Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO5054

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.073.455/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering uitkering om reden dat de man werkzaamheden zou hebben verricht tijden uitkeringsperiode. De man heeft bezwaarschrift ingediend waarop nog niet is beslist. Op basis van het rapport UWV toch onthouding schone lei, omdat aannemelijk is dat de man werkzaamheden heeft verricht tijdens uitkeringsperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 14 oktober 2010

Zaaknummer 200.073.455

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. E.H. de Vries, kantoorhoudende te Wolvega.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 2 september 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, de sedert 25 juni 2007 ten aanzien van [eiser] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van de vaststelling dat hij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (onthouding 'schone lei').

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 9 september 2010, heeft [eiser] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende hem weer toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 14 september 2010 met bijlagen van mr. De Vries, en een brief van 28 september 2010 met bijlagen van mevrouw J.A. Logtenberg namens de bewindvoerder Rechtshulp Noord Advocaten, strekkende tot bekrachtiging van het vonnis waartegen beroep.

Ter zitting van 6 oktober 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [eiser], bijgestaan door zijn advocaat, en mevrouw Logtenberg namens de bewindvoerder. Tijdens de zitting heeft mr. De Vries een brief van 1 september 2010 van het UWV overgelegd.

De beoordeling

Inleiding

1. De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [eiser] beëindigd met onthouding van de 'schone lei' op grond van haar oordeel dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de schuld van € 3.626,15 aan het UWV als bovenmatig dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van gronden om deze toerekenbare tekortkoming van [eiser] vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing te laten.

2. [eiser] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen.

Het oordeel

3. Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag of aan een schuldenaar de schone lei kan worden verleend is of deze in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend (artikel 354, eerste lid, van de Faillissementswet (hierna: Fw)). In geval van een toerekenbare tekortkoming, kan de rechter daarbij bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354, tweede lid, Fw).

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat volgens het UWV de uitkering van [eiser] te hoog is vastgesteld vanwege het hebben van verdiensten over de periode 1 mei 2008 tot en met 1 september 2009, waardoor het UWV bij brief van 2 juli 2010 een bedrag van € 3.626,15 terugvordert van [eiser]. Het UWV heeft daarnaast [eiser] een boete opgelegd van € 370,-- in verband met het niet voldoen aan de mededelingsverplichting. [eiser] heeft pas op 27 augustus 2010, de dag na de zitting in eerste aanleg, een bezwaarschrift ingediend tegen de terugvordering en de boete van het UWV. [eiser] is van mening dat het hem vanwege medische redenen niet is toe te rekenen dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Op verzoek van het UWV heeft [eiser] inmiddels schriftelijk aan het UWV de reden laten weten waarom hij het bezwaar te laat heeft ingediend. Het UWV heeft op dit moment nog niet op het bezwaar van [eiser] beslist. Basis van de terugvordering vormt een onderzoeksrapport van het UWV van januari 2010 waarin de onderzoekende rapporteur tot de conclusie komt dat [eiser] tijdens zijn WGA-uitkeringsperiode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten zonder hiervan melding te hebben gemaakt. Volgens het rapport heeft [eiser] op verschillende adressen zelf persoonlijk geld in ontvangst genomen ter voldoening van een factuur wegens hoveniers- en bestratingswerkzaamheden. [eiser] zelf ontkent echter dat hij ooit betalingen heeft ontvangen van deze door het UWV bedoelde opdrachtgevers.

5. Op grond van de conclusies van voormeld onderzoeksrapport is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] tijdens zijn uitkeringsperiode werkzaamheden heeft verricht, waarvoor hij persoonlijk geld heeft ontvangen en waarvan hij geen melding heeft gemaakt, noch aan het UWV noch aan de bewindvoerder. De bij het onderzoeksrapport gevoegde telefoonlijsten geven aan dat [eiser] veelvuldig (overdag) heeft gebeld met De Boomhut en Van der Heiden Milieu. Uit de frequentie van deze gevoerde telefoongesprekken over een lange periode, gevoerd met behulp van een op naam van zijn moeder geregistreerde telefoon, kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat [eiser] regelmatig contact had met deze ondernemers. De frequentie en duur van deze telefooncontacten zijn bezwaarlijk te rijmen met datgene wat van een uitkeringsgerechtigde mag worden verwacht. Uit het onderzoeksrapport van het UWV blijkt dat hij voor de geconstateerde werkzaamheden contant werd betaald. De door [eiser] overgelegde verklaringen van De Boomhut en C.J. Allroundspecialist weerleggen naar het oordeel van het hof de conclusies van het onderzoeksrapport van het UWV niet.

6. Aangezien [eiser] zelf verantwoordelijk is voor het verschaffen van alle informatie die van belang kan zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling, derhalve ook het verrichten van werkzaamheden al dan niet tegen een vergoeding, is het hof van oordeel dat het [eiser] kan worden toegerekend dat hij betaalde of op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht tijdens de uitkeringsperiode en hier geen melding van heeft gemaakt aan het UWV en de bewindvoerder.

7. Naar het oordeel van het hof heeft [eiser] onvoldoende gronden aangevoerd, die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de hierboven genoemde tekortkomingen, die het hof aan [eiser] toerekent, gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing moeten blijven. Hetgeen [eiser] heeft aangevoerd omtrent de werkzaamheden is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

8. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [eiser] in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling is tekortgeschoten en dat deze tekortkomingen aan hem kunnen worden toegerekend. Er is geen aanleiding te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan buiten beschouwing dienen te blijven. Een en ander brengt mee dat [eiser] de zogeheten 'schone lei' als bedoeld in artikel 358, eerste lid, Fw dient te worden onthouden.

Slotsom

9. Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Feunekes, M.E.L. Fikkers en J.P. Evenhuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 oktober 2010 in bijzijn van de griffier.