Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4472

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
200.056.064
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de raad voor de kinderbescherming heeft geadviseerd, beëindigt het hof op grond van de door hem genoemde omstandigheden het gezamenlijk gezag en belast moeder alleen met het gezag over de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 november 2010

Zaaknummer 200.056.064

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudende te Deventer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 9 november 2009 heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, het verzoek van de moeder tot wijziging van het gez[het kind]r [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [1996], afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 3 februari 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 9 november 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [het kind] te belasten.

Van de vader is geen verweerschrift binnengekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

12 februari 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

Op 28 september 2010 is de minde[het kind]e [het kind] voorafgaand aan de mondelinge behandeling gehoord door een raadsheer-commissaris.

Ter zitting van 28 september 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Aarnoudse en namens de raad mevrouw A. Uit den Bogaard. De vader is ter zitting - hoewel naar behoren opgeroepen - niet in persoon verschenen.

De beoordeling

Inleiding

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, waaruit de minderjarige [het kind] is geboren. De vader heeft [het kind] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [het kind]. De ouders hebben hun relatie in 1997 beëindigd. [het kind] heeft sindsdien geen regulier contact gehad met zijn vader. Zijn hoofdverblijf is bij de moeder.

2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag over [het kind] afgewezen. De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

3. Ingevolge artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter op verzoek van (een van) de ouders bepalen dat het gezag over de minderjarige aan een van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4. Artikel 1:253n lid 2 BW - dat artikel 1:251a, eerste lid, BW van overeenkomstige toepassing verklaart - bepaalt dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

5. Gebleken is dat de vader gedurende een lange periode geen invulling heeft gegeven aan het gezamenlijk gezag over [het kind]. Met de na het verbreken van de relatie vastgestelde omgangsregeling zijn de ouders niet goed omgegaan. De vader heeft er toen voor gekozen om geen contact meer te hebben met [het kind]. Inmiddels duurt deze situatie al twaalf jaren. Op advies van de echtgenoot van de moeder heeft de vader een aantal keren nog een cadeau aan [het kind] gestuurd, maar ook dit heeft niet geleid tot een verder contact tussen de vader en [het kind]. Gelet hierop stelt het hof vast dat de omstandigheden na het uiteengaan van partijen zijn gewijzigd.

6. De moeder heeft gesteld dat de vader vele jaren geen invulling heeft gegeven aan het ouderlijk gezag en geen interesse heeft getoond in [het kind]; zij hebben geen contact of binding met elkaar. De ouders communiceren niet met elkaar. Gelet op hetgeen in het verleden is gebeurd acht de moeder het volstrekt ondenkbaar dat zij in de toekomst wel met elkaar zouden kunnen communiceren. De vader is niet betrokken bij belangrijke beslissingen over [het kind]. De moeder vindt het voor de identiteitsvorming van [het kind] van wezenlijk belang dat hij de familienaam van haar echtgenoot kan dragen.

7. [het kind] heeft aangegeven dat hij helemaal geen contact heeft met de vader en dat hij hem eigenlijk niet kent. Hij geeft aan ook geen behoefte te hebben aan dit contact. Iedereen op school kent hem onder de naam [het kind] Evers, de naam van zijn stiefvader, en hij zou die achternaam graag ook officieel willen dragen.

8. Namens de raad is ter zitting aangegeven dat niet is gebleken dat [het kind] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De vader frustreert belangrijke beslissingen aangaande [het kind] niet. Evenmin is de raad gebleken dat het belang van [het kind] inwilliging van het verzoek van de moeder noodzakelijk maakt. De raad vindt het belangrijk dat de band met de vader niet verloren gaat en adviseert het gezamenlijk gezag in stand te laten.

9. Het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag over [het kind] te belasten dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:251a BW voornoemd. Het hof overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat [het kind] klem of verloren zal raken tussen de ouders als bedoeld in voormeld artikel. Weliswaar is er tussen partijen geen enkele communicatie en houdt de vader zich volledig afzijdig van de verzorging en opvoeding van [het kind], maar niet blijkt dat de vader de moeder ook maar enigszins belemmert in haar taak als verzorgende ouder of dat hij met betrekking tot belangrijke opvoedkundige beslispunten zijn medewerking zal weigeren. Toewijzing van het verzoek van moeder op deze grond acht het hof dan ook niet mogelijk.

10. Toewijzing van het eenhoofdig gezag is ingevolge artikel 1:251a BW ook mogelijk wanneer dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. In dit verband is van belang dat de vader de afgelopen twaalf jaren geen enkele invulling heeft gegeven aan het ouderlijk gezag. Er is geen omgang tussen de vader en [het kind]; hij kent de vader nauwelijks. Tussen de ouders is geen communicatie. Op geen enkele wijze is gebleken dat de vader heeft willen participeren in de opvoeding en verzorging van zijn zoon. Hij verzoekt de moeder niet om informatie over [het kind]. Ook geeft hij - afgezien van de onder rechtsoverweging 5 vermelde cadeaus - geen blijk van enige genegenheid jegens zijn zoon. De vader heeft het niet nodig geacht ter zitting van het hof te verschijnen.

Daar staat tegenover dat de feitelijke situatie zodanig is dat de moeder alle beslissingen ten aanzien van [het kind] neemt in overleg met haar echtgenoot, met wie zij reeds op 24 augustus 2001 is getrouwd. [het kind] beschouwd hem als zijn vader, draagt in het dagelijks leven zijn achternaam en hij wil dit graag formaliseren.

11. Alles in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat het in het belang van [het kind] noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van de ouders eindigt en dat de moeder alleen wordt belast met het gezag over hem. Hetgeen de raad heeft aangevoerd voor behoud van het gezamenlijk gezag noopt niet tot een ander oordeel. [het kind] weet wie zijn biologische vader is; zijn afkomst wordt niet verloochend. Wijziging van het gezag ontneemt hem niet de mogelijkheid om (in de toekomst) contact met de vader te zoeken.

Slotsom

12. Vorenstaande brengt met zich dat de beschikking waarvan beroep wordt vernietigd en dat de moeder alleen wordt belast met het gezag over [het kind].

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

beëindigt het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over de minde[het kind]e [het kind], geboren op [1996], en bepaalt dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de moeder alleen toekomt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M.van der Meer (voorzitter), A.W. Beversluis en E. Maan, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 november 2010 in bijzijn van de griffier.