Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO5078

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.064.491
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Limitering nieuwe geval, vervaltermijn van 3 maanden, wanneer vangt deze termijn aan als de man de alimentatie nog enige tijd doorbetaalt?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/50 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.064.491

(zaaknummer rechtbank 106191 / FA RK 09-1309)

beschikking van de familiekamer van 26 oktober 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. H. Tadema te Deventer,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. E.D. Breuning ten Cate te Almelo.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 3 februari 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 mei 2010, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en de vrouw ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot verlenging van de alimentatieduur, vast te stellen dat de vrouw aanspraak heeft op verlenging van de termijn van alimentatiebetaling door de man voor onbepaalde tijd, althans voor acht jaar, althans voor een zodanige termijn als het hof juist acht, met vastlegging van de mogelijkheid dat die termijn verlengd kan worden. Voor het geval dat het hof voormeld verzoek van de vrouw afwijst verzoekt zij het hof subsidiair de kinderalimentatie ten behoeve van hierna nader te noemen [het kind] ingaande 1 juli 2009, althans ingaande op een zodanige datum als het hof juist acht, te verhogen tot -naar het hof begrijpt- € 950,- per maand, althans tot een zodanig bedrag als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 juni 2010, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3 [het kind] heeft bij brief van 17 augustus 2010 haar mening met betrekking tot het verzoek aan het hof kenbaar gemaakt.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5 Het hof heeft kennisgenomen van de stukken van de eerste aanleg.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 23 juni 1990 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 13 november 1996 heeft de rechtbank Zwolle echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 14 januari 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1993 [het kind], verder te noemen “[het kind]”, geboren, over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vastgesteld op ƒ 250,- (€ 113,45) per maand.

3.4 Bij beschikking van 5 februari 2001 heeft de rechtbank Zwolle de verzoeken van de vrouw tot wijziging van de bij beschikking van 13 november 1996 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] alsmede haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen. Voorts heeft de rechtbank in die beschikking het bij verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, gedane verzoek van de man tot nihilstelling van de onderhoudsbijdrage voor [het kind] afgewezen. De vrouw heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld, waarna de man bij verweerschrift een verzoek in het incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

3.5 Bij beschikking van 23 oktober 2001 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank Zwolle van 5 februari 2001 vernietigd en, opnieuw beschikkende:

- de bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 13 november 1996 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] gewijzigd en deze onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juni 2000 vastgesteld op ƒ 340,- (€ 154,29) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en

- bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juni 2000 tot 31 december 2000 ƒ 1.295,- (€ 587,65) per maand voldoet en met ingang van 1 januari 2001 ƒ 1.310,- (€ 594,45) per maand,

met compensatie van de proceskosten en onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

Ingevolge de wettelijke indexering belopen voormelde onderhoudsbijdragen met ingang van 1 januari 2009 respectievelijk € 195,78 per maand en € 730,20 per maand.

3.6 De man heeft op 1 juni 2009 voor het laatst voornoemde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw aan haar voldaan.

3.7 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 9 oktober 2009, heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man ook na 1 juli 2009 gehouden is bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud zoals deze tot 1 juli 2009 betaald werd, alsmede om de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind], ingaande 1 juli 2009, te verhogen tot € 950,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.8 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om verlenging van de termijn van de onderhoudsverplichting van de man jegens haar, met compensatie van de proceskosten en onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

Ten aanzien van de man

3.9 De man vormt met [A.] een gezin. Hij heeft naast [het kind] nog twee kinderen.

Ten aanzien van de vrouw

3.10 De vrouw vormt met [het kind] een gezin.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Op grond van deze bepaling eindigde de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege op 14 januari 2009. Ingevolge artikel 1:157 lid 5, eerste volzin, BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn stellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.

4.2 De man stelt dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek tot verlenging van de termijn van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, nu zij dit buiten de in artikel 1:157 lid 5 BW gestelde termijn heeft ingediend. De vrouw betwist dat.

4.3 Tussen partijen is in geschil wanneer de termijn van drie maanden begint te lopen. Niet weersproken is dat de man na de beëindiging van zijn wettelijke onderhoudsverplichting jegens de vrouw tot en met juni 2009 betalingen aan haar heeft gedaan. Uit de door de man opgestelde brief van 11 juli 2009 blijkt dat hij zich ervan bewust was dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw reeds met ingang van 14 januari 2009 was geëindigd. De man heeft gekozen om het tot 14 januari 2009 verschuldigde bedrag ook daarna tot en met de maand juni 2009 aan de vrouw te blijven voldoen. In het licht van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn beschikking van 21 mei 2010, LJN BL 9543, niet anders worden geconcludeerd dan dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen om de wettelijke alimentatietermijn zoals neergelegd in artikel 1:157 lid 4 BW met (in ieder geval) ruim vijf maanden te verlengen. Dit geldt temeer nu gesteld noch gebleken is dat de man aan de vrouw heeft meegedeeld dat aan zijn betalingen van na 14 januari 2009 een andere titel ten grondslag lag dan voortvloeiende uit de eerder vastgestelde onderhoudsverplichting. Het hof is van oordeel dat in een geval waarin de feitelijke beëindiging na ommekomst van de wettelijke alimentatietermijn, als bedoeld in artikel 1:157 lid 4 BW, berust op een (stilzwijgende) overeenkomst van partijen om de wettelijke alimentatietermijnen te verlengen tot het moment waarop de feitelijke beëindiging van de alimentatiebetaling plaatsvond, de termijn van drie maanden voor het indienen van een verzoek tot verlenging van de termijn aanvangt op het moment van de laatste betaling van de man, te weten 1 juni 2009, zodat de vrouw een eventueel verzoek tot verlenging van de termijn van de alimentatieplicht van de man uiterlijk op 1 september 2009 ter griffie van de rechtbank had moeten indienen. Het verzoek tot verlenging is door de vrouw op 9 oktober 2009, dus te laat ingediend. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar primaire verzoek om verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting. Weliswaar slaagt grief 1 van de vrouw maar dit leidt niet tot een andere beslissing.

4.4 Nu de vrouw in haar primair verzoek niet kan worden ontvangen dient het hof haar subsidiaire verzoek tot wijziging van de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te beoordelen.

4.5 Omdat de man onvoldoende heeft weersproken dat hij sinds het geven van de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht, meer is gaan verdienen en hij sinds 1 juli 2009 geen alimentatieverplichting meer heeft jegens de vrouw, is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van relevante wijzigingen van omstandigheden in de zin van het eerste lid van artikel 1:401 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.6 De vrouw stelt dat de behoefte van [het kind] aan een bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding € 950,- per maand bedraagt. De man betwist dat.

4.7 De vrouw stelt dat de behoefte van [het kind] hoger is dan destijds vastgesteld door de rechtbank en het hof. Ter onderbouwing van de behoefte van [het kind] heeft de vrouw bij haar beroepschrift een gedetailleerde behoeftelijst voor [het kind] overgelegd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [het kind] goed kan leren en waarschijnlijk hoogbegaafd is, zoals ook de man heeft gesteld ter zitting. Zo blijkt [het kind] ondermeer extra schoolprogramma’s te volgen en taalkampen te bezoeken. Dit brengt hoge extra kosten met zich mee, aldus de vrouw. De man heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof is er in ieder geval sprake van een hogere behoefte van [het kind] dan vastgesteld door dit hof in 2001.

4.8 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te betalen. De man heeft echter nagelaten voldoende inzicht te geven in zijn financiële situatie. Recente gegevens met betrekking tot zijn inkomsten en zijn lasten heeft hij niet overgelegd. Vaststaat wel dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie is weggevallen. Dit betekent, zoals de vrouw terecht aanvoert, dat de ruimte om kinderalimentatie te betalen is toegenomen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de man voldoende draagkracht heeft om een hogere bijdrage ten behoeve van [het kind] te betalen.

4.9 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en rekening houdend met het feit dat de man naast [het kind] nog twee kinderen heeft in wier onderhoud hij moet bijdragen, is het hof van oordeel dat de man in redelijkheid met ingang van 1 juli 2009 draagkracht heeft voor een bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 500,- per maand.

4.10 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De slotsom

Het hof dient de bestreden beschikking te vernietigen voor zover dit betreft de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind], en te beslissen als volgt.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 3 februari 2010, voor zover het betreft de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind], en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de bij beschikking van dit hof van 23 oktober 2001 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] en stelt deze bijdrage van de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2009 vast op € 500,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 3 februari 2010 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, A.E.F. Hillen en B.M. Mens, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 26 oktober 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.