Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4252

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
P10/0292
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie TBS P10/0292

• Gelet op artikel 38k van het Wetboek van Strafrecht dient de rechter, in geval van een vordering van het openbaar ministerie tot het geven van een last tot hervatting van de verpleging, te bezien of:

- een aan de beëindiging van de dwangverpleging verbonden voorwaarde niet is nageleefd, of

- het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (of goederen) de hervatting van de verpleging eist.

Gelet op de wijze van formulering van de hiervoor genoemde vereisten is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat geen sprake is van cumulatieve vereisten. Het enkel niet naleven van een gestelde voorwaarde kan tot hervatting leiden. Overtreding van een gestelde voorwaarde zal echter niet in alle gevallen direct tot hervatting van de dwangverpleging leiden. Bezien dient te worden welk gevolg aan de overtreding dient te worden verbonden. Bij de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging stelt de rechter op grond van artikel 38 g van het Wetboek van Strafrecht voorwaarden ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen. Bij de beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie tot hervatting van de verpleging zal aan de orde zijn of de voorwaarden al dan niet in gewijzigde vorm alsmede de mate waarin de naleving van de voorwaarden toetsbaar is, toereikend zijn met het doel waarvoor deze zijn gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P10/0292

Tussenbeslissing d.d. 9 november 2010

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

verblijvende in [naam Huis van Bewaring].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 augustus 2010, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot hervatting van de verpleging van overheidswege.

Overwegingen:

• Gelet op artikel 38k van het Wetboek van Strafrecht dient de rechter, in geval van een vordering van het openbaar ministerie tot het geven van een last tot hervatting van de verpleging, te bezien of:

- een aan de beëindiging van de dwangverpleging verbonden voorwaarde niet is nageleefd, of

- het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (of goederen) de hervatting van de verpleging eist.

Gelet op de wijze van formulering van de hiervoor genoemde vereisten is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat geen sprake is van cumulatieve vereisten. Het enkel niet naleven van een gestelde voorwaarde kan tot hervatting leiden.

Overtreding van een gestelde voorwaarde zal echter niet in alle gevallen direct tot hervatting van de dwangverpleging leiden. Bezien dient te worden welk gevolg aan de overtreding dient te worden verbonden.

Bij de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging stelt de rechter op grond van artikel 38 g van het Wetboek van Strafrecht voorwaarden ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen. Bij de beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie tot hervatting van de verpleging zal aan de orde zijn of de voorwaarden al dan niet in gewijzigde vorm alsmede de mate waarin de naleving van de voorwaarden toetsbaar is, toereikend zijn met het doel waarvoor deze zijn gegeven.

Voor de vorming van zijn eindoordeel acht het hof het daarom noodzakelijk te worden voorgelicht of en zo ja, de wijze waarop de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege van betrokkene kan worden voortgezet, zonodig onder aanpassing van de in de beschikking van het hof van 23 december 2008 gestelde voorwaarden.

Het hof acht het noodzakelijk dat Reclassering Nederland een nadere rapportage opstelt waarin wordt gerapporteerd omtrent de mogelijkheid tot voortzetting van de voorwaardelijke beëindiging, al dan niet onder gewijzigde voorwaarden, en de daarvoor benodigde praktische invulling van de voorwaarden. In het bijzonder dient te worden onderzocht of betrokkene opnieuw een behandeling kan volgen bij de Waag dan wel of een klinische behandeling van betrokkene geïndiceerd en mogelijk is. Het hof gaat er daarbij vanuit dat betrokkene meewerkt aan de totstandkoming van de rapportage van de reclassering, ook indien de reclassering een onderzoek door de bureaupsychiater of een psychiater/ psycholoog verbonden aan het NIFP wenselijk acht.

Het hof acht het voorts noodzakelijk dat op een volgende zitting de rapporteur van de reclassering die de rapportage opmaakt als getuige-deskundige wordt gehoord.

Tussenbeslissing

Het hof:

Heropent de behandeling van de zaak om vermelde redenen en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.

Verzoekt de advocaat-generaal zorg te dragen voor de nadere rapportage, zoals hiervoor omschreven en stelt daartoe de stukken in handen van de advocaat-generaal.

Beveelt de oproeping van de rapporteur van de reclassering tegen het nog nader te bepalen tijdstip.

Beveelt voorts de oproeping van de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde] tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman.

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr G. Mintjes en mr J.D. den Hartog als raadsheren,

en drs. T. van Iersel en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof als griffier,

en op 9 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.