Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO3713

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/00075 en 09/00077
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BI5814, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR4807, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR4807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Afwaardering onzakelijke lening niet toegestaan. Het niet aftrekbare afwaarderingsverlies verhoogt het opgeofferde bedrag en liquidatieverlies niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2011/2.10
V-N 2011/4.2.3
FutD 2010-2608
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 09/00075 en 09/00077

uitspraakdatum: 26 oktober 2010

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur),

en het hoger beroep en het incidentele hoger beroep van

X BV te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 januari 2009, nummer AWB 07/3274.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 643.072. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 17.825.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 410.634.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 januari 2009 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 223.472, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966 en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4. Belanghebbende en de Inspecteur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in haar verweerschrift op het hoger beroepschrift van de Inspecteur incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep van belanghebbende beantwoord. Met betrekking tot het door belanghebbende ingestelde hoger beroep hebben partijen, naast het ingediende beroepschrift en verweerschrift, conclusies van re- en dupliek uitgewisseld.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 De Rechtbank heeft, in hoger beroep niet bestreden, de volgende feiten vastgesteld (waarbij eiseres dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur):

“Eiseres vormt samen met haar dochtermaatschappij Y B.V. in 2001 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De activiteiten bestaan uit de .uitoefening van een scheepvaartbedrijf. De aandelen in eiseres worden gehouden door de heer A . De heer B is vanaf 1 juli 2000 directeur van eiseres.

In de loop van 1998 heeft eiseres een nieuwe dochtermaatschappij Q GmbH (hierna: Q) opgericht die in Duitsland is gevestigd. Het geplaatst en gestort kapitaal van Q bedraagt DM 50.000. Q houdt zich bezig met de exploitatie van een horecaonderneming (hotel/restaurant) in een pand dat in eigendom is van de echtgenote van A (mevrouw A). De vennootschap huurt dit pand voor DM 6.000 per maand. Mevrouw A is als bedrijfsleidster van de horecaonderneming aangesteld.

Eiseres heeft in 1998 voor een bedrag van (maximaal) fl. 700.000 een geldleningovereenkomst afgesloten met Q. In de leningsovereenkomst zijn -voor zover hier van belang- de volgende voorwaarden opgenomen:

-jaarlijks wordt een rente betaald van 4% over de opgenomen gelden;

-de eerste vijf jaar behoeft er niet afgelost te worden, de eerste jaarlijkse aflossing ten bedrage van fl. 70.000 dient plaats te vinden op uiterlijk 31 december 2003;

-de lening is na vervulling van een aantal voorwaarden direct opeisbaar, waaronder surséance van betaling, faillissement, het in gebreke blijven van betaling van enige termijn van rente of aflossing en bij uitgifte van aandelen aan anderen dan de huidige aandeelhouder.

Met betrekking tot de uitgeleende gelden zijn geen zekerheiden of borgstellingen geëist of gesteld.

Ultimo 1999 heeft Q van eiseres een bedrag geleend ter grootte van

DM 594.423,58. De lening is aangewend voor de aankoop van inventaris en de aanschaf van een nieuwe keuken. Voorts ziet een gedeelte van de financiering op de aanvangsfase van de onderneming.

Q heeft van 1998 tot en met 2000 slechts verliezen geleden.

De horecaonderneming welke werd gedreven binnen Q is in de loop van 2000 onvrijwillig verkocht als gevolg van arbeidsongeschiktheid van A.

Op 9 mei 2000 is de liquidatie van Q in gang gezet. De liquidatie is beëindigd op 22 oktober 2001. De door eiseres verstrekte lening is voor een bedrag van € 187.162 oninbaar gebleken. De overige crediteuren, waaronder leveranciers en mevrouw A als verhuurder van het pand waarin de horeca-onderneming werd geëxploiteerd, zijn volledig voldaan.

Namens eiseres is over het jaar 2001 aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst van € 642.176 en, na verliesverrekening, een belastbaar bedrag van

€ 223.475. In verband met de liquidatie van Q is als liquidatieverlies volgens artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) een bedrag van € 212.800 opgenomen. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd (in euro's):

Geïnvesteerd aandelenkapitaal DM 50.000 25.638

Lening u/g Q 167.220

Rekening-courant Q 19.942

Totaal 212.800

Eiseres heeft aldus in totaal een bedrag van € 187.162 van haar vordering op Q afgeboekt wegens oninbaarheid.

Met dagtekening 9 juli 2005 is aan eiseres, ter behoud van rechten, een aanslag vennootschapsbelasting 2001 opgelegd naar een belastbare winst van € 1.061.776 en een belastbaar bedrag, na verliesverrekening, van € 643.072.

Bij brief van 16 augustus 2005, ontvangen bij verweerder op 19 augustus 2005, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de belastbare winst verminderd tot € 829.338. Het belastbaar bedrag is, na verliesverrekening, nader vastgesteld op € 410.634.”

2.2 In aanvulling op het in 2.1 vermelde stelt het Hof nog de hierna vermelde feiten vast.

2.3 Q vormt voor belanghebbende een deelneming in de zin van artikel 13 van de Wet Vpb. Belanghebbende is hoofdfinancier van de activiteiten van Q.

2.4 In verband met de verkoop van de onderneming in Q heeft A zich ten behoeve van de financier van de koopsom borg gesteld, zonder daarvoor een borgstellingsvergoeding te hebben bedongen. A is uiteindelijk ook als borg aangesproken.

2.5 A en zijn echtgenote zijn woonachtig in Duitsland.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is:

- of het afwaarderingsverlies ter grootte van € 187.162 van de aan Q verstrekte lening op enigerlei wijze ten laste van de fiscale winst gebracht kan worden;

- of er recht bestaat op een (aanvullend) liquidatieverlies ter grootte van € 10.000 in verband met een borgstellingsvergoeding en € 76.525 in verband met rente, en

- of de Rechtbank de Inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de werkelijke kosten.

Hoger beroep Inspecteur en incidenteel hoger beroep belanghebbende

A. Afwaardering lening

3.2 De Inspecteur is primair van mening dat het afwaarderingsverlies voortvloeit uit een door belanghebbende ten gerieve van haar aandeelhouder op zich genomen risico hetgeen hij aanmerkt als een uitdeling van winst. Subsidiair stelt hij dat het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is, omdat de lening niet is verstrekt met het oog op de zakelijke belangen van belanghebbendes onderneming zodat er sprake is van een (blote) onttrekking. Dit leidt in zijn visie niet tot verhoging van het opgeofferd bedrag voor Q en dus ook niet tot een liquidatieverlies. Meer subsidiair stelt de Inspecteur met een beroep op het zogenoemde “Cessna-arrest” (HR 8 maart 2002, nr. 36.292, BNB 2002/210c*), dat het in geschil zijnde bedrag niet aftrekbaar is omdat geen redelijk denkend ondernemer dit verlies voor zijn rekening zou nemen.

3.3 Belanghebbende stelt primair dat de lening onder zakelijke voorwaarden is verstrekt en dat er geen reden is om het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst te brengen. Subsidiair stelt zij om meerdere redenen dat als het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is, het verlies wel tot een verhoging van het opgeofferd bedrag voor Q zou moeten leiden en tot het in aanmerking nemen van een liquidatieverlies voor hetzelfde bedrag.

B. Liquidatieverlies in verband met rente en borgstellingsvergoeding

3.4 In aanvulling op haar stellingen heeft belanghebbende een tweetal gronden aangevoerd die zouden moeten leiden tot een lager belastbaar bedrag dan de Rechtbank in haar uitspraak heeft vastgesteld.

3.4.1 Op grond van artikel 9 OESO-modelverdrag, stelt belanghebbende, dat de in verband met de lening ontvangen rente van 4 percent gecorrigeerd dient te worden naar een marktconform percentage van 15. De rentecorrecties zouden jaarlijks aan de winst dienen te worden toegevoegd. Omdat de rente niet daadwerkelijk kan worden betaald, dient in het onderhavige jaar bij Q een storting van informeel kapitaal (in de kostensfeer) in aanmerking te worden genomen ter grootte van het (cumulatieve) verschil tussen een rentebedrag op basis van 4 percent (€ 27.827) en 15 percent (€ 104.352). Bij belanghebbende moet de kostprijs van de deelneming in Q (alsmede het opgeofferde bedrag) met dit verschil (€ 76.525) worden verhoogd. Dit leidt tot een (extra) liquidatieverlies voor hetzelfde bedrag.

3.4.2 Belanghebbende stelt voorts dat het opgeofferde bedrag voor de deelneming in Q met € 10.000 dient te worden verhoogd in verband met een borgstellingsvergoeding, resulterend in een dienovereenkomstige verlaging van het door de Rechtbank vastgestelde belastbare bedrag.

3.5 De Inspecteur is van mening dat een om onzakelijke redenen aanvaard debiteurenrisico niet simpelweg kan worden rechtgezet door het verhogen van de bedongen rente. Met betrekking tot de borgstellingsvergoeding is hij van mening dat het opgeofferd bedrag niet met € 10.000 kan worden verhoogd, vanwege de ongerijmdheid van de redenering van belanghebbende alsmede omdat de borgstelling zou zijn aangegaan ten behoeve van de koper en de hoogte van de vergoeding niet is onderbouwd.

Hoger beroep belanghebbende

3.6 Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling op grond van werkelijk gemaakte kosten heeft uitgesproken.

3.7 De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.8 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.9 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 136.947.

3.10 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

Hoger beroep Inspecteur en incidenteel hoger beroep van belanghebbende

A. Afwaardering lening

4.1 Aangezien belanghebbende en Q in de door hen gesloten geldleningsovereenkomst de ter beschikking stelling van een hoofdsom en een terugbetalingsverplichting daarvan hebben opgenomen en ten tijde van de geldverstrekking niet te voorzien was dat het nimmer tot terugbetaling zou komen, dient als uitgangspunt voor het onderhavige te beslechten geschil te gelden, dat het door belanghebbende aan Q verstrekte bedrag als een geldlening is aan te merken (vergelijk HR 8 september 2006, nr. 42 015, LJN AV2327, BNB 2007/104c*). Gesteld noch gebleken is, dat tot het moment van afwaarderen de voorwaarden waaronder de geldlening is aangegaan of de omstandigheden waaronder dat gebeurde, dusdanig zijn gewijzigd, dat niet langer sprake is van een geldlening. Q heeft de lening ook grotendeels daadwerkelijk afgelost.

4.2 De primaire stelling van de Inspecteur houdt in dat ter grootte van het afwaarderingsverlies een uitdeling van winst heeft plaats gevonden aan belanghebbendes aandeelhouder. In de visie van de Inspecteur heeft A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder bewerkstelligd dat belanghebbende, daar waar in normale derdenverhoudingen van de aandeelhouder - tot zekerheid van de terugbetaling van de lening door de deelneming - een aanvullende zekerheid van de aandeelhouder van de geldverstrekker in de vorm van een borgstelling zal worden gevraagd, bewust geen borgstelling van A heeft bedongen. Het Hof zal de Inspecteur in zijn stelling niet volgen, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in casu het mogelijk en gebruikelijk zou zijn van A een borgstelling te verlangen zodat van een bewuste bevoordeling van A geen sprake kan zijn.

4.3 Bij de beoordeling van het subsidiaire standpunt van de Inspecteur dat het in geschil zijnde afwaarderingsverlies, dat ziet op de in 4.1 bedoelde geldlening, niet ten laste van de fiscale winst gebracht kan worden, is van belang, nu van een onzakelijk motief om de lening te verstrekken niet is gebleken, of de geldverstrekking onder zodanige voorwaarden en omstandigheden heeft plaatsgevonden dat daarbij door belanghebbende een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Behoudens bijzondere omstandigheden moet er dan van worden uitgegaan dat belanghebbende dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard in haar hoedanigheid van aandeelhouder in Q (vergelijk HR 9 mei 2008, nr. 43 849, LJN BD1108, BNB 2008/191*).

4.4 Op grond van de hierna volgende feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbende het debiteurenrisico heeft aanvaard in haar hoedanigheid van aandeelhouder en er derhalve geen recht bestaat het afwaarderingsverlies op de voet van artikel 8 van de Wet Vpb juncto artikel 3.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten laste van de fiscale winst te brengen:

1. Belanghebbende heeft een lening verstrekt aan haar dochtermaatschappij, waarmee de dochter een horecaonderneming ging starten. De omvang van deze lening maakt belanghebbende hoofdfinancier van de activiteiten van Q. Desondanks heeft belanghebbende op geen enkele wijze zekerheidsrechten bij Q bedongen ter verzekering van de aflossing van de door haar verstrekte geldlening. Dit klemt temeer omdat een deel van de ter beschikking gestelde gelden is weggevloeid in niet verhaalbare zaken, zoals het aanloopverlies van de in Q geëxploiteerde horecaonderneming. Voor zover de gelden zijn gebruikt voor wel verhaalbare zaken, is verpanding daarvan achterwege gebleven.

2. Belanghebbende heeft genoegen genomen met een, mede gelet op het ontbreken van een hiervoor bedoelde zekerheid, laag te noemen rente van 4 percent (0,53 procentpunt lager dan het gemiddelde in 1998 gerealiseerde rendement op aflosbare staatsobligaties). Deze rente werd niet betaald maar bijgeschreven bij de hoofdsom, zodat belanghebbende ook over de vervallen rente een debiteurenrisico liep.

3. Belanghebbende heeft, ondanks de lage rentevergoeding, genoegen genomen met een aflossingsverplichting die pas vijf jaar na verstrekking van de gelden in zou gaan.

4. Ultimo 1998 bedroeg de schuld van Q aan belanghebbende € 311.780 terwijl het eigen vermogen slechts € 25.564 bedroeg.

5. Een voldoende compenserend element voor het ontbreken van zekerheid, de lage rente en de vertraagde aflossingsverplichting ontbreekt.

6. Een bijzondere omstandigheid zoals in 4.3 bedoeld ontbreekt.

7. Belanghebbende heeft geen ervaring bij de beoordeling van het debiteurenrisico nu het hier een branchevreemde belegging betreft. Evenmin is gebleken dat zij kennis heeft ingehuurd.

8. Het debiteurenrisico is vergroot, doordat belanghebbende heeft toegestaan dat de echtgenote van A als bedrijfsleidster is aangesteld binnen Q, terwijl zij evenmin ervaring heeft in het drijven van een horecaonderneming.

4.5 Uit het in 4.4. vermelde oordeel vloeit voort dat het in 3.2 opgenomen meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur en het in 3.3 opgenomen primaire standpunt van belanghebbende, geen behandeling meer behoeven.

4.6 Voor zover belanghebbende met hetgeen hij heeft gesteld, heeft willen verdedigen dat de afwaardering van de lening geen verband houdt met de onzakelijke voorwaarden, zodat de het arrest BNB 2008/191* niet van toepassing is, faalt dit betoog. Met hetgeen de Inspecteur heeft aangedragen, maakt hij aannemelijk, dat de afwaardering van de lening voortvloeit uit het debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.

4.7 Met betrekking tot de vraag of het niet aftrekbare afwaarderingsverlies leidt tot een ophoging van het voor Q opgeofferd bedrag en derhalve tot het nemen van een (aanvullend) liquidatieverlies voor hetzelfde bedrag, is van belang of de geldlening fiscaal als een deelnemerschapslening danwel als informeel kapitaal gekwalificeerd dient te worden, danwel of een redelijke wetstoepassing daartoe leidt.

4.8 Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes stelling dat de geldlening van aanvang af als een deelnemerschapslening is te kwalificeren moet worden verworpen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1998, nr. 32 240, BNB 1998/208, volgt dat van een zekere mate van deelhebben door de crediteur in de onderneming van de schuldenaar slechts sprake is indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. Aangezien de genoemde voorwaarden zich in dit geval niet (gezamenlijk) hebben voorgedaan kan er geen sprake van zijn dat de lening van aanvang af een zogenoemde deelnemerschapslening betrof.

4.9 Ook belanghebbendes stelling dat uiterlijk op het moment dat de verliezen het bedrag van het gestorte kapitaal van Q overschrijden sprake is van een deelnemerschapslening, kan het Hof niet volgen. Voorzover een lening zonder formele wijziging van de voorwaarden al zou kunnen worden geherkwalificeerd als een deelnemerschapslening, hoeft het negatief worden van het eigen vermogen van de debiteur er niet per definitie toe te leiden dat voldaan is aan de hiervoor vermelde drie voorwaarden. Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat feitelijk wel aan deze drie voorwaarden is voldaan, is ook gedurende de looptijd van de lening geen deelnemerschapslening ontstaan. Belanghebbendes stelling hieromtrent wordt dan ook verworpen.

4.10 Voor zover belanghebbende stelt, dat sprake is van een (informele) kapitaalstorting, stelt het Hof vast dat uit niets is gebleken dat de lening op het moment van de verstrekking in wezen een kapitaalstorting is geweest. Ook is niet gebleken dat de lening als een informele kapitaalstorting in Q aangemerkt dient te worden omdat het belanghebbende reeds bij de verstrekking van de lening duidelijk moet zijn geweest dat het geleende bedrag niet of niet ten volle zou kunnen worden afgelost. Naar het oordeel van het Hof kan de lening dan ook niet worden gekwalificeerd als informeel kapitaal.

4.11 Belanghebbendes stelling dat een lening die onder onzakelijke voorwaarden tot stand is gekomen in wezen een onderdeel van de kostprijs van de aandelen vormt en derhalve bij liquidatie van Q toch tot een liquidatieverlies kan leiden, acht het Hof onjuist. Nu het motief voor het aangaan van de lening op zichzelf niet van onzakelijke aard is geweest, kan naar het oordeel van het Hof niet worden geconcludeerd dat de lening is verstrekt in de kwaliteit van aandeelhouder en bestaat er ook geen ruimte om desondanks een liquidatieverlies te kunnen nemen. Belanghebbendes visie op het arrest van de Hoge Raad van 29 augustus 1997, nr. 32 210, LJN AA2239, BNB 1998/3c*, deelt het Hof derhalve niet.

4.12 Belanghebbende heeft voorts, in navolging van de Rechtbank, gesteld dat, indien het afwaarderingsverlies in de in 4.3 bedoelde zin niet aftrekbaar is en evenmin sprake is van gestort (in)formeel kapitaal of een deelnemerschapslening, een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat het verlies, alhoewel er terzake geen storting van formeel of informeel kapitaal heeft plaatsgevonden, desondanks tot het opgeofferd bedrag voor Q gerekend dient te worden en dat dit bedrag vervolgens, vanwege de liquidatie van Q in het onderhavige jaar, op grond van het bepaalde in artikel 13d van de Wet Vpb als liquidatieverlies aftrekbaar is.

4.13 Het Hof zal deze stelling van belanghebbende niet volgen. Het Hof merkt het door belanghebbende aan Q verstrekte geld aan als een verstrekking van een geldlening. Deze geldlening is nadien niet gebruikt voor een kapitaalstorting in Q. Het afwaarderen van de geldlening door belanghebbende is evenmin aan te merken als een storting van kapitaal, omdat bij de afwaardering geen vermogensverschuiving optreedt. Eerst op het moment van een kwijtschelding van de geldlening vindt een vermogensverschuiving plaats. Belanghebbende heeft de geldlening aan Q echter niet kwijtgescholden. Ook op het moment van liquidatie kan niet worden aangenomen dat belanghebbende de schuld heeft kwijtgescholden, omdat Q ook dan nog niet ervan uit kan gaan dat zij haar schulden niet meer behoeft te voldoen (vergelijk HR 18 oktober 2002, nr. 37 413, LJN AE3269, BNB 2003/44c*). Nu belanghebbende haar vordering niet heeft kwijtgescholden, is Q niet bevoordeeld en is derhalve ook niets gestort in Q. Van enige andere storting is het Hof niet gebleken. Dit brengt met zich mee dat ophoging van het voor Q opgeofferde bedrag en het gewenste liquidatieverlies dan niet aan de orde is.

B. Liquidatieverlies in verband met rente

4.14 Belanghebbende stelt dat uit het “at arm’s length-beginsel” voortvloeit dat de in rekening gebrachte rente dient te worden gecorrigeerd naar een hoger rentebedrag. Zoals blijkt uit hetgeen in 4.4 is overwogen, is er in casu sprake van een door belanghebbende om onzakelijke redenen aanvaard debiteurenrisico. Aangezien Q niet kan aflossen, de rentebetalingen schuldig blijft en geen zekerheden voor de aflossing van de lening heeft geboden, leidt het (achteraf) verhogen van de overeengekomen rente voor belanghebbende tot het aanvaarden van een nog hoger debiteurenrisico. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat onder deze omstandigheden toepassing van het “at arm’s length-beginsel” met zich meebrengt dat en in welke mate de rente dient te worden verhoogd. Belanghebbendes stelling hieromtrent wordt dan ook verworpen.

B. Liquidatieverlies i.v.m. een borgstellingsvergoeding

4.15 Belanghebbende stelt ook dat de omstandigheid dat A - als aandeelhouder van belanghebbende - voor de schuld van de koper van de onderneming in Q een borgstelling heeft verleend, waarvoor door A geen vergoeding is bedongen, meebrengt dat in wezen belanghebbende de borgstelling heeft verleend. Door af te zien van een borgstellingsvergoeding zou belanghebbende een informele kapitaalstorting in Q hebben gedaan met als gevolg een verhoging van het opgeofferde bedrag voor de deelneming Q met een geschatte borgstellingsvergoeding van € 10.000 en een liquidatieverlies voor hetzelfde bedrag. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld heeft zij naar het oordeel van het Hof, nu de borgstelling een noodzakelijke voorwaarde was voor de verkoop van de onderneming van Q, niet aannemelijk gemaakt of en in hoeverre onder deze omstandigheden in derdenverhoudingen een borgstellingsvergoeding bedongen zou kunnen worden. Reeds hierom zal het Hof belanghebbendes stelling met betrekking tot een liquidatieverlies van € 10.000 niet honoreren.

Overig

4.16 Belanghebbende stelt tenslotte onder verwijzing naar het zogenoemde Renpaardenarrest (Hoge Raad 14 juni 2002, nr. 36 453, BNB 2002/290) dat het onderhavige afwaarderingsverlies toch aftrekbaar is omdat de lening niet is verstrekt ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder in belanghebbende. Het Hof verwerpt deze stelling. Het Hof heeft onder 4.4 geoordeeld dat afwaardering van de lening niet mogelijk is, omdat belanghebbende het debiteurenrisico heeft aanvaard in haar hoedanigheid van aandeelhouder. Het is dan niet meer van belang of de lening al dan niet is verstrekt ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder in belanghebbende.

4.17 Op grond van het voorgaande slaagt het hoger beroep van de Inspecteur wel en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende niet.

Hoger beroep belanghebbende

4.18 Belanghebbende stelt dat de Rechtbank de Inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de in redelijkheid gemaakte werkelijke (proces)kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep. Aangezien het Hof tot het oordeel is gekomen dat de Inspecteur het belastbare bedrag juist heeft vastgesteld en het door belanghebbende ingestelde beroep bij de Rechtbank derhalve ongegrond moet worden verklaard, bestaat er geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen de proceskosten danwel de kosten van de bezwaarfase te vergoeden. Het hoger beroep van belanghebbende slaagt derhalve niet.

Heffingsrente

4.19 Het hoger beroep van de Inspecteur en de belanghebbende worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie HR 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). De gronden die zijn gericht tegen de belastingaanslag, worden geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking heffingsrente. De Rechtbank heeft, naar het Hof begrijpt, de beschikking heffingsrente verminderd. Nu enkel de gronden van de Inspecteur slagen, heeft de Rechtbank de beschikking heffingsrente ten onrechte verminderd. Het hoger beroep van de Inspecteur inzake de heffingsrente is daarom gegrond en het hoger beroep van belanghebbende, nu zij voor het overige niets heeft gesteld omtrent de beschikking heffingsrente, ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond en zijn het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 26 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (J.P.M. Kooijmans)

Vanwege afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. J.P.M. Kooijmans.

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.