Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO3625

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
200.069.498
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 7:364; Rv 118

Inzet van het geding is onder meer de vordering van van de pachter zijn zoon als medepachter als bedoeld in artikel 7:364 BW aan te merken.

Volgens het eerste lid van art. 7:364 BW is het de (zittende) pachter die kan vorderen zijn echtgenoot of geregistreerde partner, een of meer van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of een of meer van zijn pleegkinderen als medepachter aan te merken (hierna in enkelvoud: de voorgestelde medepachter). De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een persoon uit de bedoelde kring zelf het initiatief neemt om als medepachter te worden aangemerkt. Doet zo’n persoon dat toch, dan kan hij in zijn vordering dus niet worden ontvangen. Dat geldt ook indien de pachter naast bedoelde persoon als eiser optreedt en hun beider vorderingen strekken tot het aanmerken als medepachter van dezelfde persoon. Wel kan de voorgestelde medepachter, vanwege zijn belang bij toewijzing van de vordering van de pachter, zich aan diens zijde voegen. Hij kan zijn incidentele vordering tot voeging reeds bij gelegenheid van de inleidende dagvaarding instellen door naast de pachter als rekwirant op te treden en duidelijk te maken dat hij, vanwege zijn belang bij toewijzing van de vordering, zich aan de zijde van de pachter als partij wenst te voegen. Het hof verwijst naar zijn arrest van 23 maart 2010, LJN BM2122. Dat arrest had weliswaar betrekking op een vordering ex artikel 7:363 BW en niet een ex artikel 7:364, maar er is geen reden om met betrekking tot laatstbedoelde vordering anders te oordelen.

In de onderhavige zaak heeft de voorgestelde medepachter zich niet aan de zijde van de pachter gevoegd; de voorgestelde medepachter is tot op heden ook niet op andere wijze in het geding verschenen.

De rechtspraak heeft met de positie van de voorgestelde medepachter tot op heden in die zin rekening gehouden dat volgens diverse arresten en beschikkingen van dit hof de pachtrechter moet verifiëren of de voorgestelde medepachter wel medepachter wil worden en met de belangen en het standpunt van de voorgestelde medepachter rekening dient te houden.

Het hof heeft zich de vraag gesteld of dat voldoende is en beantwoordt die vraag thans ontkennend. De uitkomst van een pachtgeding waarin een vordering als bedoeld aan de orde is, is niet alleen bepalend voor de burgerlijke rechten en verplichtingen van pachter en verpachter, maar ook van de persoon over wiens medepacht wordt beslist. Hij dient daarom zonder meer de gelegenheid te krijgen zijn standpunt terzake aan de rechter voor te leggen en bij het geding ook zelf partij te zijn.

In verband met het voorgaande dient te worden aangenomen dat de pachter die vordert dat een of meer personen als medepachter worden aangemerkt, dient zorg te dragen voor een tijdige oproeping op de voet van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de door hem voorgestelde medepachter(s). Uiteraard kan die oproeping achterwege blijven in het hiervoor bedoelde geval dat de voorgestelde medepachter zich reeds aan zijde heeft gevoegd.

Het hof ziet aanleiding om aan pachter op te dragen om alsnog zorg te dragen voor de oproeping van zijn zoon in het geding.

Pachter dient bij akte een afschrift in het geding te brengen van het exploot waarbij hij zijn zoon heeft opgeroepen om, deugdelijk vertegenwoordigd door een advocaat, in dit geding te verschijnen op de roldatum als hierna vermeld. Het hof beschouwt het in dit verband als de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat van pachter om te beoordelen of hij mede als de advocaat van de zoon van pachter kan optreden.

De procedure zal vervolgens zoveel mogelijk worden voortgezet in de stand waarin zij zich voorafgaand aan dit arrest bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.069.498

(zaakgegevens rechtbank: 250203 \ CV EXPL 09-858)

arrest van de pachtkamer van 9 november 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo,

tegen:

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.G. Besling.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 20 juli 2010. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 29 oktober 2010 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Vervolgens heeft het hof de zaak ambtshalve arrest bepaald op het door appellant (hierna: [appellant]) ten behoeve van de comparitie overgelegde procesdossier.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Inzet van het geding is de door verpachters (hierna: [geïntimeerden]) ingestelde vordering in conventie strekkende tot vaststelling dat de pacht eindigt per 1 november 2010 en veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gepachte, met nevenvorderingen, alsmede de door [appellant] in reconventie ingestelde vordering zijn zoon [A] als medepachter als bedoeld in artikel 7:364 Burgerlijk Wetboek aan te merken.

2.2 Volgens het eerste lid van artikel 7:364 Burgerlijk Wetboek is het de (zittende) pachter die kan vorderen zijn echtgenoot of geregistreerde partner, een of meer van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of een of meer van zijn pleegkinderen als medepachter aan te merken (hierna in enkelvoud: de voorgestelde medepachter). De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een persoon uit de bedoelde kring zelf het initiatief neemt om als medepachter te worden aangemerkt. Doet zo’n persoon dat toch, dan kan hij in zijn vordering dus niet worden ontvangen. Dat geldt ook indien de pachter naast bedoelde persoon als eiser optreedt en hun beider vorderingen strekken tot het aanmerken als medepachter van dezelfde persoon. Wel kan de voorgestelde medepachter, vanwege zijn belang bij toewijzing van de vordering van de pachter, zich aan diens zijde voegen. Hij kan zijn incidentele vordering tot voeging reeds bij gelegenheid van de inleidende dagvaarding instellen door naast de pachter als rekwirant op te treden en duidelijk te maken dat hij, vanwege zijn belang bij toewijzing van de vordering, zich aan de zijde van de pachter als partij wenst te voegen. Het hof verwijst naar zijn arrest van 23 maart 2010, LJN BM2122. Dat arrest had weliswaar betrekking op een vordering ex artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek en niet een ex artikel 7:364, maar er is geen reden om met betrekking tot laatstbedoelde vordering anders te oordelen.

2.3 In de onderhavige zaak heeft de voorgestelde medepachter zich niet aan de zijde van de pachter gevoegd; de voorgestelde medepachter is tot op heden ook niet op andere wijze in het geding verschenen.

2.4 De rechtspraak heeft met de positie van de voorgestelde medepachter tot op heden in die zin rekening gehouden dat volgens diverse arresten en beschikkingen van dit hof de pachtrechter moet verifiëren of de voorgestelde medepachter wel medepachter wil worden en met de belangen en het standpunt van de voorgestelde medepachter rekening dient te houden.

2.5 Het hof heeft zich de vraag gesteld of dat voldoende is en beantwoordt die vraag thans ontkennend. De uitkomst van een pachtgeding waarin een vordering als bedoeld aan de orde is, is niet alleen bepalend voor de burgerlijke rechten en verplichtingen van pachter en verpachter, maar ook van de persoon over wiens medepacht wordt beslist. Hij dient daarom zonder meer de gelegenheid te krijgen zijn standpunt terzake aan de rechter voor te leggen en bij het geding ook zelf partij te zijn.

2.6 In verband met het voorgaande dient te worden aangenomen dat de pachter die vordert dat een of meer personen als medepachter worden aangemerkt, dient zorg te dragen voor een tijdige oproeping op de voet van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de door hem voorgestelde medepachter(s). Uiteraard kan die oproeping achterwege blijven in het onder 2.2 bedoelde geval dat de voorgestelde medepachter zich reeds aan zijde heeft gevoegd.

2.7 Het hof ziet aanleiding om aan [appellant] op te dragen om alsnog zorg te dragen voor de oproeping van [A] in het geding.

2.8 [appellant] dient bij akte een afschrift in het geding te brengen van het exploot waarbij hij [A] heeft opgeroepen om, deugdelijk vertegenwoordigd door een advocaat, in dit geding te verschijnen op de roldatum als hierna vermeld. Het hof beschouwt het in dit verband als de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat van [appellant] om te beoordelen of hij mede als de advocaat van [A] kan optreden.

2.9 De procedure zal vervolgens zoveel mogelijk worden voortgezet in de stand waarin zij zich voorafgaand aan dit arrest bevond. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 30 november 2010 voor akte aan de zijde van [appellant] als onder 2.8 bedoeld;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek, en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 november 2010.