Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4800

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
000166-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering ex artikel 14g Sr. Huisrecht art. 12 Gw en art. 8 EVRM.

Grond voor de vordering en de beëindiging van het toezicht is de weigering van de veroordeelde de nieuwe toezichtsovereenkomst, met daarin opgenomen onaangekondigd huisbezoek, te tekenen. Bij een huisbezoek van de zijde van de reclassering - hoezeer ook uit reclasseringsoogpunt gewenst - is het huisrecht van de veroordeelde in het geding. In de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde is niet begrepen dat veroordeelde moet instemmen met (onaangekondigd) huisbezoek. Voor een bijzondere voorwaarde met een dergelijke inhoud biedt (artikel 14c van) het Wetboek van Strafrecht ook geen grondslag. Ook anderszins bestaat geen wettelijke grondslag voor de reclassering om zonder instemming van de veroordeelde een huisbezoek bij een veroordeelde te doen. Het afdwingen van de (daarmee noodzakelijke) instemming met een huisbezoek verdraagt zich niet hiermee. Dat betekent dat van een veroordeelde niet mag worden gevergd dat hij instemt met het huisbezoek. Dat de veroordeelde, in het verlengde van hetgeen de advocaat-generaal heeft betoogd, de gegeven instemming ten spijt, de reclasseringsmedewerker bij het daadwerkelijke huisbezoek nog de toegang tot zijn woning kan weigeren doet daaraan niet af. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raadkamernummer 24-000166-10

Parketnummer: 24-002717-06

Arrest van 17 november 2010 van het gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op de vordering ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht van de advocaat-generaal bij het ressortsparket te Leeuwarden van 4 maart 2010, in de strafzaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. Ph.J.N. Aernoudse, advocaat te Deventer.

Voorts is verschenen als deskundige de heer A. Uyterlinde, beleidsmedewerker van de Stichting Verslavingsreclassering GGZ te Utrecht.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal vordert dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, ten aanzien waarvan bij arrest van dit hof van 15 september 2008 bevel is gegeven, dat deze voorwaardelijk niet zal worden ten uitvoer gelegd, indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van twee jaren zich niet aan een strafbaar feit schuldig maakt en de volgende bijzondere voorwaarde zal naleven:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling.

Het onderzoek ter terechtzitting

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter openbare terechtzittingen van het hof van 25 juni 2010 en van 3 november 2010.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de veroordeelde, de advocaat van de veroordeelde en de deskundige.

Naar aanleiding van het tussenarrest van 7 juli 2010 zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd: de niet door de veroordeelde ondertekende nieuwe Toezichtovereenkomst van GGZ Tactus te Zwolle, een afschrift van een door de veroordeelde op 6 april 2010 in het kader van een andere toezichtsopdracht ondertekend exemplaar van de "Standaard gedragsregels toezicht", de brochure "Advies en Toezicht, informatie voor opdrachtgevers van de reclassering", en een brief d.d. 3 december 2009 van de minister en de staatsecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer betreffende de invoering van het nieuwe reclasseringstoezicht.

De advocaat-generaal heeft zijn vordering ter terechtzitting gewijzigd, in die zin, dat thans gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van een maand wordt gevorderd.

Gronden waarop de beslissing van het hof berust

Blijkens het advies tenuitvoerlegging d.d. 10 februari 2010 heeft Tactus Verslavingszorg het toezicht beëindigd omdat de veroordeelde de standaardregels van de nieuwe toezichtsovereenkomst van de reclassering niet heeft willen tekenen. In januari 2010 is een nieuwe vorm van uitvoering van een verplicht reclasseringscontact ingevoerd.

Uit het advies blijkt dat het toezicht is aangevangen op 30 september 2008 en dat de veroordeelde de afspraken binnen het bestaande reclasseringstoezicht redelijk is nagekomen. De veroordeelde heeft een langdurige verslavingsgeschiedenis en heeft de status van veelpleger. Hij gebruikt geen harddrugs meer en ontvangt trouw wekelijks een onderhoudsdosis methadon. De veroordeelde leek op verschillende leefgebieden op de goede weg te zijn. Hij woont zelfstandig en heeft een arbeidsactiveringstraject doorlopen.

De nieuwe toezichtsovereenkomst zoals deze aan de veroordeelde is voorgelegd vermeldt in de rubriek "Huisbezoek" dat dit eens in de acht weken onaangekondigd zou plaatsvinden.

Ter zitting heeft de veroordeelde verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen huisbezoek als onderdeel van het toezicht. De verplichting om mee te werken aan het onaangekondigde huisbezoek beschouwt hij echter als een grove inbreuk op zijn privacy, terwijl het niet mogelijk was om over die voorwaarde te onderhandelen. Bij niet-ondertekening zou het toezicht worden teruggestuurd.

De deskundige heeft ter zitting verklaard dat met het nieuwe reclasseringstoezicht standaardisering wordt beoogd. Er wordt gewerkt met drie toezichtsniveaus, terwijl binnen elk niveau sprake is van standaardregels. Op niveau 2 is huisbezoek standaard. Dat wordt niet bepaald op basis van een individuele beoordeling. Over het toezichtsniveau kan ook niet worden onderhandeld. Huisbezoek kan zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Dat wordt door de reclassering bepaald en in de overeenkomst opgenomen. Voor de toepassing van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht wordt binnen de reclassering gebruik gemaakt van een handleiding. Daarin is opgenomen dat een berisping volgt wanneer een veroordeelde de reclasseringsmedewerker niet binnen laat. Bij een tweede weigering wordt contact opgenomen met het openbaar ministerie.

Er is op beleidsniveau wel bij stil gestaan dat het verplicht onaangekondigd huisbezoek een vrijheidsbeperking kan inhouden. De maatstaf is echter dat datgene moet worden gedaan dat nodig wordt geacht in het kader van het toezicht. Het begrip "aanwijzing" biedt volgens de juristen van de reclassering ruimte voor verplicht onaangekondigd huisbezoek.

De advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het kader van de nieuwe toezichtsovereenkomst geen sprake is van binnentreden tegen de wil van de bewoner. Huisbezoek is onderdeel van niveau 2 van het toezicht. Alleen indien de reclasseringsmedewerker de veroordeelde zou dwingen om hem binnen te laten zou er sprake zijn van een inbreuk op het huisrecht. Daarvan is geen sprake. Er volgt enkel een berisping.

De advocaat van de veroordeelde heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat een wijziging in het bestaande contract met de veroordeelde is aangebracht. Die wijziging hield een verzwaring in en werd bij wijze van eenzijdig dictaat aan de veroordeelde opgelegd. Het verplicht onaangekondigd huisbezoek vormt een inbreuk op het privéleven van de veroordeelde en is daarom in strijd met artikel 8 Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof stelt vast dat het verloop van het bestaande, op 30 september 2008 aangevangen toezicht in het kader van de onderhavige voorwaarde niet de grond is waarop de beslissing tot beëindiging van het toezicht berust. Aanleiding daarvoor vormde de nieuwe, meer geïniformeerde wijze van uitoefening van toezicht door de reclassering. Voor veroordeelde betekende dit dat hij een toezichtsovereenkomst moest ondertekenen, waarin is opgenomen dat hij instemt met periodiek (onaangekondigd) huisbezoek.

Bij een huisbezoek van de zijde van de reclassering - hoezeer ook uit reclasseringsoogpunt gewenst - is het huisrecht van de veroordeelde in het geding. Zowel de Grondwet (artikel 12) als het EVRM (artikel 8) kennen bepalingen ter bescherming van het huisrecht. Indien een veroordeelde instemt met een huisbezoek is van een inbreuk op het huisrecht geen sprake. Dat is anders indien een veroordeelde daarmee niet instemt. Eén van de voorwaarden voor een inbreuk op het huisrecht is dat daartoe een deugdelijke bij of krachtens de wet voorziene grondslag bestaat.

Het hof stelt voorop dat onder de door het hof bij arrest van 15 september 2008 opgelegde bijzondere voorwaarde niet is begrepen dat veroordeelde moet instemmen met (onaangekondigd) huisbezoek. Voor een bijzondere voorwaarde met een dergelijke inhoud biedt (artikel 14c van) het Wetboek van Strafrecht ook geen grondslag. Ook anderszins bestaat geen wettelijke grondslag voor de reclassering om zonder instemming van de veroordeelde een huisbezoek bij een veroordeelde te doen.

Het afdwingen van de (daarmee noodzakelijke) instemming met een huisbezoek verdraagt zich niet hiermee. Dat betekent dat van een veroordeelde niet mag worden gevergd dat hij instemt met het huisbezoek. Dat de veroordeelde, in het verlengde van hetgeen de advocaat-generaal heeft betoogd, de gegeven instemming ten spijt, de reclasseringsmedewerker bij het daadwerkelijke huisbezoek nog de toegang tot zijn woning kan weigeren doet daaraan niet af.

Het voorgaande brengt mee dat het hof als volgt zal beslissen.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE op de vordering van 4 maart 2010 van de advocaat-generaal:

wijst de vordering af.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter en mrs. J.J. Beswerda en W.M. van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zomer als griffier.