Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4986

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.056.553
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In verleden herhaalde malen getracht omgang tot stand te brengen, waarbij vader telkens na kortere of langere tijd liet afweten. Ook na de beschikking waarvan beroep heeft vader het laten afweten, zodat zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 16 november 2010

Zaaknummer 200.056.553

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Dam-de Haan, kantoorhoudende te Emmen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. I.M.G. Maste, thans geen advocaat.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 18 november 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [1998] in de gemeente [gemeente], vastgesteld, inhoudende dat de vader éénmaal per drie weken een zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur omgang zal hebben met de minderjarige, waarbij de moeder de minderjarige naar het station te Emmen (bij de loketten) brengt en de vader de minderjarige terugbrengt naar het station Emmen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de kosten van het vervoer van de moeder en het kind naar Emmen voor rekening van de moeder komen en de kosten van het vervoer van de vader naar Emmen voor rekening van de vader komen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 februari 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 18 november 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende het oorspronkelijk verzoek van de vader af te wijzen.

Van de vader is geen verweerschrift binnengekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.

Op 14 oktober 2010 is de minderjarige [het kind] gehoord door een raadsheer-commissaris.

Ter zitting van 14 oktober 2010 is de zaak behandeld. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Hoewel de vader behoorlijk is opgeroepen, is hij niet verschenen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is [het kind] geboren. Partijen hebben van rechtswege gezamenlijk het gezag over [het kind]. Zij heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.

2. Het huwelijk tussen partijen is op 6 september 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3. Partijen waren aanvankelijk een omgangsregeling tussen de vader en [het kind] overeengekomen.

4. Bij inleidend verzoekschrift heeft de vader verzocht een omgangsregeling tussen hem en [het kind] vast te stellen. Bij beschikking van 1 november 2006 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en de beslissing over de definitieve omgangsregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) opdracht gegeven om rapport en advies aan de rechtbank uit te brengen over de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de omgangsregeling tussen de vader en [het kind] en over het verloop van de voorlopige omgangsregeling.

5. De raad heeft bij brief van 21 december 2006 de rechtbank bericht dat er een bemiddelingsgesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden, waarin partijen afspraken hebben gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens, op verzoek van partijen, bij beschikking van 20 februari 2007 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en de beslissing voor de duur van een jaar aangehouden. Bij beschikking van 29 januari 2009 heeft de rechtbank opnieuw een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en de definitieve beslissing aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te proberen via het mediationtraject tot afspraken te komen.

6. Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen.

De overwegingen

7. In het algemeen is het in het belang van een kind te achten dat het omgang heeft met de niet-verzorgende ouder. Dienovereenkomstig heeft de wetgever in artikel 1:377a BW dan ook bepaald dat het kind en de niet-verzorgende ouder recht op omgang met elkaar hebben.

8. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt het volgende naar voren. Tijdens het huwelijk tussen de ouders was de vader bekend met verslavingsproblematiek. Volgens de moeder gedroeg hij zich vaak agressief jegens haar. Na de scheiding van partijen in 2002 was er aanvankelijk een omgangsregeling, maar van december 2005 tot maart 2006 liet de vader niets van zich horen. In het voorjaar van 2006 benaderde de vader de moeder via zijn nieuwe partner met de vraag het contact met [het kind] te herstellen, maar de moeder wees dit verzoek af. In juni 2006 heeft de vader [het kind] op het schoolplein opgezocht. Vervolgens heeft hij een verzoek ingediend om een omgangsregeling tussen hem en [het kind] vast te stellen. Ter zitting van de rechtbank van 26 september 2006 hebben partijen een voorlopige omgangsregeling afgesproken in afwachting van het door de raad te verrichten onderzoek. Bij beschikking van 20 februari 2007 is deze voorlopige omgangsregeling uitgebreid. Die ruimere omgangsregeling tussen [het kind] en de vader is tot de zomer van 2008 goed verlopen. In juli 2008 heeft [het kind] een week bij de vader doorgebracht. Gebleken is dat dit omgangsmoment niet goed is verlopen. Uiteindelijk heeft de moeder - anders dan was afgesproken - [het kind] zelf bij de vader opgehaald. Sindsdien heeft er geen omgang meer plaatsgevonden. Op 5 oktober 2008 - de verjaardag van [het kind] - heeft de vader voor het laatst telefonisch contact met [het kind] gehad. De moeder heeft gesteld dat er sindsdien geen contact meer is geweest tussen [het kind] en de vader. Volgens haar heeft de vader geen pogingen gedaan de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling op gang te brengen.

9. Uit het voorgaande leidt het hof af dat in het verleden herhaalde malen is getracht om omgang tussen de vader en [het kind] tot stand te brengen. Hoewel iedere keer gedurende een kortere of langere periode uitvoering is gegeven aan de omgangsregelingen, is het steeds aan de vader te wijten geweest dat de omgangsregelingen uiteindelijk niet meer werden nagekomen doordat hij geen contact meer opnam met de moeder of [het kind]. Ook na de vaststelling van een omgangsregeling door de rechtbank in de onderhavige procedure heeft de vader geen contact met hen opgenomen teneinde de vastgestelde omgangsregeling ten uitvoer te leggen.

10. Gebleken is dat [het kind] haar vader mist en graag contact met hem wil. Zij weet echter niet waar zij aan toe is, nu de vader het meerdere malen heeft laten afweten wat betreft de nakoming van de omgangsregeling. [het kind] is wat betreft de omgang overgeleverd aan de grillen van de vader. Ook tijdens de omgangsmomenten die wel hebben plaatsgevonden, heeft [het kind] het gevoel gehad dat de vader niet echt in haar geïnteresseerd was. Vast staat dat [het kind] het moeilijk heeft met dit gedrag van de vader ten opzichte van haar. Deze houding van de vader jegens [het kind] is dan ook schadelijk voor haar ontwikkeling.

11. Gelet op het voorgaande en gezien de omstandigheid dat de vader geen verweerschrift heeft ingediend en niet aanwezig was bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, heeft hij er geen, althans onvoldoende, blijk van gegeven de omgang met [het kind] te willen hervatten op een serieuze wijze die recht doet aan het gevoel van zijn dochter. Het hof is daarom van oordeel dat het op dit moment en onder de huidige omstandigheden in strijd is met het belang van [het kind] om een omgangsregeling tussen haar en de vader vast te stellen. Het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [het kind] dient derhalve thans te worden afgewezen.

Slotsom

12. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst het inleidend verzoek van de vader af.

Deze beschikking is gewezen door mrs. A.H. Garos, M.P. den Hollander en

K.R. Kuiken en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2010 in bijzijn van de griffier.