Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4478

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
10-00035
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting

Verzekeringsuitkering wegens letselschade aan lid vrijwillige brandweer is genoten krachtens een publiekrechtelijke dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2011/2.11
V-N 2011/8.15 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00035

uitspraakdatum: 2 november 2010

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 december 2009, nummer AWB 09/689,

in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna:de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verzekeringsmaatschappij A heeft over het tijdvak

oktober 2008 op een uitkering aan belanghebbende uit hoofde van een ongevallenverzekering van in totaal € 271.299,48 een bedrag van € 139.176,63 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en afgedragen.

1.2 De Inspecteur heeft bij uitspraak van 13 januari 2009 het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 december 2009 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en B, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede C namens de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende dreef in 1997 voor zijn rekening een reclameschilderbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Hij was voorts sinds 1972 krachtens een ambtelijke aanstelling werkzaam bij de vrijwillige brandweer van de gemeente D (thans gemeente E; hierna: gemeente D of gemeente). Voor zijn werkzaamheden ontving hij een zogenoemde “uitrukvergoeding”.

2.2 De gemeente D heeft voor de leden van de vrijwillige brandweer met ingang van 7 april 1993 een collectieve ongevallenverzekering afgesloten. De premies voor die verzekering zijn steeds door de gemeente voldaan.

2.3 Volgens het polisblad met bijbehorend clausuleblad van 15 maart 1996 betreffende die ongevallenverzekering zijn onder meer de navolgende bedragen verzekerd:

- bij blijvende arbeidsongeschiktheid: een kapitaal van ƒ 275.000 en een jaarlijkse rente van ƒ 38.500 voor zelfstandigen dan wel van ƒ 25.000 voor loontrekkenden;

- bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid: een jaarlijkse rente van ƒ 60.500 voor zelfstandigen en van ƒ 16.500 voor loontrekkenden;

- ƒ 40.000 voor kosten van een geneeskundige behandeling met een eigen risico van ƒ 25;

- ƒ 100.000 bij blijvende invaliditeit.

Volgens artikel 2 van het bijbehorende clausuleblad bestaat recht op uitkering: “indien de verzekeringnemer aantoont dat het verzekerde lid van de vrijwillige brandweer ziek is geworden en dient de ziekte het directe gevolg te zijn van een ongeval dat de verzekerde is overkomen in de uitoefening van zijn functie als lid van de vrijwillige brandweer, mits het een door de verzekering gedekt ongeval betreft.”

Artikel 1.8 van de bij de verzekering behorende Algemene bepalingen luidt voor zover hier van belang: “De verzekering is van toepassing tijdens uitoefening van de functie: a. als lid van de brandweer, (…) bij wedstrijden (…), voor zover deze activiteiten op de brandweerdienst betrekking hebben.(...)”.

2.4 Het beoefenen van sportactiviteiten door leden van de brandweer wordt door haar leiding, blijkens verklaringen van onder meer de opvolgende commandanten van de gemeentelijke brandweer in het kader van de hierna – onder 2.7 – nader aan te geven procedure voor de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), van wezenlijk belang geacht, omdat de brandweerman daardoor de voor hem noodzakelijke lichamelijke conditie behoudt of verkrijgt en daardoor tevens het leren werken in teamverband wordt bevorderd. Voor de deelname door de brandweermannen aan sportactiviteiten wordt door de brandweer een rooster vastgesteld.

2.5 Op 24 mei 1997 heeft belanghebbende met een team, uitsluitend bestaande uit leden van de vrijwillige brandweer van de gemeente D, deelgenomen aan een door derden georganiseerd volleybaltoernooi. Belanghebbende is in de loop van de dag, lopend over en tussen de rond het speelveld geplaatste banken, gestruikeld en tussen de banken gevallen. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende blijvend schouderletsel opgelopen.

2.6 Belanghebbende heeft de gemeente D aansprakelijk gesteld voor de door hem ten gevolge van het opgelopen letsel geleden en nog te lijden schade. Belanghebbende heeft tegen de afwijzende beslissing op het bezwaar betreffende de afwijzing van dat verzoek beroep ingesteld bij rechtbank Zutphen. Deze rechtbank heeft dat beroep op 17 juni 2003 gegrond verklaard en de gemeente opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het deelnemen aan het toernooi tot belanghebbendes betrekking behoorde.

2.7 In het tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen door (destijds) het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente ingestelde hoger beroep heeft de CRvB bij uitspraak van 26 mei 2005, met kenmerk 03/3629 AW, de uitspraak van deze rechtbank bevestigd en de gemeente opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van zijn uitspraak. In die uitspraak heeft de CRvB onder meer overwogen:

- dat ingevolge artikel 13 van de Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer van de gemeente D (hierna ook: de Rechtspositieregeling) de vrijwilliger die arbeidsongeschikt is als gevolg van een ongeval ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, aanspraak heeft op een uitkering indien en voor zover de door de gemeenten afgesloten ongevallenverzekering dit regelt;

- dat in artikel 15, eerste lid, van de Rechtspositieregeling is bepaald dat de vrijwilliger in een dergelijk geval ook recht heeft op vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling of verzorging tot ten hoogste het bedrag waarvoor de gemeente zich heeft verzekerd;

- dat in geschil is of het ongeval is ontstaan in verband met de vervulling van de betrekking van gedaagde als vrijwillige brandweerman in de zin van de artikelen 13 en 15 van de Rechtspositieregeling;

- dat de gemeente zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat het hier gaat om een ongeval in de zin van de artikelen 13 en 15 van de Rechtspositieregeling, en

- dat de gemeente geen steekhoudende argumenten heeft genoemd die kunnen rechtvaardigen dat zij is teruggekomen van dat standpunt.

2.8 Verzekeringsmaatschappij A (hierna ook: de inhoudingsplichtige) heeft aan belanghebbende in het tijdvak oktober 2008 uit hoofde van de genoemde verzekering een bedrag van € 340.994,81 uitbetaald. Dit bedrag is in een brief van 13 oktober 2008, gericht aan de advocaat van belanghebbende, F, door A als volgt gespecificeerd:

“ Kapitaal blijvende arbeidsongeschiktheid EUR 124.789,56

Rente bij blijvende arbeidsongeschiktheid EUR 146.509,92

EUR 271.299,48

Loonheffing box 1:

(…)

De heffing bedraagt afgerond 51,3 % EUR 139.176,63-

Netto uitkering EUR 132.122,85

Rentevergoeding over kapitaal blijvende arbeidsongeschiktheid (…) EUR 152.998,61

Rentevergoeding over rente blijvende arbeidsongeschiktheid (…) EUR 55.873,35

Overboeking naar rekening nummer (…) EUR 340.994,81”.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inhoudingsplichtige al dan niet terecht loonbelasting en premies volksverzekeringen heeft ingehouden op de hiervoor bedoelde verzekeringsuitkering, voor zover deze bestaat uit de hiervoor genoemde kapitaaluitkering van € 124.789,56 (hierna: de kapitaaluitkering). Niet in geschil is dat, indien deze inhouding terecht is geschied, de inhouden loonbelasting en premies volksverzekeringen € 64.891 bedragen.

3.2 Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de kapitaaluitkering niet haar grond vindt in zijn publiekrechtelijke dienstbetrekking bij de gemeente, zodat deze geen loon vormt. In dat verband heeft belanghebbende, onder verwijzing naar de arresten HR 29 juni 1983, 21435, BNB 1984/2, en HR 21 februari 2001, 35796, LJN AB0164, BNB 2001/150, aangevoerd dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in die arresten, op grond waarvan een dergelijke uitkering toch als loon wordt aangemerkt, geen sprake is.

3.3 Subsidiair betoogt belanghebbende dat de kapitaaluitkering voortvloeit uit een aanspraak die vrijgesteld is op grond van artikel 44 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB) en niet uit een aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964), onder meer omdat de uitkering uitsluitend ziet op een ongeval dat heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking. Volgens belanghebbende geldt de zogenoemde “omkeerregel” niet voor de in artikel 44 URLB genoemde uitkeringen.

3.4 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de kapitaaluitkering wel voldoende causaal verband houdt met de dienstbetrekking van belanghebbende en op grond van artikel 10 van de Wet LB 1964 tot het loon behoort.

3.5 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.6 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot teruggaaf van de inhouden loonbelasting en premies volksverzekeringen.

3.7 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende werkzaamheden heeft verricht voor het korps vrijwillige brandweer van de gemeente, dat belanghebbende in een publiekrechtelijke dienstbetrekking tot de gemeente staat en dat hieruit volgt dat hij rechtstreeks een beroep heeft kunnen doen op de in 2.7 genoemde Rechtspositieregeling.

4.2 Ingevolge artikel 10 van de Wet LB 1964 is loon al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten.

4.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 februari 2001, nr. 35796, LJN AB0164, BNB 2001/150, onder meer het volgende overwogen:

“(…) vergoedingen voor immateriële schade en verlies van arbeidskracht door een werkgever op grond van zijn aansprakelijkheid voor een door een werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaald, - behoudens bijzondere omstandigheden -, [vinden] niet zozeer hun grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt (HR 29 juni 1983, nr. 21 435, BNB 1984/2). (…) Het gaat daarbij [Hof: bij die bijzondere omstandigheden] (…) om afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen, waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding wegens verlies van arbeidskracht ontleent. (…)”.

4.4 De hiervoor – onder 2.1 tot en met 2.7 – weergegeven feiten leiden naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang gelezen, tot de gevolgtrekking dat de voor de brandweervrijwilliger kenbare voorzieningen die de hiervoor bedoelde Rechtspositieregeling biedt, deel uitmaken van de voorwaarden waaronder de vervulling van de betrekking als brandweervrijwilliger geschiedt. Belanghebbende heeft zich, teneinde de in geding zijnde uitkering te verkrijgen, rechtstreeks en met recht beroepen op het bepaalde in de voornoemde Rechtspositieregeling. Dit brengt mee dat de aanspraken die voortvloeien uit de artikelen 13 en 15 van de bedoelde Rechtspositieregeling zozeer samenhangen met de publiekrechtelijke dienstbetrekking van belanghebbende dat zij uit die dienstbetrekking zijn genoten.

4.5 Uit het vorenstaande volgt dat de onderhavige kapitaaluitkering tot het loon van belanghebbende moet worden gerekend. Gesteld noch gebleken is dat op grond van enige wettelijke bepaling deze kapitaaluitkering niet tot het loon wordt gerekend.

4.6 Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien sprake is geweest van een – in beginsel belaste – aanspraak, die aanspraak was vrijgesteld op grond van artikel 44 URLB. Gelet op de plaats van deze bepaling in de loonbelastingwetgeving en de geschiedenis van de totstandkoming ervan heeft deze aanspraak de loonbelastingsfeer verlaten en is zij – aldus nog steeds belanghebbende – tot zijn privévermogen gaan behoren. In dat geval behoort de kapitaaluitkering, omdat de zogenoemde omkeerregel niet van toepassing is, niet tot het loon. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.7 Op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet LB 1964 behoren niet tot het loon aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval.

4.8 In artikel 44, tweede lid, van de URLB is bepaald dat tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

4.9 De aanspraak, voor zover deze heeft geleid tot de thans in geschil zijnde uitkering ten bedrage van € 124.789,56 – welke uitkering door A is aangeduid als “kapitaal blijvende arbeidsongeschiktheid” – moet naar het oordeel van het Hof worden aangemerkt als een aanspraak op een uitkering wegens invaliditeit ten gevolge van een ongeval als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet LB 1964. Anders dan belanghebbende verdedigt, maakt de omstandigheid dat de wetgever naast het begrip “invaliditeit” niet ook het (beperktere) begrip “arbeidsongeschiktheid” heeft vermeld, het vorenoverwogene niet anders. Ook doet daaraan niet af dat deze aanspraak, samen met andere – thans niet in geschil zijnde – aanspraken, is vervat in één polis. Het is niet in geschil dat in dat geval niets in de weg staat aan het tot het loon rekenen van de kapitaaluitkering. Gelet op het vorenstaande wordt aan de toepassing van de – krachtens artikel 15c Wet LB 1964 gegeven – regeling van artikel 44, tweede lid, URLB niet meer toegekomen. In het midden kan blijven of, zoals belanghebbende verdedigt doch de Inspecteur bestrijdt, in het geval artikel 44 URLB toepassing heeft gevonden de zogenoemde omkeerregel niet van toepassing is.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 2 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 november 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.