Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4534

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
200.041.961/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huwelijksgoederengemenschap gevolgd door het faillissement van de man. De door de vrouw aangevoerde omstandigheden brengen niet met zich mee dat de in de grieven genoemde gemeenschapsschulden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ook mede ten laste van de vrouw dienen te worden gebracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Burgerlijk Wetboek Boek 1 102
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 172
Burgerlijk Wetboek Boek 3 189
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 november 2010

Zaaknummer 200.041.961/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. H.A. van der Kleij, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

mr. Edo Nijdam, handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [geïntimeerde], hierna te noemen: [geïntimeerde]

kantoorhoudende te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. A. Eising, kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 25 maart 2009 en 3 juni 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 27 augustus 2009 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 3 juni 2009 met dagvaarding van de curator tegen de zitting van 8 september 2009.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"I het tussen partijen op 3 juni 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector civiel recht, locatie Zwolle onder zaak/rolnummer 153108/HA ZA 09-64 gewezen vonnis, waarvan appel, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende

II de geïntimeerde in de vorderingen die hij in eerste aanleg instelde niet-ontvankelijk verklaren dan wel de geïntimeerde deze vorderingen te ontzeggen;

III de scheiding en deling met inachtneming van het vorengaande vast te stellen."

Bij memorie van antwoord is door de curator verweer gevoerd met als conclusie:

"Bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van [appellante] tegen het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 3 juni 2009 te verwerpen en dit vonnis zo nodig onder verbetering van de gronden waarop het is gewezen te bekrachtigen."

Voorts heeft [appellante] een akte genomen en heeft de curator een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3 van genoemd vonnis van 3 juni 2009 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, aangevuld met enkele door het hof hieronder zelf vastgestelde feiten.

2. Voor zover dat voor de beoordeling van dit geschil van belang is staat het volgende vast:

2.1. [geïntimeerde] en [appellante] zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen.

2.2. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 november 2003 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Raalte op 6 september 2004.

2.3. [geïntimeerde] en [appellante] woonden sinds 10 februari 2003 gescheiden.

2.4. Bij arrest van 3 februari 2004 heeft het Gerechtshof Arnhem [geïntimeerde] veroordeeld tot afgifte aan [naam] van alle stukken die hij heeft ontvangen, althans in zijn bezit heeft in het kader van de tussen hen bestaan hebbende overeenkomst van opdracht tot het verzorgen van de boekhouding en tot het doen van aangifte betreffende de door [naam] uitgeoefende handelsonderneming in gereedschappen en machines, alsmede tot het doen van de privé-aangiften van [naam] vanaf 1992, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat hij niet aan die veroordeling zou voldoen, tot een maximum van € 30.000,00.

2.5. [geïntimeerde] heeft het maximum aan dwangsommen groot € 30.000,00 verbeurd aan [naam]

2.6. Op 12 oktober 2005 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad het faillissement van [geïntimeerde] uitgesproken.

2.7. De echtelijke woning is in mei 2006 verkocht. De verkoopopbrengst van deze woning, na aftrek van de schulden aan de bank, was € 116.617,87. Daarvan is een bedrag groot € 20.000,00 als voorschot uitbetaald aan de curator. Het resterende bedrag groot € 96.617,87 is in depot bij de notaris gekomen.

2.8. De curator heeft op 30 december 2008 [appellante] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en in die procedure verdeling van de tussen [geïntimeerde] en [appellante] bestaande ontbonden algehele huwelijksgoederengemeenschap gevorderd.

2.9. Partijen hebben ter comparitie van 27 mei 2009 ten aanzien van diverse geschilpunten in der minne overeenstemming bereikt over de wijze waarop de te verdelen vermogensbestanddelen dienen te worden gewaardeerd, toegedeeld en verrekend, zoals weergegeven in het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

2.10. De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft vervolgens bij voormeld vonnis van 3 juni 2009 over de resterende geschilpunten beslist.

De grieven

3. In grief 1 klaagt [appellante] erover dat de rechtbank een eindvonnis heeft gewezen zonder partijen in de gelegenheid te stellen om te repliceren en te dupliceren. In de door [appellante] genomen akte heeft zij deze grief aldus toegelicht dat zij ter comparitie niet voldoende adequaat op de namens de curator overgelegde, niet uitgesproken pleitaantekeningen en de ter comparitie overgelegde producties heeft kunnen reageren, en dat zij om die reden op grond van artikel 132 lid 2 Rv in de gelegenheid had behoren te worden gesteld bij conclusie daarop te reageren. Daardoor zijn het recht op hoor en wederhoor en het belang van een goede instructie van de zaak geschonden, aldus [appellante].

4. Voor wat betreft de overgelegde pleitaantekeningen overweegt het hof dat voor zover het aantekeningen betreft aangaande punten, waarover partijen reeds overeenstemming hebben bereikt, de vrouw geen belang heeft bij de grief, omdat zij de betreffende overeenkomst niet ter discussie stelt. Voor zover het gaat om punten die in hoger beroep nog wel spelen, oordeelt het hof dat [appellante] in zoverre geen belang heeft bij de grief, omdat het hof in het kader van de grieven van [appellante], waarin zij ook heeft kunnen ingaan op de betreffende aantekeningen, alsnog op het betreffende commentaar zal ingaan.

5. Ten aanzien van de door [appellante] gestelde schending van haar recht op een tweede schriftelijke ronde wijst het hof erop dat, voor zover [appellante] mede bedoelt hierover te klagen omdat zij al voor de comparitie van partijen te kennen had gegeven deze ronde te wensen, dit in beginsel aan de rechtbank is overgelaten. Overigens heeft [appellante] geen belang bij haar grief, omdat het hof in het kader van de grieven van [appellante], waarin zij heeft kunnen aanvoeren wat zij in de gewenste conclusie had willen doen, alsnog op het aldus aangevoerde zal ingaan.

6. Grief 1 wordt verworpen.

7. De grieven 2, 3 en 4 richten zich tegen de beslissing van de rechtbank dat partijen over en weer in gelijke mate dienen bij te dragen in de in deze grieven genoemde schulden.

8. Grief 2 ziet op de schuld, die is ontstaan doordat [geïntimeerde] een bedrag groot € 30.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd aan [naam], alsmede op de kosten van rechtsbijstand groot € 2.094,81 in verband met de tegen [naam] gevoerde procedure.

9. [appellante] heeft onvoldoende gesteld dat geen sprake is van gemeenschapsschulden zijn, noch is dit gebleken, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat.

10. Op grond van artikel 1:94 lid 2 BW draagt ieder van de echtgenoten de helft van de gemeenschapsschulden, tenzij anders is overeengekomen of uit de redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voortvloeit (HR 25 juni 1993, NJ 1994, 31).

11. [appellante] heeft omstandigheden aangevoerd die naar haar mening ertoe leiden dat [geïntimeerde] deze schulden geheel dient te dragen.

12. Het hof oordeelt dat de onder 3.5 van het vonnis van 3 juni 2009 genoemde omstandigheden, te weten dat het verbeuren van dwangsommen in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt, dat [geïntimeerde] blijkbaar vanwege financiële problemen heeft afgezien van rechtsbijstand en dat [geïntimeerde] gemakshalve (achteraf bezien: ten onrechte) ervan is uitgegaan dat de appelprocedure ook zonder rechtsbijstand wederom in zijn voordeel zou eindigen, tezamen genomen met de overige nog door [appellante] aangevoerde omstandigheden, namelijk dat [geïntimeerde] zijn opdracht jegens [naam] niet als een redelijk en bekwaam handelend boekhouder heeft uitgevoerd en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die de financiële gevolgen van deze onzorgvuldige, incorrecte beroepsuitoefening opvangt, ontbreekt, niet met zich brengen dat deze schulden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ook mede ten laste van [appellante] dienen te worden gebracht.

13. De stelling van [appellante], dat het resultaat van de uitwinning door de schuldeisers, waaronder in elk geval de beslagleggers [naam], zal zijn dat [appellante] deze schulden volledig zal hebben te dragen, wil het in depot staande bedrag tot uitbetaling komen, gaat uit van een onjuiste gedachtegang. Kern van het geschil is of er aanleiding bestaat op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de op grond van artikel 1:94 lid 2 BW geldende draagplicht bij helfte. Dit is een interne aangelegenheid. De (externe) aansprakelijkheid is geregeld in artikel 1:102 BW. Nu het gaat om een schuld waarvoor [geïntimeerde] voor de ontbinding van de gemeenschap aansprakelijk was, is [appellante] sinds de ontbinding van de gemeenschap ten opzichte van [naam] voor de helft van die schuld aansprakelijk.

14. Grief 2 faalt.

15. De grieven 3 en 4 zien op schulden, welke zijn ontstaan na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap op 6 september 2004.

16. Op grond van artikel 3:189 lid 2 BW in samenhang met 3:172 BW dienen [geïntimeerde] en [appellante], tenzij een regeling anders bepaalt, naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijk goed bij te dragen in uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

17. Niet in geschil is dat de in grief 3 genoemde schuld aan de curator € 2.148,29 bedraagt en dat deze ziet op de vergoeding van de werkzaamheden van de curator in het kader van de verkoop en levering van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende echtelijke woning.

18. De curator stelt dat hij zich heeft ingespannen ten behoeve van de verkoop van de woning. De kosten van de verkoop van de woning dienen partijen volgens hem gezamenlijk te dragen.

19. [appellante] heeft daartegen ingebracht dat deze kosten louter verband houden met het faillissement van [geïntimeerde] en dat zij geen opdrachtgever was van de curator, noch op een andere wijze bij de betreffende activiteiten van de curator betrokken. Volgens [appellante] had iedere partij zijn of haar eigen kosten.

20. Het hof oordeelt dat de curator uit hoofde van zijn functie uitsluitend de belangen van de failliete boedel behartigde. Daarom zijn de kosten van de curator geen kosten die ten laste van de gemeenschap komen.

21. Grief 3 treft daarmee doel.

22. Grief 4 richt zich op de nota van Pekkeriet v.o.f. van 31 mei 2006 groot € 1.331,02 in verband met de verwijdering van inboedelzaken uit de voormalige echtelijke woning.

23. [appellante] heeft gesteld dat de inboedelzaken ten tijde van de verwijdering eigendom waren van [geïntimeerde], zodat de kosten voor het opruimen van die zaken haar niet regarderen. Zij stelt dat deze inboedelzaken begin mei 2006 feitelijk waren toegedeeld aan en in bezit genomen door [geïntimeerde].

24. De curator heeft in appel daartegen ingebracht dat na de verdeling zaken overbleven die [appellante] noch [geïntimeerde] wilde hebben. Volgens hem betekent de omstandigheid dat [appellante] slechts enkele zaken wilde hebben, niet dat de overige zaken daarmee automatisch eigendom zijn geworden van [geïntimeerde].

25. Het hof overweegt dat deze stelling van de curator zich niet verdraagt met zijn stelling onder 4.2 in de dagvaarding in eerste aanleg dat [appellante] afstand heeft gedaan van de roerende zaken en dat het [geïntimeerde] vrij stond om deze, in verband met de verkoop van de woning, uit de woning te laten verwijderen, en bij het afval te deponeren. Dat de curator deze stelling aldaar heeft geponeerd in het kader van de vraag naar de onderbedeling van [appellante] ter zake van de verdeling van de roerende zaken doet aan deze stelling niet af. De curator heeft niet onderbouwd waarom in appel een ander standpunt wordt ingenomen.

26. Het hof gaat ervan uit, dat de in de woning achtergebleven inboedelzaken, die door Pekkeriet zijn verwijderd, toebehoorden aan [geïntimeerde], en dat de met verwijdering van zaken gepaard gaande kosten voor rekening dienen te komen van [geïntimeerde].

27. Grief 4 slaagt.

28. In grief 5 voert [appellante] aan dat partijen over en weer in gelijke mate dienen bij te dragen aan de betaling van een schuld bij de gemeente Dalfsen uit hoofde van bijstandsverlening aan haar, welke per 6 september 2004 € 12.303,92 bedroeg.

29. Niet in geschil is dat de lening voor inrichtingskosten groot € 1.102,00, die onderdeel uitmaakt van voormeld bedrag van € 12.303,92, een gemeenschapsschuld is, waarin [geïntimeerde] en [appellante] in gelijke mate dienen bij te dragen. Het hof zal daarvan uitgaan.

30. [appellante] heeft gesteld dat vast staat dat zij uit de boedelverdeling meer dan het vrijgelaten bedrag van € 5.065,00 zal ontvangen, zodat de verleende bijstand groot € 11.201,92 aan de gemeente Dalfsen zal moeten worden terugbetaald. Dit is door de curator niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof ervan gaat dat dit bedrag werkelijk aan de gemeente Dalfsen dient te worden terugbetaald.

31. Deze bijstandschuld maakt onderdeel uit van de tussen partijen bestaan hebbende algehele gemeenschap van goederen (HR 27 mei 1983, NJ 1984, 146), en dient gezamenlijk door [geïntimeerde] en [appellante] te worden gedragen. Dat [geïntimeerde] niet voldoende draagkracht had om bij te dragen in het levensonderhoud van [appellante] maakt niet dat de - mede in verband daarmee - door de gemeente Dalfsen aan [appellante] verleende bijstand, niet ook voor de helft dient te worden gedragen door [geïntimeerde].

32. Het hof oordeelt dat deze schuld, anders dan de curator heeft betoogd, dient te worden betrokken bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

33. Grief 5 slaagt.

34. De grieven 6 en 7 richten zich op de wijze waarop het bedrag dat in depot is bij de notaris, en de rente daarover, tussen [geïntimeerde] en [appellante] dient te worden verdeeld.

35. Het hof constateert dat partijen het er op zich over eens zijn dat aan [geïntimeerde] en [appellante] uit het depot toekomen de bedragen die op grond van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap nog aan hem of haar toekomen.

36. De door [appellante] in haar toelichting op grief 6 berekende percentages kunnen daarbij niet zonder meer worden gevolgd, nu niet is gesteld of gebleken dat deze ook zijn berekend overeenkomstig hetgeen het hof over de punten die partijen nog verdeeld hield, heeft beslist.

37. Grief 6 faalt derhalve in zoverre.

38. De tot en met 27 mei 2009 gegenereerde rente over het bedrag in depot dient op grond van artikel 3:172 BW te worden verdeeld naar rato van het aandeel van [geïntimeerde] en dat van [appellante] in de in het depot gestorte nettoverkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat reeds een voorschot is gedaan aan de curator.

39. Aangezien ter comparitie van 27 mei 2009 afspraken zijn gemaakt strekkende tot het grotendeels verdelen van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap acht het hof het billijk dat de na 27 mei 2009 over het depotbedrag gegenereerde rente wordt verdeeld naar rato van het bedrag dat op grond van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aan ieder van partijen uit dit depot zal toekomen.

40. Grief 7 treft in zoverre doel.

Slotsom

41. Het vonnis van 3 juni 2009 zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof in aanvulling op hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van 27 mei 2009 bepalen dat de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient plaats te vinden, met inachtneming van hetgeen in het vorenstaande is beslist.

42. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn en de onderhavige procedure daaruit voortvloeit, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding in beide instanties te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 3 juni 2009, waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt - in aanvulling op hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van 27 mei 2009 - dat de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient plaats te vinden met inachtneming van het navolgende:

A. voor rekening van partijen, ieder voor de helft, komen

- de schuld groot € 30.000,00 wegens aan [naam] verbeurde dwangsommen,

- de kosten van rechtsbijstand groot € 2.094,81 in verband met de tegen

[naam] gevoerde procedure,

- de schuld groot € 12.303,92 bij de gemeente Dalfsen uit hoofde van bijstandsverlening aan [appellante],

B. voor rekening van [geïntimeerde] komen:

- de kosten van de curator groot € 2.148,29 gemaakt in het kader van de verkoop en levering van de gemeenschappelijke woning,

- de nota van Pekkeriet v.o.f. van 31 mei 2006 groot € 1.331,02 in verband met de verwijdering van inboedelzaken uit deze woning,

C. aan [geïntimeerde] en [appellante] komen toe de bedragen die op grond van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap nog aan hem of haar toekomen,

D. de over het depot gegenereerde rente komt als volgt aan partijen toe:

a. tot 27 mei 2009 ieder voor de helft,

b. vanaf 27 mei 2009 naar rato van het bedrag dat op grond van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aan ieder van partijen uit het depot zal toekomen,

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt, zowel van het geding in eerste aanleg als in hoger beroep;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. R.Ch. Verschuur, W. Breemhaar en B.J.H. Hofstee

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 november 2010 in bijzijn van de griffier.