Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO3720

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/00147 en 09/00148
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Naheffing bij paardenhandelaar wegens het niet toepassen van het anoniementarief is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/6.21.17
FutD 2010-2629
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00147 en 09/00148

uitspraakdatum: 26 oktober 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 24 maart 2009, nummer AWB 08/490 en 08/491, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 opgelegd. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur bij beschikking heffingsrente berekend en een boete opgelegd. Met dagtekening 25 augustus 2006 heeft de Inspecteur de boete ambtshalve verminderd.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren.

1.3. Aan belanghebbende is voorts een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 opgelegd. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur bij beschikking heffingsrente berekend en een boete opgelegd.

1.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.5. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep inzake de naheffingsaanslag voor het tijdvak 2000 gegrond verklaard, de desbetreffende uitspraak op bezwaar vernietigd en het bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep inzake de naheffingsaanslag voor het tijdvak van 2001 tot en met 2004 is ongegrond verklaard. Voorts heeft de Rechtbank de beroepen inzake de boetebeschikkingen gegrond verklaard en de boeten verminderd.

1.6. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 29 april 2009 ter griffie ingekomen en aangevuld bij brief met bijlagen van 9 juli 2009.

1.7. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8. Het onderzoek ter zitting van de zaak heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur. Namens belanghebbende is ter zitting een pleitnota voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende drijft een onderneming, bestaande uit de handel in paarden. A BV is enig aandeelhouder van belanghebbende. B is bestuurder van belanghebbende en bestuurder en enig aandeelhouder van A BV.

2.2. C was tot 1 oktober 2002 bij belanghebbende in dienst als bedrijfsleider.

2.3. Bij brief van 17 mei 2002 (opgenomen in bijlage 12a bij het verweerschrift in eerste aanleg) schrijft D, de advocaat van belanghebbende, aan B onder meer:

“ Conform hetgeen wij hebben besproken omvat ik voor u in dit schrijven de nodige aspecten die ter sprake zijn gekomen nog eens samen.

C is thans bij u in dienst in de functie van bedrijfsleider tegen een jaarsalaris van ± ƒ 100.000, bruto. Hij is, zo begreep ik, sinds 18 april 2001 onafgebroken arbeidsongeschikt en nu, naar verluidt, dertig jaar bij u in dienst. (…)

Bij een ontbinding, die bij de Rechtbank kan worden verzocht, dient u er echter rekening mee te houden dat gezien de leeftijd van de bedrijfsleider en de duur van zijn dienstverband alsook het salaris aan u naar alle waarschijnlijkheid een vergoeding zal worden opgelegd van (minimaal) enige honderdduizenden guldens. (…)

Ook hebben wij een aantal andere zaken met elkaar besproken die gedeeltelijk met de bovenstaande kwestie te maken hebben en gedeeltelijk met een geheel andere kwestie. Indien ook niet juridische en niet financiële factoren worden meegewogen (…) is besloten om vooralsnog geen actieve actie te ondernemen richting deze bedrijfsleider maar in eerste instantie af te wachten of hij zich te eniger tijd daadwerkelijk meldt om weer te gaan werken. (…)

Ik ga ervan uit in het bovenstaande het door ons besprokene correct te hebben samengevat en u door middel van dit schrijven een leidraad te hebben gegeven over de verschillende mogelijkheden die zich zouden kunnen voordoen. ”

2.4. Bij brief van 15 augustus 2002 (opgenomen in bijlage 12b bij het verweerschrift in eerste aanleg) schrijft D aan B onder meer:

“ Bijgaand doe ik u een kopie toekomen van het faxbericht d.d. 14 augustus jl. (…)

C opent ook de mogelijkheid om alsnog met elkaar om tafel te gaan om te bezien of er een oplossing mogelijk is die voor alle partijen bevredigend zou kunnen zijn. (…)

Gaarne verneem ik (…) of u op het voorstel van de wederpartij wilt ingaan. ”

2.5. Bij brief van 27 september 2002 (bijlage 12h bij het verweerschrift in eerste aanleg) schrijft D aan E, de advocaat van C, onder meer:

“ De mediator van partijen (…) berichtte mij hedenochtend dat het tussen partijen overeengekomen bedrag van € 100.000 bruto is en niet netto. Eén en ander is ook in de gesprekken tussen de heer Laan en uw cliënt naar voren gekomen.

Nu uw cliënt vanaf 18 april 2002 geen salaris meer heeft ontvangen heb ik de volgende berekening opgesteld.

(…) zodat 5½ x € 4.161,61 aan achterstallig salaris moet worden betaald, derhalve € 22.888,89 bruto.

Laatstgenoemd bedrag heb ik afgetrokken van het overeengekomen bedrag van € 100.000, zodat per saldo, afgerond, € 77.000, bruto als vergoeding in het kader van de ontbinding kan worden aangeboden. ”

2.6. Ter beëindiging van het arbeidsgeschil hebben C, F B.V. en belanghebbende een vaststellingsovereenkomst (bijlage 12i bij het verweerschrift in eerste aanleg) gesloten. Deze overeenkomst luidt onder meer als volgt:

“ In aanmerking nemende:

(…)

- dat partijen hebben besloten hun geschillen in der minne op te lossen (…)

- dat partijen op 25 september 2002 met elkaar bindende afspraken hebben gemaakt omtrent de beslechting van de tussen hen gerezen geschillen en deze in de onderhavige vaststellingsovereenkomst nader vastgelegd willen zien.

Zijn overeengekomen als volgt:

1. De arbeidsovereenkomst (…) zal worden ontbonden door tussenkomst van de Rechtbank (…) per 1 oktober 2002 danwel zoveel later als de Kantonrechter in bedoelde ontbindingsprocedure zal bepalen.

2. (…)

3. In het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat partij 3 aan partij 1 een vergoeding naar billijkheid is verschuldigd van in totaal € 100.000, . ”

2.7. In de beschikking van de rechtbank d.d. 30 september 2002 (bijlage bij het beroep in eerste aanleg) met betrekking tot het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en C heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:

“ Beschikt:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2002.

Kent aan C ten laste van X een vergoeding toe van € 77.000 bruto. ”

2.8. De Inspecteur heeft in 2005 een boekenonderzoek ingesteld bij A BV, waarbij onder meer onderzoek is gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. Van de bevindingen van het boekenonderzoek is met dagtekening 28 juni 2006 een rapport opgemaakt. Een afschrift van het rapport behoort tot de gedingstukken. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“ 7.2 Administratieve verplichtingen

7.2.1 Loonbelastingverklaringen

De inhoudingsplichtige heeft niet volledig voldaan aan de administratieve verplichtingen die wettelijk zijn voorgeschreven. Van een aantal werknemers kon geen ingevulde en door de werknemer ondertekende loonbelasting¬verklaring worden getoond. Het uitbetaalde bedrag dient daarom te worden aangemerkt als loon waarop het tarief voor anonieme werknemers van toepassing is. De correctie loopt samen met de correctie bij het hierna genoemde punt. De omvang is daar vastgelegd. In een brief van 27-2-2006 wordt door gemachtigde gesteld dat de vorige gemachtigde de loonbelastingverklaringen gehad moet hebben want anders zou de vorige gemachtigde de lonen niet hebben verwerkt en ook niet kunnen verwerken. Dat men dan de lonen niet kon verwerken is naar mijn mening niet juist. Echter dit doet niet ter zake. Feit is dat de loonbelastingverklaringen nog steeds niet zijn getoond.

7.2.2 Identificatieplicht werknemers

Van enkele personeelsleden kon geen kopie van een wettelijk toegelaten identiteitsbewijs worden getoond. Voorzover deze bewijzen ontbreken dient het uitbetaalde loonbedrag te worden aangemerkt als loon waarop het tarief voor anonieme werknemers van toepassing is. Voor al deze werknemers was ook geen loonbelastingverklaring aanwezig. Voor 2 van deze werknemers werd op een later moment alsnog een kopie van een rijbewijs getoond. (…)

In een brief van 27-2-2006 wordt door gemachtigde gesteld dat de vorige gemachtigde de kopieën van de identiteitsbewijzen gehad moet hebben want anders zou de vorige gemachtigde de lonen niet hebben verwerkt en ook niet kunnen verwerken. Dat men dan de lonen niet kon verwerken is naar mijn mening niet juist. Echter dit doet niet ter zake. Feit is dat de kopieën van de betreffende identiteitsbewijzen nog steeds niet zijn getoond.

Correctie:

2000 meer verschuldigde loonheffing € 33.675

2002 meer verschuldigde loonheffing € 286

Van één werknemer is wel een kopie van een identiteitsbewijs getoond. Dit was echter een kopie van een document dat is afgegeven in september 2005. Het is dus duidelijk dat de identiteit van de werknemer bij de aanvang van de dienstbetrekking niet is vastgesteld aan de hand van dit document. De mogelijkheden voor inhoudingsplichtigen om zaken te herstellen waren volgens de mededeling bij de aangifte loonbelasting van juni 2005 met ingang van 1 7 2005 afgelopen. Inhoudingsplichtige heeft deze mogelijkheid ongebruikt gelaten. De conclusie is dat de identiteit van de medewerker niet op de juiste wijze is vastgesteld en dat dus het tarief voor anonieme werknemers van toepassing is.

Correctie:

2000 meer verschuldigde loonheffing € 23.896

2001 meer verschuldigde loonheffing € 17.260

2002 meer verschuldigde loonheffing € 17.594

2003 meer verschuldigde loonheffing € 18.005

2004 meer verschuldigde loonheffing € 17.615 ”

2.9. Over een deel van de uit het boekenonderzoek voortvloeiende correcties hebben belanghebbende en de Inspecteur in juni 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst is vastgelegd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de na te heffen enkelvoudige loonbelasting/premie volksverzekeringen ad € 74.034, exclusief heffingsrente en boete. Daarbij is vermeld dat de correcties in verband met de identificatieplicht van werknemers en met betrekking tot de betaling aan C niet in het compromis zijn begrepen.

2.10. In een door de Belastingdienst uitgegeven “Mededeling Loonbelasting/premie volksverzekeringen” van juni 2005 staat onder meer:

“ 5 Geen mogelijkheid meer om gebreken te herstellen bij het vaststellen van identiteit of uitreiken loonbelastingverklaring

In paragraaf 2.1 en in paragraaf 2.2 van het Handboek 2005 vindt u informatie over de regels die gelden voor het vaststellen van de identiteit van uw werknemer en voor het uitreiken van en loonbelastingverklaring.

Tot op heden kwam het voor dat de Belastingdienst de mogelijkheid bood om gebreken te herstellen die waren geconstateerd bij de vaststelling van de identiteit van een werknemer of bij het uitreiken van een loonbelastingverklaring. De Belastingdienst biedt vanaf 1 juli 2005 die mogelijkheid niet meer. ”

2.11. De naheffingsaanslag en boete (na ambtshalve vermindering) over het tijdvak 2000 kunnen als volgt worden gespecificeerd:

loonbelasting/premie volksverzekeringen boete

ontbreken identiteitsbewijzen € 33.675 € 8.419

te laat aangeleverd identiteitsbewijs € 23.896 € 5.974

niet in geschil € 14.017 € 4.882

totaal € 71.588 € 19.275

De correctie ‘ontbreken identiteitsbewijzen’ heeft betrekking op de werknemers G, H en I. Van G is slechts een kopie van een rijbewijs overgelegd. Van H en I zijn bij brief van 1 november 2006 (bijlage 10 bij het verweerschrift in eerste aanleg) alsnog kopieën overgelegd van paspoorten afgegeven in augustus 2001, onderscheidenlijk maart 2002.

De correctie ‘te laat aangeleverd identiteitsbewijs’ betreft de werknemer J, die in 1998 in dienst is gekomen en waarvan een op 28 september 2005 ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring is verstrekt. Het identiteitsbewijs waarvan een afschrift in de loonadministratie is opgenomen is afgegeven op 14 september 2005.

2.12. Op 25 augustus 2006 heeft de Inspecteur de boete ter zake van de nageheven loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 ambtshalve verminderd tot € 17.069. Als gevolg van een vergissing is de boete verder verminderd dan hiervoor onder 2.11 is vermeld.

2.13. De naheffingsaanslag en boete over het tijdvak 2001 tot en met 2004 kunnen als volgt worden gespecificeerd:

loonbelasting/premie volksverzekeringen boete

ontbreken identiteitsbewijzen € 286 € 72

te laat aangeleverd identiteitsbewijs € 70.474 € 17.619

afkoopsom C € 108.333 € 54.167

niet in geschil € 60.017 € 22.387

totaal € 239.110 € 94.245

Abusievelijk is een boete opgelegd van € 40.545.

De correctie ‘ontbreken identiteitsbewijzen’ heeft betrekking op de werknemer K, van wie slechts een kopie van een rijbewijs is overgelegd.

De correctie ‘te laat aangeleverd identiteitsbewijs’ betreft de werknemer J, die in 1998 in dienst is gekomen en waarvan een op 28 september 2005 ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring is verstrekt. Het identiteitsbewijs waarvan een afschrift in de loonadministratie is opgenomen is afgegeven op 14 september 2005.

2.14 Tijdens het hoorgesprek heeft belanghebbende alsnog kopieën overgelegd van de identeitsbewijzen van onder meer G (paspoort afgegeven op 25 augustus 2008) en K (identiteitskaart afgegeven op 9 februari 2005).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of terecht loonbelasting/premie volksverzekeringen is nageheven omdat belanghebbende het anoniementarief niet heeft toegepast en in verband met de betalingen aan C. Voorts is in geschil of terecht boeten ter zake van deze correcties zijn opgelegd.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van de naheffingsaanslag voor het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 tot € 14.017, vermindering van de naheffingsaanslag voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 tot € 60.017 en vermindering van de boeten.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Toepassing anoniementarief

4.1. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur ten onrechte het anoniementarief heeft toegepast. Zij stelt dat zij wel geldige legitimatiebewijzen en ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaringen heeft gehad, maar dat deze bij haar voormalige accountant zijn zoekgeraakt, wat haar niet kan worden aangerekend. Voorts heeft de Inspecteur – aldus belanghebbende – verschillende malen toegezegd alsnog rekening te zullen houden met kopieën van geldige legitimatiebewijzen die tijdens en na het onderzoek zouden worden aangeleverd. Belanghebbende wijst in dit verband op de hiervoor onder 2.10 aangehaalde Mededeling loonbelasting/premie volksverzekeringen. Zij stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat ook haar deze mogelijkheid nog zou worden geboden.

4.2. De Inspecteur betwist dat hij het beleid voerde steeds de gelegenheid te geven gebreken te herstellen. Wel werd in voorkomende gevallen soms de gelegenheid gegeven binnen een te stellen termijn die gebreken te herstellen, maar met ingang van 1 juli 2005 gebeurt ook dat niet meer. Ook belanghebbende heeft tot 1 juli 2005 de gelegenheid gekregen gebreken te herstellen. Voor zover de gebreken zijn hersteld door overlegging van een identiteitsbewijs dat is afgegeven na het naheffingstijdvak heeft belanghebbende daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de identiteit van de werknemer tijdig op de juiste wijze is vastgesteld. De Inspecteur trekt daaruit de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig aan haar administratieve verplichtingen heeft voldaan. De Inspecteur stelt dat het tot de verantwoordelijkheid van belanghebbende behoort om ervoor te zorgen dat de administratieve verplichtingen worden nagekomen. Voor zover de niet-nakoming zou worden veroorzaakt door de handelingen van belanghebbendes professionele adviseur, komt dat voor rekening van belanghebbende, aldus nog steeds de Inspecteur.

4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij de identiteit van alle werknemers overeenkomstig de wettelijke bepalingen heeft vastgesteld voor de eerste loonbetaling, met name niet van de werknemers waarop de desbetreffende naheffing betrekking heeft. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende documenten zijn zoekgeraakt bij haar voormalige adviseur. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur het beleid voerde steeds en ongelimiteerd zonder sanctie toe te staan dat gebreken in de vaststelling van de identiteit en het uitreiken en inleveren van loonbelastingverklaringen achteraf zouden kunnen worden hersteld. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met enig door hem gevoerd beleid door niet toe te staan dat belanghebbende na 1 juli 2005 nog gebreken zou herstellen. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat zij ook na 1 juli 2005 nog gebreken in de vaststelling van de identiteit en de uitreiking en inlevering van loonbelastingverklaringen mocht herstellen.

Afkoopsom C

4.4. Belanghebbende stelt dat zij met C een afkoopsom van € 100.000 was overeengekomen, waarvan € 23.000 loon was over de periode van 1 oktober 2002 tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en € 77.000 een suppletie op een eventuele uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten dan wel een elders te verdienen lager salaris. Belanghebbende heeft de accountant verzocht het bedrag van € 23.000 te ‘verlonen’. Voorts vertrouwde belanghebbende erop dat, indien en voor zover de toenmalige accountant het bedrag niet zou ‘verlonen’, C het ontvangen bedrag zou opnemen in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

4.5. De Inspecteur stelt dat sprake is van nettoloon en dat belanghebbende opzettelijk geen loonheffing heeft ingehouden en afgedragen. De Inspecteur wijst erop dat – naar blijkt uit de hiervoor onder 2.3 aangehaalde brief van 17 mei 2002 – B persoonlijk nauw betrokken was bij het ontslag van en de ontslagvergoeding voor C en dat daarbij uitdrukkelijk aandacht is besteed aan de fiscale gevolgen van die uitkering.

4.6. Uit de stellingen van belanghebbende die hiervoor onder 4.4 zijn weergegeven volgt dat de betalingen van in totaal € 100.000 aan C voortvloeiden uit de dienstbetrekking tussen belanghebbende en C. Deze betaling vindt dan naar het oordeel van het Hof zo zeer haar grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden beschouwd (vergelijk HR 29 juni 1983, nr. 21.435, LJN AW9439, BNB 1984/2). De omstandigheid dat belanghebbende naar zij stelt erop vertrouwde dat C de ontvangen bedragen in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting zou vermelden, doet er niet aan af dat belanghebbende op deze betalingen loonbelasting/premie volksverzekeringen diende in te houden en deze ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen op aangifte diende af te dragen. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende haar boekhouder zou hebben verzocht (een gedeelte van) de betalingen ‘te verlonen’ en zo begrijpt het Hof daarop namens haar loonbelasting/premie volksverzekeringen in te houden.

4.7. Het Hof acht aannemelijk dat B en daarmee belanghebbende wist dat deze betalingen loon vormden. Desondanks heeft belanghebbende nagelaten daarop loonbelasting/premie volksverzekeringen in te houden. De Inspecteur heeft onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.3 en 2.4 aangehaalde correspondentie gesteld dat belanghebbende zich in een positie heeft gebracht waarin de mogelijkheid van verhaal volstrekt onwaarschijnlijk is. Belanghebbende heeft daartegenover niet meer gesteld dan dat de afkoopsom bruto was bedoeld. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende iets heeft gedaan om de nageheven belasting op C te verhalen. De enkele stelling ter zitting dat belanghebbende voornemens is tot verhaal over te gaan, doet daaraan niet af. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust (zie HR 24 september 2004, nr. 39.303, LJN AO4778, BNB 2004/414), niet aannemelijk gemaakt dat zij toen zij de betalingen deed de verschuldigde belasting en premie op C kon verhalen. De mogelijkheid tot verhaal heeft derhalve van de aanvang af ontbroken. De Inspecteur heeft terecht op de betalingen aan C het gebruteerde tabeltarief toegepast.

Boete in verband met anoniementarief

4.8. De Inspecteur heeft belanghebbende een boete opgelegd, onder meer omdat het aan haar opzet of grove schuld zou zijn te wijten dat het anoniementarief niet is toegepast, hoewel in de loonadministratie geen kopieën van geldige identiteitsbewijzen waren opgenomen. Belanghebbende heeft gesteld dat zij de identiteit van al haar werknemers op de juiste wijze heeft vastgesteld en de kopieën van de identiteitsbewijzen bij haar loonadministratie heeft bewaard, maar dat deze zijn zoekgeraakt, terwijl haar toenmalige belastingadviseur de loonadministratie in bewaring had. De Inspecteur, op wie ter zake van de boete de bewijslast rust, heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Daarvan uitgaande acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de belasting aanvankelijk niet naar het anoniementarief is berekend. Voor zover de boete daarop betrekking heeft, moet deze vervallen.

Boete in verband met afkoopsom C

4.9. Het Hof acht aannemelijk dat B en daarmee belanghebbende wist dat deze betalingen loon vormden. Desondanks heeft belanghebbende nagelaten daarop loonbelasting/premie volksverzekeringen in te houden. Het Hof acht daarom aannemelijk dat het aan de opzet van belanghebbende is te wijten dat over deze afkoopsom geen belasting is betaald. De Inspecteur heeft terecht een boete opgelegd. De desbetreffende boete bedraagt € 54.167, ofwel 50% van de nageheven belasting en premie. Het Hof acht deze boete passend en geboden.

Conclusie inzake de boeten

4.10. Voor zover de boete met betrekking tot het tijdvak 2000 betrekking heeft op het anoniementarief, moet zij vervallen. Van deze boete resteert dan € 4.882. In zoverre is de boete niet in geschil. Het Hof zal de boete tot dit bedrag verminderen. Aangezien belanghebbende deze boete noch voor de Rechtbank noch in hoger beroep heeft bestreden, ziet het Hof geen aanleiding deze boete te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

4.11. Voor zover de boete met betrekking tot het tijdvak 2001 tot en met 2004 betrekking heeft op het anoniementarief, moet zij vervallen. Van deze boete resteert dan € 54.167 in verband met de afkoopsom van C en € 22.387 die niet in geschil is, derhalve in totaal € 76.554. Aangezien een boete van € 40.545 is opgelegd, ziet het Hof aanleiding deze boete te handhaven.

4.12. De Rechtbank heeft de hiervoor bedoelde boete, voor zover deze in geschil was, in verband met de overschrijding van de redelijke termijn verminderd met 10%. In hoger beroep is de redelijke termijn niet verder overschreden. Het Hof zal de door de Rechtbank toegepaste vermindering overnemen en de boete verder verminderen met 10% van € 18.158 (€ 40.545 - € 22.387), ofwel € 1.816, tot € 38.729.

Heffingsrente

4.13. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). De gronden die zijn gericht tegen de naheffingsaanslagen, worden geacht mede te zijn gericht tegen de beschikkingen heffingsrente. Nu deze gronden niet slagen, en belanghebbende voor het overige niets heeft gesteld omtrent de beschikkingen heffingsrente, is het hoger beroep inzake de heffingsrente ongegrond.

Slotsom

4.14. Gelet op het vorenoverwogene moet de boete voor het tijdvak 2000 worden verminderd en moeten de beschikkingen heffingsrente worden gehandhaafd. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank in zoverre vernietigen. Voor het overige zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5. Kosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 2 punten (beroepschrift en verschijnen ter zitting) × 1 (gewicht van de zaak) × € 322, ofwel op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarbij de boete voor het tijdvak 2000 is verminderd en voor zover daarin een beslissing over de heffingsrente ontbreekt;

- vermindert de boete voor het tijdvak 2000 tot € 4.882;

- verklaart het beroep inzake de in rekening gebrachte heffingsrente ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 644; en

- gelast de Staat het griffierecht ad € 447 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, A.J.H. van Suilen en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 26 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.