat de man ten minste fl. 85.500,- (fl. 55.000 plus fl. 25.000,- plus fl. 5.500,-) alsmede de helft van de waarde van de ingeruilde caravan ad fl. 3.500,- dus in totaal fl 87.250,- ten behoeve van de aanschaf van het chalet heeft betaald. De enkele omstandigheid dat de vrouw een bedrag van fl. 10.000,- alsmede de helft van de waarde van de ingeruilde caravan ad fl. 3.500,-, dus in totaal fl. 11.750,- heeft geïnvesteerd in het chalet, is gelet op het verschil in door partijen geïnvesteerde bedragen (man fl. 87.250,-, vrouw fl. 11.750,-) onvoldoende om te oordelen dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt om de (over)waarde van het chalet na het verbreken van de samenwoning bij helfte te verdelen.

4.13 Tussen partijen staat vast dat het chalet “casco” (conclusie van antwoord man sub 14) dan wel als “ruwbouw” (akte vrouw van 7 november 2001 sub 5) is opgeleverd door Arrow Caravan en daarna is afgebouwd in eigen beheer. De vrouw heeft in het kader van haar aanvankelijke stelling dat het chalet mede-eigendom was, aangevoerd dat de waarde aanzienlijk is gestegen door allerlei verbouwingen, zoals plaatsing keuken en badkamer, toilet, c.v., betegeling, verharding, tuinaanleg etc. en dat zij aanspraak maakt op de helft van (daardoor) opgetreden waardestijging (inleidende dagvaarding sub 5). De man heeft gesteld (conclusie van antwoord sub 14 - 15), zo begrijpt het hof, dat hij deze kosten van verbeteringen geheel of grotendeels heeft gedragen. De vrouw heeft dit niet voldoende weersproken. Het hof constateert dat de rechtbank in geen van haar vonnissen, naast de initiële bijdrage van de vrouw aan de aankoopkosten van het chalet, enig bedrag heeft vastgesteld dat de vrouw zou hebben bijgedragen aan de kosten van afbouw en verbetering. In hoger beroep (memorie van grieven sub 14) heeft de man uitdrukkelijk gesteld dat de vrouw op geen enkele wijze financieel heeft bijgedragen in de kosten van afbouw van het chalet en inrichting van de standplaats. De vrouw heeft dit in hoger beroep niet weersproken, zodat het hof hiervan uitgaat. Nu de vrouw niet direct heeft bijgedragen aan de afbouw/verbetering van het chalet en de inrichting van de standplaats, kan ook daarin geen stilzwijgende afspraak tot verrekening van de overwaarde worden gebaseerd.

4.14 De vrouw heeft in eerste aanleg ter onderbouwing van haar stelling tevens aangevoerd dat partijen hadden afgesproken dat de man de lening zou aflossen en dat de vrouw de huishoudelijke kosten voor haar rekening zou nemen alsmede de kosten voor de jaarplaats zou voldoen.

4.15 De man heeft dit laatste gemotiveerd betwist (memorie van grieven sub 16, 17, 30 – 33). Hij heeft een uitvoerig overzicht gegeven van de inkomsten en uitgaven van partijen, welk overzicht door de vrouw niet is weersproken. Het hof leidt uit dit overzicht af dat ook de man substantieel heeft bijgedragen aan de huishoudelijke kosten van partijen. Nu de vrouw in hoger beroep heeft nagelaten nader geconcretiseerd te stellen en te onderbouwen welke kosten zij voor de huishouding heeft voldaan, hetgeen gelet op het overzicht van de man op haar weg had gelegen, gaat het hof aan haar stelling in hoger beroep dat zij ten tijde van de relatie van partijen alle kosten van de huishouding op zich heeft genomen (memorie van antwoord sub 8, 10 en 11) als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

Ook de stelling van de vrouw dat zij de huur van de jaarplaats op het park [adres] heeft betaald, heeft de man in hoger beroep gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft ter voorbereiding van de comparitie van partijen in eerste aanleg bij brief van haar raadsman van 5 juli 2007 een aantal stukken in het geding gebracht. Uit de handgeschreven notitie die is bijgevoegd blijkt dat alleen over 2000 per bank is betaald en over de jaren 1999, 2001 tot en met 2003 geen bankbetalingen zijn verricht. Nu de man heeft gesteld dat hij de kosten van de standplaats contant heeft betaald kan niet enkel uit de door de vrouw overgelegde facturen over de bedoelde jaren, die overigens allen gedateerd zijn op 29 augustus 20005, waarbij telkenmale slechts is vermeld “reeds van u ontvangen”, worden afgeleid dat deze betalingen door de vrouw zijn geschied. Bij gebreke van een voldoende geconcretiseerd bewijsaanbod op dit onderdeel, hetgeen in hoger beroep van de vrouw had mogen worden verwacht, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Daarmee staat naar het oordeel van het hof, anders dan naar dat van de rechtbank, niet vast dat de vrouw gedurende een groot aantal jaren de huur van de standplaats heeft betaald.

Dit alles brengt met zich dat de vrouw haar beroep op een stilzwijgende afspraak van partijen als onder 4.5 bedoeld niet kan baseren op een indirecte financiële bijdrage van haar zijde, bestaande uit het voor haar rekening nemen van de kosten van de huishouding en de jaarplaats.

4.16 In eerste aanleg heeft de vrouw zich in het kader van haar aanvankelijke stelling dat zij mede-eigenaar van het chalet was, beroepen op de door de man en haar opgemaakte testamenten, waarin is bepaald dat tot de nalatenschap behoort een onroerende zaak en/of een mobiele woning (chalet) en dat aan partijen over en weer het recht van vruchtgebruik is verleend. Voor zover de vrouw daarmee tevens heeft bedoeld te stellen dat sprake is van een stilzwijgende afspraak als hiervoor bedoeld, verwerpt het hof dit standpunt nu dit, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet kan worden afgeleid uit deze testamenten en de vrouw geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit dit zou volgen. De testamenten brengen, anders dan de vrouw in hoger beroep heeft betoogd (memorie van antwoord sub 5) ook niet mee dat partijen een evenredig aandeel in het chalet hadden.

4.17 Uit hetgeen onder 4.7 - 4.16 is overwogen volgt dat de bestreden vonnissen vernietigd moeten worden. Van het bestaan van een stilzwijgende afspraak is niet gebleken. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de redelijkheid en billijkheid met zich zou brengen dat de vrouw de helft van de (over)waarde van het chalet toekomt. De enkele omstandigheid dat partijen een langdurige relatie zijn aangegaan en gezamenlijk een huishouding hebben gevoerd, is daartoe onvoldoende. Grief VIII slaagt in zoverre en faalt voor het overige.

4.18 Voor zover de vrouw in hoger beroep (memorie van antwoord sub 7) heeft gesteld dat ter zake van het chalet tussen partijen een gewone gemeenschap bestaat en de vrouw aanspraak heeft op de helft van de overwaarde, en daarmee bedoeld zou hebben de aanvankelijk in eerste aanleg ingenomen stelling dat zij mede-eigenaar was alsnog in hoger beroep te handhaven, verwerpt het hof deze stelling. Dit staat haaks op haar verklaring bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 10 april 2008 waarbij de raadsman van de vrouw, namens haar en in haar aanwezigheid, heeft verklaard ervan uit te gaan dat de man eigenaar is van het chalet, terwijl van een herroeping niet is gebleken, alsmede de erkenning van de vrouw (memorie van antwoord sub 6) dat hetgeen de rechtbank in het vonnis van 16 januari 2008 onder 4 en 5 heeft overwogen juist is. Daarnaast heeft de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man haar stelling dat zij mede-eigenaar is van het chalet, onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat de vrouw ook in hoger beroep niet de verdeling heeft gevorderd.

4.19 Gelet op hetgeen is overwogen brengt ook de devolutieve werking niet met zich dat de vordering van de vrouw alsnog toewijsbaar is. Met betrekking tot de waarde van het chalet overweegt het hof nog dat hij, met de rechtbank, de deskundigenrapporten volgt. De vrouw heeft deze taxaties onvoldoende weerlegd.

4.20 Voor zover de vrouw voldaan heeft aan haar stelplicht wordt het algemene bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd verworpen.

Slotsom

4.21 De grieven VII en VIII slagen deels en grief X slaagt, zodat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd. Dit geldt niet voor het vonnis van 23 mei 2007 nu daartegen geen grieven zijn aangevoerd. De overige grieven falen, dan wel behoeven geen bespreking.

De vordering van de vrouw zal alsnog worden afgewezen als hierna zal worden bepaald.

4.22 Gelet op de omstandigheid dat partijen een relatie hebben gehad en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van 23 juli 2007;

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Almelo van 12 september 2007, 16 januari 2008, 3 september 2008, 18 maart 2009 en 16 december 2009;

wijst de vorderingen van de vrouw af;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van die bedragen die zij alsdan reeds onverschuldigd van de man heeft ontvangen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data der onverschuldigde betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Osch, Mens en Lieber en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2010.