Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO4173

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
P10/0178
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie:

Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van overheidswege.

Het hof acht onder deze omstandigheden, gelet op artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gezien de ernst en de omstandigheden van het delict waarvoor de TBS-maatregel aan betrokkene werd opgelegd, het tijdsverloop sinds dit delict en gezien voormelde behandelgeschiedenis en de ontstane impasse met betrekking tot de verblijfplaats van betrokkene, dat er bij voortduring van de maatregel op de wijze zoals deze thans plaatsvindt, sprake is van strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Op grond hiervan dient de maatregel thans te eindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P10/0178

Beslissing d.d. 9 november 2010

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

betrokkene,

geboren in 1952,

verblijvende in een TBS-kliniek.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Arnhem van 7 mei 2010, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen en daar het hof tot een andere beslissing komt.

Voor een goed begrip in deze zaak acht het hof het van belang dat de belangrijkste ontwikkelingen betreffende de TBS van betrokkene nog eens in chronologische volgorde worden weergegeven:

- Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 mei 1995 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, onder andere ter zake van: opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

- De terbeschikkingstelling is ingegaan op 16 januari 1996;

- Betrokkene heeft in het kader van de tenuitvoerlegging van de TBS-maatregel van september 1997 tot maart 1998 in de Pompekliniek in Nijmegen verbleven. Vervolgens is hij overgeplaatst naar Hoeve Boschoord. Tijdens het verblijf in deze kliniek heeft hij zich enkele keren aan het toezicht onttrokken.

- Na een verblijf in het huis van bewaring keert betrokkene in juli 2003 terug in Hoeve Boschoord, waarna hij in maart 2004 wordt overgeplaatst naar het FPC Veldzicht.

- In april 2006 wordt door het FPC Veldzicht de plaatsing van betrokkene op een longstay-afdeling aangevraagd, waarna deze in juli 2006 wordt toegekend.

- In juli 2006 wordt betrokkene opgenomen in de kliniek binnen de Langdurig Forensisch Psychiatrische Zorg (LFPZ). In december 2007 is hij overgeplaatst naar de locatie Zeeland en in februari 2009 weer teruggeplaatst naar de locatie Vught.

Het hof dient in het kader van procedures betreffende het verlengen van de TBS-maatregel te beslissen of het, gelet op het eventuele delictgevaar, noodzakelijk is dat de maatregel wordt verlengd. Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen het tijdsverloop in relatie tot de ernst van het delict waarvoor de maatregel is opgelegd. Naarmate de terbeschikkingstelling langer duurt, gaan bij de afweging tussen de belangen van de maatschappij bij beveiliging en de belangen van de terbeschikkinggestelde de belangen van laatstgenoemde steeds zwaarder wegen. Daarbij nopen ook de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit tot het zorgvuldig en met spoed onderzoeken van de vervolgmogelijkheden zodra de mate van delictgevaar dit toelaat.

In het algemeen geeft het hof, als hoogste rechterlijke instantie in deze zaken geen oordeel over inhoud en vormgeving van de behandeling door de klinieken van de terbeschikkinggestelde. Het primaat van het bepalen van de inhoud van de behandeling ligt bij de klinieken.

Dat kan onder omstandigheden echter anders zijn, namelijk in het geval de beslissing over al dan niet verlengen van de maatregel of over de wijze van eventuele beëindiging van de maatregel afhankelijk is van en/of samenhangt met de wijze waarop inhoud en vorm gegeven wordt aan die behandeling.

Dit laatste zal bijvoorbeeld het geval zijn als het hof, zoals in onderhavige zaak, op basis van het dossier en het op de terechtzittingen verhandelde, van oordeel is dat de terbeschikkinggestelde na het langdurige verblijf op de LFPZ, waar immers geen op verandering gerichte behandeling meer plaatsvindt, doorgeplaatst dient te worden naar een setting waar voortdurend toezicht en ondersteuning aanwezig is met een gestructureerd en supportief milieu, maar die fysiek vriendelijker en ruimer is, zoals een longcarevoorziening. Bij de behandeling ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er in ieder geval bij de Woenselse Poort plaatsen op de longcarevoorziening beschikbaar zijn, maar dat naar het lijkt uit financiële overwegingen de doorplaatsing daarheen van, ondermeer, betrokkene stagneert. Overigens is ook bij plaatsing in deze instelling net als bij doorplaatsing naar andere mogelijk geschikte instellingen nog steeds onduidelijk met welke status (wel/niet TBS met verpleging, wel/niet transmuraal verlof, wel/niet proefverlof, wel/niet voorwaardelijk beëindigde verpleging, etc.) personen geplaatst kunnen worden. .

Het hof kan, in het licht van de hiervoor in het kort weergegeven ontwikkelingen, niet anders dan constateren dat -ondanks de door de kliniek al geruime tijd in meerdere richtingen getrooste inspanningen om betrokkene op een voor hem meer geschikte plek geplaatst te krijgen- de belangen van betrokkene tekort worden gedaan, doordat een verantwoord geachte doorplaatsing naar een minder bezwarende verblijfplaats door niet het delictgevaar rakende omstandigheden achterwege blijft. Dat destijds bij het opleggen van de TBS-maatregel reeds gesproken en geschreven werd over de wenselijkheid van een RIBW (-achtige) setting als geschikte verblijfplaats voor betrokkene, maakt dit nog schrijnender.

Denkbaar is dat er toch vanwege klemmende, in de persoonlijkheid van de terbeschikkinggestelde en het daarbij behorende delictgevaar gelegen omstandigheden, ondanks het hiervoor weergegeven verloop van de behandeling, gronden kunnen zijn de maatregel te verlengen en eventueel de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te doen onderzoeken.

Dergelijke klemmende omstandigheden zijn het hof in deze zaak niet gebleken.

In het verlengingsadvies van de Pompekliniek van 21 december 2009 staat onder andere als samenvatting van de verschillende risico-inschattingen vermeld dat gesteld dient te worden, dat betrokkene zonder het toezichthoudend, structuurbiedend en zorgend kader van een forensisch psychiatrische instelling, een risico blijft vormen voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Uit de verdere inhoud van de omtrent betrokkene opgemaakte rapportages en de verklaring van de getuige-deskundige B., afgelegd ter terechtzitting van dit hof, leidt het hof echter af dat er geen aanwijzingen zijn voor acute delictgevaarlijkheid op de korte termijn. Immers is ook niet gebleken dat betrokkene tijdens zijn eerdere onttrekkingen aan het toezicht TBS-waardige delicten heeft gepleegd.

Het hof heeft verder in ogenschouw genomen dat aannemelijk is dat betrokkene na beëindiging van de maatregel door zijn kinderen en andere familieleden zal worden opgevangen, als ook dat deze de weg naar de Geestelijke Gezondheidszorg en sociale dienstverlening zullen weten te vinden.

Het hof acht onder deze omstandigheden, gelet op artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gezien de ernst en de omstandigheden van het delict waarvoor de TBS-maatregel aan betrokkene werd opgelegd, het tijdsverloop sinds dit delict en gezien voormelde behandelgeschiedenis en de ontstane impasse met betrekking tot de verblijfplaats van betrokkene, dat er bij voortduring van de maatregel op de wijze zoals deze thans plaatsvindt, sprake is van strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Op grond hiervan dient de maatregel thans te eindigen.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering van de officier van justitie worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Arnhem van 7 mei 2010 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr J.M. van der Vaart als raadsheren,

en drs. J. Boon en drs. R. Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mw M.C.L. Roelofs als griffier,

en op 9 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

Mr J.M. van der Vaart en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.