Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO5032

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.074.758
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weliswaar hebben verzoekers de schuldeisers benadeeld. maar onder de door hen geschetste omstadigheden is die benadeling in dit uizonderlijke geval niet van dien aard dat deze aan toelating tot schuldsanering in de weg behoort te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 11 november 2010

Zaaknummer 200.074.758

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest in de zaak van

1. [appellant],

hierna te noemen: [appellant],

2. [appellant],

hierna te noemen: [appellant],

echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt, kantoorhoudende te Emmeloord.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 28 september 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van [appellanten] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2010, hebben [appellanten] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen alsnog op hen van toepassing te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een fax van 2 november 2010, met bijlagen, van mr. Uijt de boogaardt.

Ter zitting van 3 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen is mr. Uijt de boogaardt. [appellanten] zijn niet tijdig ter zitting verschenen.

De beoordeling

De beslissing in eerste aanleg

1. De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] afgewezen op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van de Faillissementswet (hierna: Fw). Naar het oordeel van de rechtbank hebben [appellanten] in 2008 het belang van de familie in Irak boven de belangen van hun reeds bestaande schuldeisers in Nederland gesteld. Deze keuze mochten zij maken, maar daardoor zijn zij volgens de rechtbank niet te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan van al hun schulden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat zich een situatie als bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw voordoet.

2. [appellanten] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiertegen in hoger beroep gekomen.

Het oordeel

3. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaar om dit aannemelijk te maken.

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de schulden, met uitzondering van de schulden aan Achmea en het CJIB, zijn ontstaan doordat [appellanten] in 2008 vaste lasten onbetaald hebben gelaten om met het daardoor bespaarde geld een eind te maken aan een levensbedreigende situatie van de moeder van [appellant] in Irak. [appellanten] hebben dit gespaarde geld ter beschikking gesteld aan hun familie in Irak, die mede met dit bedrag de levensreddende niertransplantatie hebben kunnen betalen. Voorts is gebleken dat [appellanten] sinds november 2009 gebruik maken van budgetbeheer. Het minnelijk traject is op het laatste moment mislukt omdat er nieuwe schulden waren ontstaan aan Groene Land Achmea en aan het CJIB. In hoger beroep is vast komen te staan dat de schuld aan het CJIB inmiddels is afgelost.

5. Het hof is van oordeel dat [appellanten] weliswaar hun schuldeisers hebben benadeeld door geld aan te wenden voor de operatie van de moeder van [appellant] maar naar het oordeel van het hof is dit onder de door [appellanten] geschetste omstandigheden een keuze van [appellanten] die in dit uitzonderlijke geval niet van dien aard is dat deze aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg behoort te staan.

6. Ten aanzien van de schuld aan Groene Land Achmea is aannemelijk geworden dat deze is ontstaan door miscommunicatie als gevolg van de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal door [appellanten], terwijl ook de hulpverleners/begeleiders van [appellanten], waaronder het GKB niet hebben opgemerkt dat de meerderjarige kinderen ten onrechte nog op de polis van [appellanten] stonden en [appellanten] derhalve ook premies voor hen verschuldigd waren. Hoewel [appellanten] niet te goeder trouw zijn ten aanzien van schulden die zijn ontstaan door hun gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, is het hof van oordeel dat [appellanten] die voor het ontstaan van deze schulden bepalende omstandigheden onder controle hebben gekregen. Gebleken is dat een maatschappelijk werker [appellanten] heeft geholpen bij het afsluiten van een eigen ziektekostenverzekering voor de meerderjarige kinderen en bovendien nog steeds helpt bij de communicatie met derden. Daarnaast is gebleken dat [appellanten] vanaf het begin van het budgetbeheer de overige vaste lasten wel hebben betaald en, behalve de schuld aan Groene Land Achmea, geen nieuwe schulden hebben laten ontstaan.

7. Nu voor het overige niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aan toewijzing van het verzoek van [appellanten] in de weg staan, zal de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden uitgesproken.

Slotsom

8. Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

spreekt ten aanzien van [appellanten] voornoemd de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit;

verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, ter uitvoering van die regeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, voorzitter, B.J.H. Hofstee en J.P. Evenhuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 november 2010 in bijzijn van de griffier.