Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO5123

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
1000110
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heffingsrente.

Verwijzingsprocedure HR 5 maart 2010, nr. 09/00469, LJN: BL6426. Partijen concluderen na verwijzing eensluidend dat beschikking heffingsrente moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/6.5 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00110

uitspraakdatum: 9 november 2010

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 17 september 2007, nummer AWB 07/270, in het geding tussen de Inspecteur

en

X te Z (hierna: belanghebbende)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 485 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank te Breda (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 september 2007 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de beschikking inzake heffingsrente vernietigd.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ‘s Hertogenbosch. Dit hof heeft bij uitspraak van 23 januari 2009, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de beschikking inzake heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 204.

1.5 Op de beroepen in cassatie van belanghebbende en de staatssecretaris van Financiën heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 maart 2010, nr. 09/00469, LJN: BL6426, BNB 2010/152 (hierna: het verwijzingsarrest) het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond verklaard, het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond verklaard en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.6 Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft een zogenaamde conclusie na verwijzing ingediend.

1.7 Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar onderdeel 3.1 van het verwijzingsarrest alsmede naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.9 van de uitspraak van het gerechtshof ‘s te Hertogenbosch.

3. Het geschil

Na verwijzing is uitsluitend nog in geschil of het tijdsverloop tussen de aangifte en de aanslag aanleiding geeft tot een (verdere) verlaging van de aan belanghebbende bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Bij de beoordeling van het onderhavige geschil stelt het Hof voorop dat, gelet op de geformuleerde rechtsoverwegingen, ervan moet worden uitgegaan dat de Hoge Raad in het verwijzingsarrest – hoewel zulks niet in het dictum is opgenomen – de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft vernietigd.

4.2 De Hoge Raad heeft in zijn verwijzingsarrest – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“3.2. In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 november 2007, nr. DGB 2007/05120M, V-N 2007/58.7, is bepaald dat de door grensarbeiders over 2003 en 2004 verschuldigde heffingsrente moet worden verminderd met de (fictieve) heffingsrente over de teruggaaf van Belgische belasting. Daarbij geldt voor heffingsrente met betrekking tot aanslagen over 2003 als rentetijdvak de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005. Op grond van dit besluit heeft de Inspecteur in hoger beroep geconcludeerd tot een vermindering van de heffingsrente tot een bedrag van € 307.

4.4.1. Wel brengt het beleid van de Belastingdienst met zich dat de Inspecteur binnen drie maanden na indiening van de aangifte door belanghebbende een nadere voorlopige aanslag had moeten opleggen om de heffingsrente te beperken. In geval van overschrijding van deze termijn van drie maanden verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat meer heffingsrente in rekening wordt gebracht dan belanghebbende verschuldigd zou zijn geweest als de Inspecteur bij het einde van deze termijn een voorlopige aanslag had opgelegd in overeenstemming met de aangifte. Dit is slechts anders indien en voor zover de overschrijding van de termijn van drie maanden niet aan de Belastingdienst te wijten is (zie HR 25 september 2009, nr. 07/13362, LJN BJ8524, BNB 2009/295).

4.4.2. Nu het Hof niet op belanghebbendes klacht over het tijdsverloop tussen de aangifte en de aanslag is ingegaan, is het beroep van belanghebbende in zoverre gegrond.

(…)

4.6. Verwijzing moet volgen voor bepaling van de hoogte van de heffingsrente met inachtneming van hetgeen in dit arrest - waaronder ook onderdeel 3.2, slotzin - is overwogen.”

4.3 Belanghebbende heeft in zijn conclusie na verwijzing betoogd dat de beschikking inzake heffingsrente dient te worden verminderd tot nihil.

4.4 Rekening houdend met het in overweging 4.4.1. van het verwijzingsarrest genoemde beleid, heeft de Inspecteur in zijn conclusie na verwijzing hetzelfde standpunt als belanghebbende ingenomen.

4.5 Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

4.6 Op grond van het vorenstaande is het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vast op € 27 aan reiskosten en € 120 aan verletkosten, ofwel in totaal op € 147. Over de door belanghebbende in beroep gemaakte proceskosten heeft de Rechtbank reeds beslist. Voor het overige is het Hof niet gebleken van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

Het Hof:

? bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

? veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 147,

? bepaalt dat van de Staat op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 448.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en

mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 9 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 november 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.