Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4913

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
24-003328-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de ten laste gelegde mishandeling bewezen, maar verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij uit noodweer heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003328-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-603106-09

Arrest van 17 november 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 06 april 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans éénmaal, (met kracht) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 6 april 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Mishandeling.

Strafbaarheid

Door en namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot verwerping van dit beroep nu geen sprake was van verdediging maar van het uitdelen van een 'corrigerende tik'. Indien het optreden van de verdachte wel als verdediging zou kunnen gelden was deze disproportioneel, aldus de advocaat-generaal.

Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Het hof gaat uit van de volgende feitelijke omstandigheden van het geval.

Verdachte, een toentertijd 50-jarige man, was op 6 april 2009 als vrijwilliger aanwezig op het terrein van de voetbalvereniging. Hij gaf op dat moment samen met [naam] voetbaltraining aan een team van jongens van 14/15 jaar oud. Zij gebruikten daarbij een deel van een voetbalveld. Op datzelfde veld was aangever [slachtoffer], op dat moment 16 jaar oud, met een aantal vrienden op eigen gelegenheid, niet in het kader van een reguliere training, een balletje aan het trappen. Tijdens de door de verdachte verzorgde training ontstonden spanningen tussen een pupil van de verdachte genaamd [pupil 1] en [slachtoffer]. Dit mondde uit in een woordenwisseling die op dat moment overigens aan de verdachte voorbij ging. Na afloop van de training werd [pupil 1] die met het team op weg was naar de kleedkamer opgewacht door [slachtoffer] en zijn vrienden. [slachtoffer] pakte de kleinere [pupil 1] stevig vast bij zijn armen en duwde hem. De verdachte heeft [slachtoffer] meermalen gesommeerd [pupil 1] los te laten, aan welke sommaties [slachtoffer] aanvankelijk niet voldeed. De verdachte heeft daarop [slachtoffer] bij zijn arm gepakt en aldus [pupil 1] kunnen ontzetten. Daarop richtte de agressie van [slachtoffer] zich tegen een andere pupil van de verdachte, [pupil 2], die eveneens [pupil 1] -verbaal- te hulp was gekomen. [slachtoffer] begon die [pupil 2] namelijk te duwen. Andermaal kwam de verdachte tussenbeiden door [slachtoffer] te sommeren [pupil 2] met rust te laten en weg te gaan. Daarop keerde [slachtoffer] zich tegen de verdachte en kwam met gebalde vuisten op hem af. De verdachte heeft [slachtoffer] toen twee vuistslagen tegen diens gezicht gegeven. [slachtoffer] maakte daarover vervolgens schampere opmerkingen tegenover zijn aanwezige vrienden in de trant van "hij slaat niet eens hard". De medische verklaring houdt in: drukpijnlijke plek ter hoogte van het rechter jukbeen, passend bij kneuzing. Nadat hij door de verdachte was geslagen liet [slachtoffer] de verdachte en het team verder met rust waarna deze hun route naar de kleedkamer konden vervolgen.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de verdachte aan [slachtoffer] toegebrachte slagen wel kunnen gelden als verdedigend van aard. [slachtoffer] was immers reeds tweemaal daadwerkelijk fysiek geworden tegen pupillen van de verdachte en dreigde dat nu ook te worden jegens de verdachte. Dat de slagen mede een corrigerend effect kunnen hebben gehad op [slachtoffer] mag worden verondersteld en wellicht ook gehoopt, maar dit doet aan het verdedigend karakter ervan niet af.

Bij de waardering van het optreden van de verdachte wordt tevens in aanmerking genomen dat de verdachte als trainer, juist op het terrein van de voetbalvereniging, een zekere verantwoordelijkheid droeg voor de veiligheid van zijn relatief jonge pupillen. Het paste niet bij die verantwoordelijkheid om, na [slachtoffer] herhaald te hebben gewaarschuwd, niet op te treden, met alle risico's op letsel en escalatie van dien.

Evenzeer anders dan de advocaat-generaal acht het hof het toedienen van deze twee vuistslagen onder de gegeven omstandigheden niet disproportioneel. De stelling van de verdachte dat hij niet hard heeft geslagen vindt bevestiging in zowel de reeds gememoreerde medische verklaring als in de aangehaalde uitlatingen van [slachtoffer] op het voetbalveld. Het toedienen van deze niet-harde slagen aan [slachtoffer] die de fysieke integriteit van twee van verdachtes pupillen reeds had aangetast en die nu, naar de verdachte redelijkerwijs mocht aannemen, op het punt stond de verdachte met gebalde vuisten te lijf te gaan, acht het hof niet disproportioneel.

Het verweer terzake noodweer treft doel, zodat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier.