Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO5085

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
24-002238-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het niet scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen van zijn inrichting veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete.

Het beroep op nietigheid van de inleidende dagvaarding (onduidelijke tenlastelegging) wordt verworpen.

De verweren dat verdachte niet strafbaar is en dat het te laste gelegd niet langer strafbaar zou zijn, omdat het besluit waarop het ten laste gelegde is gestoeld is ingetrokken, worden verworpen.

Wetsverwijzingen
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer 4
Wet milieubeheer 8.40
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002238-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-994661-08

Arrest van 19 november 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 september 2008

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Tadema,

advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde misdrijf zal veroordelen tot een geldboete van € 650,=, subsidiair 13 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, op één of meerdere tijdstippen in de periode van 4 maart 2007 tot en met 5 maart 2007 te [plaats], in elk geval in Nederland, als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres], dreef, al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen dat een of meer voorschriften die zijn opgenomen in de bij het genoemde besluit behorende bijlage, werden nageleefd, immers heeft hij toen aldaar in strijd met het bepaalde in voorschrift 1.3.2 van voornoemd Besluit, afvalstoffen, te weten papier en/of plastic bakjes en/of servetten en/of groente- en fruitblikken, niet van elkaar gescheiden en/of gescheiden gehouden en/of gescheiden afgegeven, terwijl dit redelijkerwijs wel kan worden gevergd.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op nietigheid van de inleidende dagvaarding. Dit beroep komt er op neer, dat onvoldoende duidelijk is op welke handeling(en) het ten laste gelegde betrekking heeft. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, dat uit de processtukken blijkt dat er in de ten laste gelegde periode op verschillende plaatsen in [plaats] afvalstoffen van de inrichting van verdachte zijn gedumpt, terwijl uit de tenlastelegging niet is op te maken op welke van die dumpingen de tenlastelegging ziet.

Gelet op de tekst van het ten laste gelegde, is het hof van oordeel, dat de omschrijving daarvan voldoet aan de eisen die door artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is genoegzaam gebleken dat het om het door hen op 5 maart 2007 op de [straat] te [plaats] aangetroffen afval gaat. Voorts is uit het onderzoek ter zitting van het hof niet gebleken, dat bij verdachte enige onduidelijkheid omtrent die tenlastelegging heeft bestaan noch dat verdachte zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verdedigen.

Het hof verwerpt het beroep op nietigheid van de inleidende dagvaarding.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij tezamen en in vereniging met één of meer anderen, op een tijdstip in de periode van 4 maart 2007 tot en met 5 maart 2007 te [plaats], als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres], dreef, opzettelijk er niet voor heeft zorg gedragen dat een voorschrift dat is opgenomen in de bij het genoemde besluit behorende bijlage, werd nageleefd, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) toen aldaar in strijd met het bepaalde in voorschrift 1.3.2 van de bijlage bij voornoemd Besluit, afvalstoffen, te weten papier en plastic bakjes en servetten en groente- en fruitblikken, niet van elkaar gescheiden en gescheiden gehouden, terwijl dit redelijkerwijs wel kan worden gevergd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid

De verdediging heeft ter zitting van het hof aangevoerd, dat verdachte elke avond het afval van de inrichting in een afvalzak mee naar huis nam of, in het geval hij niet in de inrichting aanwezig was, dat één van zijn medewerkers het afval van de inrichting bij hem thuis bracht en dat hij dat afval dan naar het afvalbedrijf bracht, alwaar het niet verplicht was om gescheiden aan te bieden. Volgens de raadsman meende verdachte dat hij dit op die wijze mocht doen, zodat verdachte niet strafbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent dat op degene die een inrichting drijft, de plicht rust om zich ervan te vergewissen welke regels gelden voor het in werking zijn van de inrichting. Voor het verwerken van afvalstoffen afkomstig van de inrichting gelden andere regels dan voor het verwerken van afvalstoffen van particulieren. Dat verdachte in de praktijk zijn bedrijfsafvalstoffen heeft verwerkt op de wijze van particuliere afvalstoffen brengt niet mee dat verdachte redelijkerwijs mocht menen zo te mogen werken. Daarenboven kan uit de verklaring van werknemers van verdachte worden afgeleid dat verdachte zich ook op andere wijze dan toegestaan voor particulieren van zijn bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan. Dit verweer treft geen doel.

Voorts heeft de raadsman ter zitting van het hof aangevoerd, dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer per 1 januari 2008 is ingetrokken. Volgens de raadsman is het ten laste gelegde feit dan ook niet meer strafbaar en dient verdachte van dat feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer is met ingang van

1 januari 2008 weliswaar ingetrokken, maar daarvoor is met ingang van diezelfde datum het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in de plaats getreden. In laatstgenoemd besluit is in artikel 2.12, tweede lid, een soortgelijk voorschrift als het inmiddels vervallen voorschrift 1.3.2 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer opgenomen. Blijkens de aanhef van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is dat besluit, evenals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gebaseerd op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en zijn overtredingen van die regelgeving strafbaar gesteld in artikel 1a, sub 1?, van de Wet op de economische delicten. Derhalve is de ten laste gelegde handeling als zodanig ook na 1 januari 2008 strafbaar gebleven. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte, destijds vennoot van de commanditaire vennootschap [naam], gevestigd aan de [adres] te [plaats], heeft in de periode van

4 maart 2007 tot en met 5 maart 2007 in strijd met het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer er niet voor zorg gedragen dat afvalstoffen afkomstig van die inrichting, te weten papier, plastic bakjes, servetten en groente- en fruitblikken, van elkaar zijn gescheiden en gescheiden zijn gehouden, terwijl dit

redelijkerwijs wel kan worden gevergd. Die afvalstoffen zijn in een andere straat dan waar genoemde inrichting was gevestigd niet gescheiden gedumpt. Hierdoor is het milieu geschaad.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële documentatie d.d. 20 augustus 2010 blijkt, dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld.

Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken, dat verdachte genoemde inrichting sedert 4 juli 2007 niet meer exploiteert. Voorts is door verdachte aangegeven dat hij grote financiële schulden heeft, dat hij in de schuldsanering zit, dat hij € 50,= per week ontvangt om van te leven en dat hij psychische problemen heeft waarvoor hij sedert 2007 in behandeling is bij een psychiater.

Hoewel het feit in beginsel de oplegging van de door de economische politierechter opgelegde onvoorwaardelijke geldboete van € 650,= rechtvaardigt, zal het hof rekening houden met de slechte financiële situatie waarin verdachte verkeert en zijn psychische problematiek. Om die reden zal het hof overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal de door de eerste rechter opgelegde geldboete in voorwaardelijke vorm aan verdachte opleggen.

Het hof stelt vast dat de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen

2 jaar. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met ruim 2 maanden, hetgeen in strijd is met artikel 6, eerste lid, EVRM.

Nu het hof, als laatste feitelijke instantie, een voorwaardelijke geldboete zal opleggen, past het hof geen strafvermindering toe en volstaat het hof met het oordeel, dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 4 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van zeshonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Van Schuijlenburg, voorzitter, mr. Anjewierden en mr. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier.